 |
Martha, de laatste trekduif.
Washington D.C., Smithsonian Institution, Museum of Natural History. |
Martha
Op 1 september 1914, tussen 12 uur en 1 uur 's middags, blies in de zoo van Cincinnati, in de staat Ohio, Martha haar laatste adem uit. Martha was een duif. Een trekduif, meer bepaald, of zoals de Amerikanen zeggen, een Passenger Pigeon. In Europa zal het verscheiden van Martha niet veel baren hebben gemaakt: daar was op 28 juli een oorlog uitgebroken, die tot 11 november 1918 zou duren en de Grote Oorlog zou worden genoemd, niet alleen omwille van zijn duur maar ook omdat hij wereldwijd om zich heen greep en uiteindelijk ook de Verenigde Staten zou meetrekken.
Maar op 1 september 1914 lag Cincinnati nog niet in een land in oorlog. In de dierentuin stierf een duif. Waarschijnlijk sterft er zowat iedere seconde ergens op de wereld een duif, so what. Maar Martha was een bijzondere duif, want ze was de laatste van haar soort. Met Martha, die mogelijk meer dan twintig jaar was en voor een duif dus een gezegende leeftijd had, verdween de soort
Ectopistes migratorius van onze aardkloot. In de ornithologische wereld wist men dat. Men besefte dat er behalve Martha geen trekduiven meer in leven waren. De laatste wilde trekduif had in 1900 in Pike County, eveneens in Ohio, het loodje gelegd. Ze was afgeknald door de veertienjarige Press Clay Southworth, die er geen idee van had wat voor een vogel hij schoot. Hij was veertien en had een geweer en schoot daar graag mee, het was tenslotte in de States. Maar zijn moeder herkende de vogel wel, want zij had in haar jonge jaren meer trekduiven gezien en wist dat ze intussen schaars waren geworden. Ze liet het beest opzetten door ene mevrouw Barnes, een plaatselijke amateur-taxidermist die op dat moment even zonder glazen oogjes zat die bij het opzetten worden gebruikt, en daarom maar kleine hemdsknoopjes bezigde. Mrs Barnes bezorgde met die knoopjes de onfortuinlijke duif eeuwige roem, want in de literatuur over de trekduif werd het dier geboekstaafd als
Buttons. Sommige ornithologische auteurs trekken in twijfel dat Buttons de laatste wilde trekduif was. Er zou er nog een zijn geschoten in 1902 in de staat Indiana, en niemand minder dan Teddy Roosevelt beweerde een klein groepje trekduiven te hebben gezien in Virginia in 1907.
 |
Buttons
|
Dat Martha in 1914 stierf, is een fait-divers. Dat
Ectopistes migratorius als soort verdween, is dat niet. Minder dan een eeuw voor de vogel ons verliet, was de trekduif bijzonder talrijk. Het is zelfs niet onmogelijk dat de trekduif de talrijkste vogelsoort was die ooit leefde, zeker in Noord-Amerika waar volgens sommige auteurs één vogel op vier een trekduif was. Er moeten er miljarden van zijn geweest. De trekduif broedde in kolonies, en die gezamenlijke nestplaatsen besloegen soms enorme oppervlakten - nabij Sparta, in Wisconsin, was er in 1871 een kolonie die zich over een gebied van 850 vierkante mijl uitstrekte. Al op de eerste Europeanen die voet zetten op het Noord-Amerikaanse continent, maakten de aantallen duiven grote indruk. Thomas Dudley, deputy van de gouverneur van de de kolonie van Massachusetts Bay, had het in 1631 over duivenzwermen die de hemel verduisterden. Pierre Boucher schreef in 1664 dat in een zwerm de vogels zo dicht opeengepakt waren, dat je er met één enkel geweerschot veertig tot vijfenveertig tegelijk kon neerhalen. De vader van de Amerikaanse ornithologie, de Schot Alexander Wilson, beschreef een zwerm die hij zag bij de Kentucky River als "a living torrent" van een mijl breed en, volgens zijn schatting, honderdveertig mijl lang. Hij probeerde het aantal duiven in de zwerm te berekenen en kwam op 2.230.272.000 vogels, "an almost inconceivable multitude, and yet probably far below the actual amount." De Amerikaanse Fransman John James Audubon (
The Birds of America) schatte een vlucht trekduiven die hij observeerde op 1.115.136.000 exemplaren. Major W. Ross King beschreef in 1866 een zwerm waarvan het overvliegen verschillende dagen duurde en die volgens de berekeningen van de trekduivenbiograaf Arlie Schorger 3.717.120.000 vogels telde. Christopher Cokinos rekende op grond van Wilsons calculaties uit dat de vogels die de Schot bij de Kentucky zag, mochten ze snavel aan staart in één lijn achter mekaar hebben gevlogen, een lijn zouden hebben gevormd die 22,6 keer de lengte van de evenaar had. Dit alles maar om te zeggen dat
Ectopistes migratorius in enorme aantallen voorkwam, nog tot zeker vijftig jaar voor het dier van de aardbodem verdween.
 |
Trekduivenjacht in Louisiana.
Uit Smith Bennett, "Winter Sports in Northern Louisiana: Shooting Wild Pigeons",
Illustrated Sporting and Dramatic News, 3 juli 1875. |
Hoe komt het dat deze onvoorstelbaar talrijke vogel zo ontzettend snel uitstierf? Errol Fuller (
The Passenger Pigeon) ziet drie belangrijke factoren.
Ten eerste is er de vernieling van de habitat van de trekduif: het massaal kappen van de bossen die zij nodig had voor haar voedsel en om te nestelen.
Ten tweede is er de onverbiddelijke woestheid waarmee de vogel in de 19de eeuw werd afgeslacht.
Als derde factor noemt Fuller de levenswijze van de vogel, die alleen tot broeden kon komen in grote kolonies. Toen de aantallen te klein werden, werd niet meer succesvol gebroed en zo ging de spiraal steeds sneller neerwaarts, denkt Fuller.
Fullers eerste factor kan moeilijk worden genegeerd. De oostelijke Verenigde Staten, het kerngebied van de trekduif, werden vanaf het begin van de kolonisatie in de 17de eeuw massaal ontbost: van de naar schatting 4.140.000 km2 bosoppervlakte in 1630 bleven in 1920 nog 2.920.000 km2 over. Bladverliezend woud maakte plaats voor landbouwgrond en met de bomen verdwenen de nestgelegenheid voor de duiven en hun bron van voedsel, de eikels, beukennoten, noten en bessen waar de duiven zich mee voedden.
Dan is er de jacht. De Haudenosaunee (Irokezen) en andere oostelijke volkeren, die er voor de komst van de Europeanen al op joegen, vingen de duiven met netten. De kolonisten deden dat ook, maar sloegen de rustende en broedende vogels tevens dood met knuppels en knalden er voorts lustig op los. In de vroege jaren van de kolonisatie had dit mogelijk weinig effect, maar tegen de 19de eeuw kregen de jachtpartijen het karakter van een massagebeurtenis. Volgens de boekhouding van één enkele van de vele leveranciers van munitie voor de schietpartij die werd gehouden op de nestplaats in Sparta, Wisconsin, van 1871, leverde deze drie ton kruit en zestien ton hagel. Arlie Schorger (The Passenger Pigeon: Its Natural History and Extinction) schatte dat bij één schietpartij in 1882 niet minder dan 2.138.400 duiven werden gedood. Aan dergelijke schietfeesten namen vooral jagers uit de steden deel. Net als bij de bizon, dat andere Amerikaanse icoon dat haast werd uitgeroeid door meedogenloze jacht, speelde de trein een bijzondere rol in het drama. Spoorwegen ontsloten de woeste gebieden buiten de dorpen en steden en maakten het de stedelingen uit het oosten mogelijk dichter bij de westelijke Frontier te gaan jagen.
De broedgewoonten van de trekduif tenslotte: deden die haar de das om? Deze verklaring is te vinden bij veel auteurs die over de trekduif publiceerden en lijkt hout te snijden: een vogel die over een onmetelijke tijdspanne zo was geëvolueerd, dat hij alleen kon blijven bestaan zolang hij in gigantische kolonies kon broeden. De trekduif floreerde als er miljoenen waren, maar met minder ging het pijlsnel bergaf, tot er ineens geen meer overbleven. Of dit laatste echt klopt, lijkt me onzeker. Het is niet correct dat de trekduif alleen tot broeden kwam in mega-kolonies. Trekduiven waren in de 19de eeuw populaire kooivogels; ze werden ook in volières gehouden en kwamen daar tot broeden. Martha, de eenzame duif van Cincinnati, was hoogst waarschijnlijk in gevangenschap uit het ei gekropen en had nooit vrij rondgevlogen.
Misschien is het nog anders gegaan. We weten dat de trekduif zeer talrijk voorkwam ten oosten van de Mississippi, maar ooit leefde ze in het hele continent. Botresten gevonden in Utah en zelfs in British Columbia tonen aan dat ze ook ten westen van de Rockies leefde. Die botresten zijn echter niet bijzonder talrijk. Archeologische opgravingen in en rond Cahokia, de grootste precolumbiaanse stad van Noord-Amerika, die op haar hoogtepunt in de 12de eeuw een oppervlakte van 16 km2 besloeg en waarschijnlijk meer inwoners had dan het toenmalige Londen, leverden resten op van tientallen diersoorten die werden gejaagd om in de behoefte aan proteïnen te voorzien. Veel trekduivenbeenderen zijn daar echter niet bij. Dat is vreemd, want vlakbij het oude Cahokia, net buiten Saint-Louis, bevond zich een van de historische slaapplaatsen waar ten tijde van Audubon miljoenen trekduiven kwamen rusten. Sommigen hebben geargumenteerd dat duivenbotjes te fragiel zijn en daarom nauwelijks werden bewaard, maar dat klopt niet: zelfs graten van kleine vissen zijn talrijk in het keukenafval van Cahokia. De meest logische verklaring voor de schaarste van de duivenbotjes is, dat de duif maar weinig werd gejaagd en gegeten. Waarom stond de vogel nauwelijks op het menu van de Cahokianen? Gewoon omdat hij onvoldoende talrijk was, menen sommige onderzoekers. Misschien was de trekduif helemaal niet zo'n massaal voorkomende soort voor de Europeanen in de 16de eeuw in Noord-Amerika arriveerden. Charles C. Mann (1491) oppert dat de vele miljoenen duiven uit de beginperiode van de Europese expansie op het Amerikaanse continent het gevolg waren van de decimering van de Indiaanse bevolking door ziekte. Mann denkt dat pre-koloniaal Noord-Amerika veel dichter bewoond was dan gewoonlijk wordt aangenomen. De voor-Europese Indiaanse bevolking had flink wat invloed op het wildbestand van het continent. Voor de Indianen waren de wilde dieren immers niet alleen een eiwitbron, maar tevens concurrenten voor de noten, bessen, zaden en vruchten die de enorme bossen produceerden. Dus hielden ze de populaties van het wild in bedwang. Met de Europeanen kwamen een aantal virussen mee, die op de precolumbiaanse bevolking inhakten. De Indiaanse dorpen en steden werden ontvolkt, en door het tijdelijke wegvallen van de intense jachtdruk ging de trekduif zich in heel korte tijd spectaculair uitbreiden. Maar haar succes was wankel, en toen de kolonisten en later de stedelingen met hun slachtpartijen begonnen en massale ontbossing de voedselvoorziening en de nestgelegenheid van de vogel fnuikten, was zijn lot snel beslecht.
De trekduif is een spectaculair geval van extinctie. In de loop van de jongste eeuwen zijn er duizenden dier- en plantensoorten van de aardbodem verdwenen, maar slechts zelden gebeurde dat op zo'n theatrale manier. Bij vogels ging het het daarbij vaak om soorten die slechts op één of enkele eilanden voorkwamen en zowel het vluchtinstinct als het vliegvermogen hadden verloren. De dodo van Mauritius en de solitaire van Réunion, twee niet-vliegende reuzenduiven, zijn typische voorbeelden. De Stephens Eiland rotswinterkoning (Xenicus lyalli), een heel primitief zangvogeltje dat op één eilandje nabij Nieuw-Zeeland leefde, kon niet vliegen en viel ten prooi aan verwilderde katten, op het eiland achtergelaten door zeelui. (Een indianenverhaal wil, dat één enkele poes, Tibbles, de kat van de vuurtorenwachter, de hele populatie soldaat maakte, maar dat klopt niet.) Andere vogels konden nog wel vliegen, maar leefden in zo'n beperkt gebied en zo een specifieke biotoop, dat het contact met organismen meegebracht van buitenaf al heel snel fataal bleek. Op Hawaii stierf zo een volledige zangvogelfamilie uit, de Mohoidae of o'O's en kioea's. Katten, ratten en misschien zelfs muggen die ziekten overbrachten waartegen de vogels geen resistentie hadden, gaven de doodsteek.
 |
François Leguat, De solitaire van Rodrigues (Pezophaps solitaria). Afbeelding in Voyages et aventures, 1708.
|
Nu is het verdwijnen van soorten niets uitzonderlijks: het is inherent aan de evolutie, een normale zaak, een permanente ruis op de achtergrond van de ontwikkeling van het leven. Men heeft berekend dat er sinds het ontstaan van het leven pakweg drie en een half miljard jaar geleden ongeveer vier miljard soorten organismen hebben geleefd; 99% daarvan is inmiddels uitgestorven. Maar gewoonlijk is dat verdwijnen een vrij geleidelijk proces. Er zijn in de loop van het Kenozoïcum vele tientallen paardensoorten geweest met vier en drie tenen of slechts één, maar die verdwenen allemaal van het toneel en alleen de hedendaagse paarden, ezels en zebra's bleven over. De amfibisch levende op een varken lijkende evenhoevige
Pakicetus bestaat niet meer, maar de walvisachtigen die van hem of zijn verwanten afstammen doen dat wel. Er zijn vandaag geen trilobieten meer in de oceanen, hoewel ze gedurende meer dan 250 miljoen jaar heel talrijk zijn geweest. De vele vormen van kaakloze vissen die in het Ordovicium en het Siluur de zeeën bevolkten, maakten later plaats voor haaien en roggen en beenvissen. De pterosauriërs en alle dinosauriërs, op enkele groepen vogels na, verdwenen aan het einde van het Krijttijdperk, zo'n 66 miljoen jaar geleden. Dat was waarschijnlijk het gevolg van de inslag van een meteoor, die de levensomstandigheden op aarde gedurende vele decennia geheel verstoorde en het uitsterven van hele fauna's en flora's tot gevolg had. Het aardse leven heeft in de loop van zijn bestaan een serie van dergelijke massa-extincties doorgemaakt waarbij soms meer dan 90% van de op dat moment levende organismen werden weggeveegd. Maar de massa-extincties, waarbij allerlei levensvormen "plots" uitsterven, zijn zeldzaam. Paleontologen erkennen er meestal vijf. Op het einde van het Ordovicium (443 miljoen jaar geleden) stierven over een periode van 3,3 tot 1,9 miljoen jaar waarschijnlijk 57% van de bestaande genera en 86% van de soorten uit. 359 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Devoon, verdwenen in 29-2 miljoen jaar 35% van de genera en 75% van de soorten. Het Perm eindigde 251 miljoen jaar geleden, met een verlies van 56% van de genera en 96% van de soorten over een periode van 2,8 miljoen tot 160.000 jaar. Toen het Trias 200 miljoen jaar geleden eindigde, verdwenen in 8,3 miljoen tot 600.000 jaar 47% van de genera en 80% van de soorten. Met het "K/T event" tenslotte, aan het einde van het Krijt 66 miljoen jaar geleden, stierven in een spanne van 2,5 miljoen jaar tot minder dan één jaar 40% van de genera en 76% van de soorten uit.
Het heeft er veel van, dat we vandaag ook volop in zo'n massaal uitsterven zitten. Het tempo waaraan momenteel organismen verdwijnen, ligt veel hoger dan het gewone achtergronduitsterven dat altijd present is, zelfs een factor 1000 tot 10.000 hoger. De impact van de mens op de hele biosfeer is enorm, zozeer dat men het tijdperk waarin Homo sapiens de dominante soort is, het
Antropoceen is gaan noemen. Ecologisch gezien begint het Antropoceen meer en meer het karakter van een massa-extinctie te krijgen. Na het verdwijnen van de ijstijdmegafauna 10.000 jaar geleden volgden in de Oudheid en de Middeleeuwen de partiële of complete uitroeiing van grote hoefdieren (wisent, oeros, tarpan) en topcarnivoren (leeuw, luipaard, wolf, beer) in Europa en vanaf de vroegmoderne periode de extincties van eilandfauna's en -flora's. In de negentiende eeuw begon de decimering van de Afrikaanse, Aziatische en Amerikaanse megafauna's (neushoorns, olifanten, quagga, blaubok, grote antilopen, buffels, bizons en andere wilde runderen, grote roofdieren als tijger, leeuw, wolf, poema, grizzly, voorts Californische condor, trompetkraanvogel, prairiehoen en trekduif) en vandaag blijven van de meeste soorten die de storm toch overleefden slechts restpopulaties over. Ongeveer 94% van de mensapen (bonobo, chimpansee, gorilla, orang oetan: de naaste verwanten van de mens) stond in 2014 op de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) als zeer bedreigd en bedreigd. Berekeningen op grond van cijfers van de IUCN leren dat in de afgelopen 500 jaar 22% van de zoogdieren, 14% van de vogels, 29% van de reptielen, 31 maar mogelijk 43% van de amfibieën en 28% van de vissen uitstierven. De vernietiging van natuurlijke biotopen door menselijk toedoen grijpt aan het begin van de eenentwintigste eeuw steeds sneller en heftiger om zich heen: massale ontbossing, verwoestijning, vervuiling van zowel zeeën en zoet water als atmosfeer, vergiftiging door pesticiden, actieve uitroeiing van diersoorten door jacht en visvangst... en daarbovenop, en ten dele als gevolg van het voorgaande, opwarming van de planeet. Soorten als de trekduif zijn verdwenen, honderden andere stierven (nog) niet geheel uit maar werden drastisch gedecimeerd of staan op het punt geheel te verdwijnen. Sommige iconische taxa doen het goed, maar daartegenover staan honderden andere die in gevaar verkeren. Onderzoek in Noord-Amerika naar aantallen aanwezige dieren toont aan dat in een halve eeuw ca. 29% van de vogels verdween: er vliegen momenteel in Canada en de States ongeveer drie miljard minder vogels rond dan in 1970 (*). In Europa zal het niet veel beter zijn: heel vertrouwde en een halve eeuw terug nog bijzonder talrijke soorten als de veldleeuwerik, de huismus, de ringmus, de zomertortel, de patrijs, de kievit en de grutto zijn sterk afgenomen (sommige tot 90%!) of zo goed als weg en dat er nu meer zilvermeeuwen, kraaien en houtduiven zijn, die welig tieren op de vuilnishopen van onze afvalmaatschappij, kan dit niet echt compenseren. En de vogels zijn er niet eens het ergst aan toe: alles wijst erop dat de situatie bij diergroepen als insecten en amfibieën pas écht dramatisch is, met verliezen van 40% en meer. Ik las ergens dat er elk kwartier een soort uitsterft. Of dat klopt, weet ik niet, maar je hoeft geen doctoraat in de biologie te hebben om te begrijpen dat bijvoorbeeld de enorme branden die momenteel de regenwouden en Amazonië en Indonesië teisteren, niet alleen duizenden tonnen koolstof in de atmosfeer stuwen maar ook honderden taxa vernietigen, waarvan we sommige waarschijnlijk nog niet eens kenden.
Is de tijd rijp voor apocalyptische paniek? Zijn de wetenschappers die erop wijzen dat onze biosfeer met een rotvaart naar de verdoemenis gaat dolgedraaide linkse parareligieuze doemdenkers die een achterhoedegevecht leveren tegen het triomferende neoliberalisme dat terecht de wereld domineert en zichzelf ecorealistisch noemt? Of zijn daarentegen de zelfverklaarde ecorealisten veeleer gevaarlijke reactionairen die nog altijd niet lijken door te hebben dat de wereld géén platte schijf is? Ik ben geneigd de karikaturen te schuwen maar toch eerder voorzichtig naar het tweede over te hellen: de visie op de wereld, die alleen maar in termen van economische groei kan denken en daaraan alles ondergeschikt maakt, die alles alleen maar kan en wil zien in functie van die ene vraag welke financiële winsten iets voor een steeds kleiner wordende groep genereert, de visie dat een onzichtbare hand alles wel regelt en dat wat eventueel fout loopt kan worden bijgestuurd dank zij ons technologisch vernuft, loopt hopeloos achter op de feiten die we iedere dag in stijgende mate empirisch vaststellen, even achter als die van de
flat earthers. Het is echt de hoogste tijd dat we collectief het roer omgooien, het perfide groeimodel verlaten en een economische orde introduceren die vertrekt van circulariteit. Maar laten we niet naïef zijn: de kans dat het neoliberale slash-and-burn kapitalisme niettemin de wereld nog enige tijd blijft domineren, is reëel. Het lijkt er zelfs sterk op dat op diverse plekken in de wereld het neoliberale kapitalisme nog naar een hogere versnelling schakelt. Als de huidige technologie al in staat zou zijn de voor de biosfeer kwalijke consequenties van onze levenswijze in te dijken of zelfs te keren, zal ze dat niet doen zolang het, in het kader van de dominante ideologie, geen megawinsten op korte termijn oplevert. Dus gaan grootschalige habitatvernieling en vervuiling gewoon verder of wordt het tempo zelfs nog opgedreven. De ecologische consequenties daarvan zijn voor een groot deel van de momenteel levende levensvormen dramatisch. De zesde extinctie is volop aan de gang en lijkt zo stilaan op kruissnelheid te komen. De biodiversiteit wankelt als een kaartenhuis bij felle tocht. De kans dat de neergang een point of no return bereikt en effectief instort, is reëel.
Maar het leven zelf zal niet verdwijnen, neem ik aan. Dat deed het ook niet bij de vijf vorige massa-extincties. Na de momenteel aan de gang zijnde nummer zes, die mogelijk ook Homo sapiens zal wegvegen, waarbij ik als humanist uiteraard het menselijke leed betreur dat dit alles ongetwijfeld met zich zal meebrengen, zal zich een vers evolutionair elan voordoen, waarbij de vrijgekomen niches door nieuwe levensvormen worden ingenomen. Het stemt droef dat de schoonheid van het huidige levensweb zal verdwijnen, maar er zit poëzie en troost in het besef dat nieuwe taxa en ecosystemen de ontstane leegten zullen opvullen op manieren die we nog niet kunnen bevroeden.
 |
John James Audubon, Trekduif (Ectopistes migratorius).
Aquarel voor The Birds of America. |
Selectieve bibliografie
Anita Albus:
On Rare Birds. Translated from the German by Gerald Chapple. Vancouver, Greystone Books, 2011. Oliver Austin Jr.:
Birds of the World. A Survey of the Twenty-seven Orders and the One Hundred and Fifty-five Families. Illustrated by Arthur Singer. London & New York, Hamlyn Publishing, 1962. John James Audubon:
The Birds of America. With a New Introduction by Dean Amadon. 7 vols. New York, Dover Publications, 1967 (1827). Mark Avery:
A Message from Martha. The Extinction of the Passenger Pigeon and Its Relevance Today. London, Bloomsbury Publishing, 2014. Mark V. Barrow, Jr.:
Nature’s Ghosts. Confronting Extinction from the Age of Jefferson to the Age of Ecology. Chicago & London, The University of Chicago Press, 2009. Arthur Cleveland Bent:
Life Histories of North Gallinaceous Birds. New York, Dover Publications, 1963 (1932). A.E. Brehm:
Het leven der dieren. Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland bewerkt door S.P. Huizinga. 3 dln. Zutphen, P. van Belkum, s.a. A.E. Brehm:
Het leven van de dieren. 5 dln. Amsterdam, Uitgeversmaatsch. Enum & Antwerpen, Uitgeverij De Magneet, 1930. A.E. Brehm:
Illustrirtes Thierleben. Eine allgemeine Kunde des Thierreichs. 6 Bde. Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts, 1864-1869. A.E. Brehm:
Brehms Tierleben. 36 Bde. Nach der zweiten Originalausgabe bearbeitet von Dr. Adolf Mener. Wien, Hamburg & Zürich, Gutenberg-Verlag Christensen & Co., 1925. Georges Leclerc Comte de Buffon:
Oeuvres complètes de Buffon, enrichies d’une vue générale des progrès de plusieurs branches des sciences naturelles, et mises en ordre par M. Le Comte de Lacepède, augmentées d’une volume contenant le précis des merveilles de la nature, découvertes depuis Buffon jusqu’à nos jours. Nouvelle édition. 26 vols. Paris, A. Eymery Libraire & La Librairie Française, 1825. Mark Cocker & David Tipling:
Birds and People. London, Jonathan Cape, 2013. Christopher Cokinos:
Hope is the Thing with Feathers. A Personal Chronicle of Vanished Birds. New York, Jeremy P. Tatcher/Putnam, 2000. David Day:
The Encyclopedia of Vanished Species. London, Universal Books, 1989. Richard Ellis:
No Turning Back. The Life and Death of Animal Species. New York, HarperCollinsPublishers, 2004. Tim Flannery & Peter Schouten:
Een gat in de natuur. Een ontdekkingstocht langs uitgestorven diersoorten. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 2001. Errol Fuller:
Extinct Birds. Oxford, Oxford University Press, 2000. Errol Fuller:
Lost Animals. Extinction and the Photographic Record. London, Bloomsbury Publishing, 2013. Errol Fuller:
The Passenger Pigeon. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2015. David Gibbs, Eustace Barnes & John Cox:
Pigeons and Doves. A Guide to the Pigeons and Doves of the World. The Banks, Mountfield, Pica Press & Haarlem, Ger Meesters Boekproducties, 2001. Derek Goodwin:
Pigeons and Doves of the World. London, Trustees of the British Museum (Natural History), 1967. Joel Greenberg & Elisabeth Condon: “Passenger Pigeon. Like Meteors From Heaven,” in
BirdWatching October 2 2018, op: https://www.birdwatchingdaily.com/news/species-profiles/like-meteors-heaven/. Joel Greenberg :
A Feathered River Across the Sky. The Passenger Pigeon’s Flight to Extinction. London, Bloomsbury Publishing, 2014. James C. Greenway Jr.:
Extinct and Vanishing Birds of the World. Second Revised Edition. New York, Dover Publications, 1967. Gilbert Grosvenor & Alexander Wetmore:
The Book of Birds. 2 vols. Washington D.C., National Geographic Society, 1932-1937. Bernhard Grzimek (ed.):
Het leven der dieren. Encyclopedie van het dierenrijk. 16 dln. Utrecht & Antwerpen, Uitgeverij het Spectrum, 1973-1976. Tim Halliday:
Vanishing Birds. Their Natural History and Conservation. Harmondsworth, Penguin Books, 1980. Julian P. Hume & Michael Walters:
Extinct Birds. London, T & AD Poyser, 2012. Shepard Krech III:
Spirits of the Air. Birds and American Indians in the South. Athens & London, The University of Georgia Press, 2009. Charles C. Mann:
1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika. S.l., Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007. Peter Matthiessen:
Wildlife in America. Harmondsworth, Penguin Books, 1977 (1959). Alfred Newton:
A Dictionary of Birds. London, Adam & Charles Black, 1893-1896. Steve Nicholls:
Paradise Found. Nature in America at the Time of Discovery. Chicago & London, The University of Chicago Press, 2009. T. Gilbert Pearson (ed.):
Birds of America. New York, Garden City, 1936. David Quammen:
The Song of the Dodo. Island Biogeography in an Age of Extinction. New York, Touchstone, 1996. A.W. Schorger:
The Passenger Pigeon. Its Natural History and Extinction. Norman, University of Oklahoma Press, 1955. Dale Serjeantson: Birds. Cambridge & London, Cambridge University Press, 2009. John K. Terres:
The Audubon Society Encyclopedia of North American Birds. New York, Alfred A. Knopf, 1980.
 |
Louis Agassiz Fuertes, Trekduiven.
|
Clement Caremans (c) 2019, 2020