zaterdag 5 oktober 2019

Werelddierendag






James Erxleben, dodo's. Handgekleurde steendruk gepubliceerd in R. Owen & W.J. Broderip, Memoir on the dodo (Didus ineptus, Linn.) with an Historical Introduction. London, 1866.
Deze dodo's zijn gebaseerd op dodo-portretten van Roelandt Savery. 


Werelddierendag





4 oktober 2019. Werelddierendag vandaag. Ik laat de gebruikelijke schattige poezen, honden, konijnen en andere ietwat overvoede levende knuffels even voor wat ze zijn. Ik zwijg ook over de tienduizenden plofkippen die in kweekbatterijen een ellendig bestaan leiden en over de eveneens tienduizenden haantjes die, omdat ze tot een eierleggende variëteit behoren maar uiteraard niet leggen, levend worden fijngemalen.

Nee, ik zet hier een dodo. Deze gigantische duif - tot 25 kilo - leefde tot de 17de eeuw op het eiland Mauritius in de Indische Oceaan. Op een ander eiland in de buurt, het piepkleine Rodrigues, leefde de verwante solitaire, die waarschijnlijk in de 18de eeuw uitstierf. Dodo en solitaire stierven uit door toedoen van de mens, die er klopjacht op maakte en voor de rest katten, ratten, apen en varkens losliet op de eilanden. Dodo en solitaire zijn exemplarisch voor wat het laatste halve millennium met vele duizenden diersoorten gebeurde en aan een steeds hoger tempo gebeurt: ze werden en worden door de mens uitgeroeid, direct door jacht, overbevissing en bestrijding met pesticiden, indirect door habitatvernietiging, pollutie en klimaatverandering.

Behalve de dodo en de solitaire verdwenen - ik noem gewoon uit de losse pols wat namen uit een veel langere lijst - de olifantsvogel van Madagascar, de bergmoa, de Stellers zeekoe, de Lord Howe koet, de Laysanral, de quagga, de blauwbok, de trekduif, de oeros, de tarpan, de grote ivoorsnavel, de Tasmaanse tijger aka buidelwolf, de Mauritiusvleerhond, de Raiateaspreeuw, de blauwe duif van Mauritius ("pigeon hollandais"), de Tonga-reuzenskink, de Boninlijster, de Delalandes coua, de Mascarenenpapegaai, de Oahu o'o, de hopspreeuw, de reuzenalk, de Labradoreend, de eskimowulp, de Beringaalscholver, de Santa Lucia reuzenrijstrat, de Cubaanse ara, de Seychellenparkiet, het Samoawaterhoen, de Rodriguesparkiet, de breedkop kangoeroerat, de rozekopeend, de Himalayakwartel, de Falklandwolf, de Boninduif, de rode gazelle, de Konavink, de Stephens Eiland rotswinterkoning, de mamo, de Guadaloupe caracara, de langstaartspringmuis, de huia, de lachuil, de Carolinaparkiet, de paradijsparkiet, de Atitlanfuut, het prairiehoen en ga zo maar door. Men heeft berekend dat in de voorbije 500 jaar 22% van de zoogdieren, 14% van de vogels, 29% van de reptielen, tot 43% van de amfibieën en 28% van de vissen van de aardbodem verdwenen. En dan zwijgen we nog over de waarschijnlijk duizenden insecten, spinnen en weekdieren die het loodje legden, vaak zelfs voor ze wetenschappelijk werden beschreven.

Het aantal soorten dat bedreigd is of op de rand van het uitsterven staat, is ook al enorm: tijger, jachtluipaard, alle neushoorns - witte, zwarte, Indische, Javaanse, Sumatraanse -, sneeuwluipaard, chiroe, saiga, bonobo, gorilla, orang oetan, Indische en Afrikaanse olifant, jaguar, Afrikaanse wilde hond, Grévy's zebra, bergzebra, kouprey, gaur, beisa, addax, diverse walvissen, leeuw, ijsbeer... In Europa is 40% van de vogelsoorten momenteel bedreigd.

Vrolijk wordt een mens er niet van, zeker niet op werelddierendag.


Clement Caremans (c) 2019


Dirk de Quade van Ravensteyn, Dodo, ca. 1603.
Dit schilderij, de "Praagse dodo" werd voorheen toegeschreven aan Joris Hoefnagel of Jacob Hoefnagel. Het toont een veel slankere en meer opgerichte dodo dan de dodo's die Savery tekende en schilderde en waarop de meeste latere afbeeldingen werden gebaseerd. 

vrijdag 20 september 2019

Martha





Martha, de laatste trekduif.
Washington D.C., Smithsonian Institution, Museum of Natural History. 




Martha



Op 1 september 1914, tussen 12 uur en 1 uur 's middags, blies in de zoo van Cincinnati, in de staat Ohio, Martha haar laatste adem uit. Martha was een duif. Een trekduif, meer bepaald, of zoals de Amerikanen zeggen, een Passenger Pigeon. In Europa zal het verscheiden van Martha niet veel baren hebben gemaakt: daar was op 28 juli een oorlog uitgebroken, die tot 11 november 1918 zou duren en de Grote Oorlog zou worden genoemd, niet alleen omwille van zijn duur maar ook omdat hij wereldwijd om zich heen greep en uiteindelijk ook de Verenigde Staten zou meetrekken.

Maar op 1 september 1914 lag Cincinnati nog niet in een land in oorlog. In de dierentuin stierf een duif. Waarschijnlijk sterft er zowat iedere seconde ergens op de wereld een duif, so what. Maar Martha was een bijzondere duif, want ze was de laatste van haar soort. Met Martha, die mogelijk meer dan twintig jaar was en voor een duif dus een gezegende leeftijd had, verdween de soort Ectopistes migratorius van onze aardkloot. In de ornithologische wereld wist men dat. Men besefte dat er behalve Martha geen trekduiven meer in leven waren. De laatste wilde trekduif had in 1900 in Pike County, eveneens in Ohio, het loodje gelegd. Ze was afgeknald door de veertienjarige Press Clay Southworth, die er geen idee van had wat voor een vogel hij schoot. Hij was veertien en had een geweer en schoot daar graag mee, het was tenslotte in de States. Maar zijn moeder herkende de vogel wel, want zij had in haar jonge jaren meer trekduiven gezien en wist dat ze intussen schaars waren geworden. Ze liet het beest opzetten door ene mevrouw Barnes, een plaatselijke amateur-taxidermist die op dat moment even zonder glazen oogjes zat die bij het opzetten worden gebruikt, en daarom maar kleine hemdsknoopjes bezigde. Mrs Barnes bezorgde met die knoopjes de onfortuinlijke duif eeuwige roem, want in de literatuur over de trekduif werd het dier geboekstaafd als Buttons. Sommige ornithologische auteurs trekken in twijfel dat Buttons de laatste wilde trekduif was. Er zou er nog een zijn geschoten in 1902 in de staat Indiana, en niemand minder dan Teddy Roosevelt beweerde een klein groepje trekduiven te hebben gezien in Virginia in 1907.


Buttons


Dat Martha in 1914 stierf, is een fait-divers. Dat Ectopistes migratorius als soort verdween, is dat niet. Minder dan een eeuw voor de vogel ons verliet, was de trekduif bijzonder talrijk. Het is zelfs niet onmogelijk dat de trekduif de talrijkste vogelsoort was die ooit leefde, zeker in Noord-Amerika waar volgens sommige auteurs één vogel op vier een trekduif was. Er moeten er miljarden van zijn geweest. De trekduif broedde in kolonies, en die gezamenlijke nestplaatsen besloegen soms enorme oppervlakten - nabij Sparta, in Wisconsin, was er in 1871 een kolonie die zich over een gebied van 850 vierkante mijl uitstrekte. Al op de eerste Europeanen die voet zetten op het Noord-Amerikaanse continent, maakten de aantallen duiven grote indruk. Thomas Dudley, deputy van de gouverneur van de de kolonie van Massachusetts Bay, had het in 1631 over duivenzwermen die de hemel verduisterden. Pierre Boucher schreef in 1664 dat in een zwerm de vogels zo dicht opeengepakt waren, dat je er met één enkel geweerschot veertig tot vijfenveertig tegelijk kon neerhalen. De vader van de Amerikaanse ornithologie, de Schot Alexander Wilson, beschreef een zwerm die hij zag bij de Kentucky River als "a living torrent" van een mijl breed en, volgens zijn schatting, honderdveertig mijl lang. Hij probeerde het aantal duiven in de zwerm te berekenen en kwam op 2.230.272.000 vogels, "an almost inconceivable multitude, and yet probably far below the actual amount." De Amerikaanse Fransman John James Audubon (The Birds of America) schatte een vlucht trekduiven die hij observeerde op 1.115.136.000 exemplaren. Major W. Ross King beschreef in 1866 een zwerm waarvan het overvliegen verschillende dagen duurde en die volgens de berekeningen van de trekduivenbiograaf Arlie Schorger 3.717.120.000 vogels telde. Christopher Cokinos rekende op grond van Wilsons calculaties uit dat de vogels die de Schot bij de Kentucky zag, mochten ze snavel aan staart in één lijn achter mekaar hebben gevlogen, een lijn zouden hebben gevormd die 22,6 keer de lengte van de evenaar had. Dit alles maar om te zeggen dat Ectopistes migratorius in enorme aantallen voorkwam, nog tot zeker vijftig jaar voor het dier van de aardbodem verdween.


Trekduivenjacht in Louisiana.
Uit Smith Bennett, "Winter Sports in Northern Louisiana: Shooting Wild Pigeons",
Illustrated Sporting and Dramatic News, 3 juli 1875.


Hoe komt het dat deze onvoorstelbaar talrijke vogel zo ontzettend snel uitstierf? Errol Fuller (The Passenger Pigeon) ziet drie belangrijke factoren.  
Ten eerste is er de vernieling van de habitat van de trekduif: het massaal kappen van de bossen die zij nodig had voor haar voedsel en om te nestelen.
Ten tweede is er de onverbiddelijke woestheid waarmee de vogel in de 19de eeuw werd afgeslacht. 
Als derde factor noemt Fuller de levenswijze van de vogel, die alleen tot broeden kon komen in grote kolonies. Toen de aantallen te klein werden, werd niet meer succesvol gebroed en zo ging de spiraal steeds sneller neerwaarts, denkt Fuller.
Fullers eerste factor kan moeilijk worden genegeerd. De oostelijke Verenigde Staten, het kerngebied van de trekduif, werden vanaf het begin van de kolonisatie in de 17de eeuw massaal ontbost: van de naar schatting 4.140.000 km2 bosoppervlakte in 1630 bleven in 1920 nog 2.920.000 km2 over. Bladverliezend woud maakte plaats voor landbouwgrond en met de bomen verdwenen de nestgelegenheid voor de duiven en hun bron van voedsel, de eikels, beukennoten, noten en bessen waar de duiven zich mee voedden. 
Dan is er de jacht. De Haudenosaunee (Irokezen) en andere oostelijke volkeren, die er voor de komst van de Europeanen al op joegen, vingen de duiven met netten. De kolonisten deden dat ook, maar sloegen de rustende en broedende vogels tevens dood met knuppels en knalden er voorts lustig op los. In de vroege jaren van de kolonisatie had dit mogelijk weinig effect, maar tegen de 19de eeuw kregen de jachtpartijen het karakter van een massagebeurtenis. Volgens de boekhouding van één enkele van de vele leveranciers van munitie voor de schietpartij die werd gehouden op de nestplaats in Sparta, Wisconsin, van 1871, leverde deze drie ton kruit en zestien ton hagel. Arlie Schorger (The Passenger Pigeon: Its Natural History and Extinction) schatte dat bij één schietpartij in 1882 niet minder dan 2.138.400 duiven werden gedood. Aan dergelijke schietfeesten namen vooral jagers uit de steden deel. Net als bij de bizon, dat andere Amerikaanse icoon dat haast werd uitgeroeid door meedogenloze jacht, speelde de trein een bijzondere rol in het drama. Spoorwegen ontsloten de woeste gebieden buiten de dorpen en steden en maakten het de stedelingen uit het oosten mogelijk dichter bij de westelijke Frontier te gaan jagen.  
De broedgewoonten van de trekduif tenslotte: deden die haar de das om? Deze verklaring is te vinden bij veel auteurs die over de trekduif publiceerden en lijkt hout te snijden: een vogel die over een onmetelijke tijdspanne zo was geëvolueerd, dat hij alleen kon blijven bestaan zolang hij in gigantische kolonies kon broeden. De trekduif floreerde als er miljoenen waren, maar met minder ging het pijlsnel bergaf, tot er ineens geen meer overbleven. Of dit laatste echt klopt, lijkt me onzeker. Het is niet correct dat de trekduif alleen tot broeden kwam in mega-kolonies. Trekduiven waren in de 19de eeuw populaire kooivogels; ze werden ook in volières gehouden en kwamen daar tot broeden. Martha, de eenzame duif van Cincinnati, was hoogst waarschijnlijk in gevangenschap uit het ei gekropen en had nooit vrij rondgevlogen.

Misschien is het nog anders gegaan. We weten dat de trekduif zeer talrijk voorkwam ten oosten van de Mississippi, maar ooit leefde ze in het hele continent. Botresten gevonden in Utah en zelfs in British Columbia tonen aan dat ze ook ten westen van de Rockies leefde. Die botresten zijn echter niet bijzonder talrijk. Archeologische opgravingen in en rond Cahokia, de grootste precolumbiaanse stad van Noord-Amerika, die op haar hoogtepunt in de 12de eeuw een oppervlakte van 16 km2 besloeg en waarschijnlijk meer inwoners had dan het toenmalige Londen, leverden resten op van tientallen diersoorten die werden gejaagd om in de behoefte aan proteïnen te voorzien. Veel trekduivenbeenderen zijn daar echter niet bij. Dat is vreemd, want vlakbij het oude Cahokia, net buiten Saint-Louis, bevond zich een van de historische slaapplaatsen waar ten tijde van Audubon miljoenen trekduiven kwamen rusten. Sommigen hebben geargumenteerd dat duivenbotjes te fragiel zijn en daarom nauwelijks werden bewaard, maar dat klopt niet: zelfs graten van kleine vissen zijn talrijk in het keukenafval van Cahokia. De meest logische verklaring voor de schaarste van de duivenbotjes is, dat de duif maar weinig werd gejaagd en gegeten. Waarom stond de vogel nauwelijks op het menu van de Cahokianen? Gewoon omdat hij onvoldoende talrijk was, menen sommige onderzoekers. Misschien was de trekduif helemaal niet zo'n massaal voorkomende soort voor de Europeanen in de 16de eeuw in Noord-Amerika arriveerden. Charles C. Mann (1491) oppert dat de vele miljoenen duiven uit de beginperiode van de Europese expansie op het Amerikaanse continent het gevolg waren van de decimering van de Indiaanse bevolking door ziekte. Mann denkt dat pre-koloniaal Noord-Amerika veel dichter bewoond was dan gewoonlijk wordt aangenomen. De voor-Europese Indiaanse bevolking had flink wat invloed op het wildbestand van het continent. Voor de Indianen waren de wilde dieren immers niet alleen een eiwitbron, maar tevens concurrenten voor de noten, bessen, zaden en vruchten die de enorme bossen produceerden. Dus hielden ze de populaties van het wild in bedwang. Met de Europeanen kwamen een aantal virussen mee, die op de precolumbiaanse bevolking inhakten. De Indiaanse dorpen en steden werden ontvolkt, en door het tijdelijke wegvallen van de intense jachtdruk ging de trekduif zich in heel korte tijd spectaculair uitbreiden. Maar haar succes was wankel, en toen de kolonisten en later de stedelingen met hun slachtpartijen begonnen en massale ontbossing de voedselvoorziening en de nestgelegenheid van de vogel fnuikten, was zijn lot snel beslecht.

De trekduif is een spectaculair geval van extinctie. In de loop van de jongste eeuwen zijn er duizenden dier- en plantensoorten van de aardbodem verdwenen, maar slechts zelden gebeurde dat op zo'n theatrale manier. Bij vogels ging het het daarbij vaak om soorten die slechts op één of enkele eilanden voorkwamen en zowel het vluchtinstinct als het vliegvermogen hadden verloren. De dodo van Mauritius en de solitaire van Réunion, twee niet-vliegende reuzenduiven, zijn typische voorbeelden. De Stephens Eiland rotswinterkoning (Xenicus lyalli), een heel primitief zangvogeltje dat op één eilandje nabij Nieuw-Zeeland leefde, kon niet vliegen en viel ten prooi aan verwilderde katten, op het eiland achtergelaten door zeelui. (Een indianenverhaal wil, dat één enkele poes, Tibbles, de kat van de vuurtorenwachter, de hele populatie soldaat maakte, maar dat klopt niet.) Andere vogels konden nog wel vliegen, maar leefden in zo'n beperkt gebied en zo een specifieke biotoop, dat het contact met organismen meegebracht van buitenaf al heel snel fataal bleek. Op Hawaii stierf zo een volledige zangvogelfamilie uit, de Mohoidae of o'O's en kioea's. Katten, ratten en misschien zelfs muggen die ziekten overbrachten waartegen de vogels geen resistentie hadden, gaven de doodsteek.

 
François Leguat, De solitaire van Rodrigues (Pezophaps solitaria).
Afbeelding in Voyages et aventures, 1708.


Nu is het verdwijnen van soorten niets uitzonderlijks: het is inherent aan de evolutie, een normale zaak, een permanente ruis op de achtergrond van de ontwikkeling van het leven. Men heeft berekend dat er sinds het ontstaan van het leven pakweg drie en een half miljard jaar geleden ongeveer vier miljard soorten organismen hebben geleefd; 99% daarvan is inmiddels uitgestorven. Maar gewoonlijk is dat verdwijnen een vrij geleidelijk proces. Er zijn in de loop van het Kenozoïcum vele tientallen paardensoorten geweest met vier en drie tenen of slechts één, maar die verdwenen allemaal van het toneel en alleen de hedendaagse paarden, ezels en zebra's bleven over. De amfibisch levende op een varken lijkende evenhoevige Pakicetus bestaat niet meer, maar de walvisachtigen die van hem of zijn verwanten afstammen doen dat wel. Er zijn vandaag geen trilobieten meer in de oceanen, hoewel ze gedurende meer dan 250 miljoen jaar heel talrijk zijn geweest. De vele vormen van kaakloze vissen die in het Ordovicium en het Siluur de zeeën bevolkten, maakten later plaats voor haaien en roggen en beenvissen. De pterosauriërs en alle dinosauriërs, op enkele groepen vogels na, verdwenen aan het einde van het Krijttijdperk, zo'n 66 miljoen jaar geleden. Dat was waarschijnlijk het gevolg van de inslag van een meteoor, die de levensomstandigheden op aarde gedurende vele decennia geheel verstoorde en het uitsterven van hele fauna's en flora's tot gevolg had. Het aardse leven heeft in de loop van zijn bestaan een serie van dergelijke massa-extincties doorgemaakt waarbij soms meer dan 90% van de op dat moment levende organismen werden weggeveegd. Maar de massa-extincties, waarbij allerlei levensvormen "plots" uitsterven, zijn zeldzaam. Paleontologen erkennen er meestal vijf. Op het einde van het Ordovicium (443 miljoen jaar geleden) stierven over een periode van 3,3 tot 1,9 miljoen jaar waarschijnlijk 57% van de bestaande genera en 86% van de soorten uit. 359 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Devoon, verdwenen in 29-2 miljoen jaar 35% van de genera en 75% van de soorten. Het Perm eindigde 251 miljoen jaar geleden, met een verlies van 56% van de genera en 96% van de soorten over een periode van 2,8 miljoen tot 160.000 jaar. Toen het Trias 200 miljoen jaar geleden eindigde, verdwenen in 8,3 miljoen tot 600.000 jaar 47% van de genera en 80% van de soorten. Met het "K/T event" tenslotte, aan het einde van het Krijt 66 miljoen jaar geleden, stierven in een spanne van 2,5 miljoen jaar tot minder dan één jaar 40% van de genera en 76% van de soorten uit.

Het heeft er veel van, dat we vandaag ook volop in zo'n massaal uitsterven zitten. Het tempo waaraan momenteel organismen verdwijnen, ligt veel hoger dan het gewone achtergronduitsterven dat altijd present is, zelfs een factor 1000 tot 10.000 hoger. De impact van de mens op de hele biosfeer is enorm, zozeer dat men het tijdperk waarin Homo sapiens de dominante soort is, het Antropoceen is gaan noemen. Ecologisch gezien begint het Antropoceen meer en meer het karakter van een massa-extinctie te krijgen. Na het verdwijnen van de ijstijdmegafauna 10.000 jaar geleden volgden in de Oudheid en de Middeleeuwen de partiële of complete uitroeiing van grote hoefdieren (wisent, oeros, tarpan) en topcarnivoren (leeuw, luipaard, wolf, beer) in Europa en vanaf de vroegmoderne periode de extincties van eilandfauna's en -flora's. In de negentiende eeuw begon de decimering van de Afrikaanse, Aziatische en Amerikaanse megafauna's (neushoorns, olifanten, quagga, blaubok, grote antilopen, buffels, bizons en andere wilde runderen, grote roofdieren als tijger, leeuw, wolf, poema, grizzly, voorts Californische condor, trompetkraanvogel, prairiehoen en trekduif) en vandaag blijven van de meeste soorten die de storm toch overleefden slechts restpopulaties over. Ongeveer 94% van de mensapen (bonobo, chimpansee, gorilla, orang oetan: de naaste verwanten van de mens) stond in 2014 op de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) als zeer bedreigd en bedreigd. Berekeningen op grond van cijfers van de IUCN leren dat in de afgelopen 500 jaar 22% van de zoogdieren, 14% van de vogels, 29% van de reptielen, 31 maar mogelijk 43% van de amfibieën en 28% van de vissen uitstierven. De vernietiging van natuurlijke biotopen door menselijk toedoen grijpt aan het begin van de eenentwintigste eeuw steeds sneller en heftiger om zich heen: massale ontbossing, verwoestijning, vervuiling van zowel zeeën en zoet water als atmosfeer, vergiftiging door pesticiden, actieve uitroeiing van diersoorten door jacht en visvangst... en daarbovenop, en ten dele als gevolg van het voorgaande, opwarming van de planeet. Soorten als de trekduif zijn verdwenen, honderden andere stierven (nog) niet geheel uit maar werden drastisch gedecimeerd of staan op het punt geheel te verdwijnen. Sommige iconische taxa doen het goed, maar daartegenover staan honderden andere die in gevaar verkeren. Onderzoek in Noord-Amerika naar aantallen aanwezige dieren toont aan dat in een halve eeuw ca. 29% van de vogels verdween: er vliegen momenteel in Canada en de States ongeveer drie miljard minder vogels rond dan in 1970 (*). In Europa zal het niet veel beter zijn: heel vertrouwde en een halve eeuw terug nog bijzonder talrijke soorten als de veldleeuwerik, de huismus, de ringmus, de zomertortel, de patrijs, de kievit en de grutto zijn sterk afgenomen (sommige tot 90%!) of zo goed als weg en dat er nu meer zilvermeeuwen, kraaien en houtduiven zijn, die welig tieren op de vuilnishopen van onze afvalmaatschappij, kan dit niet echt compenseren. En de vogels zijn er niet eens het ergst aan toe: alles wijst erop dat de situatie bij diergroepen als insecten en amfibieën pas écht dramatisch is, met verliezen van 40% en meer. Ik las ergens dat er elk kwartier een soort uitsterft. Of dat klopt, weet ik niet, maar je hoeft geen doctoraat in de biologie te hebben om te begrijpen dat bijvoorbeeld de enorme branden die momenteel de regenwouden en Amazonië en Indonesië teisteren, niet alleen duizenden tonnen koolstof in de atmosfeer stuwen maar ook honderden taxa vernietigen, waarvan we sommige waarschijnlijk nog niet eens kenden.

Is de tijd rijp voor apocalyptische paniek? Zijn de wetenschappers die erop wijzen dat onze biosfeer met een rotvaart naar de verdoemenis gaat dolgedraaide linkse parareligieuze doemdenkers die een achterhoedegevecht leveren tegen het triomferende neoliberalisme dat terecht de wereld domineert en zichzelf ecorealistisch noemt? Of zijn daarentegen de zelfverklaarde ecorealisten veeleer gevaarlijke reactionairen die nog altijd niet lijken door te hebben dat de wereld géén platte schijf is? Ik ben geneigd de karikaturen te schuwen maar toch eerder voorzichtig naar het tweede over te hellen: de visie op de wereld, die alleen maar in termen van economische groei kan denken en daaraan alles ondergeschikt maakt, die alles alleen maar kan en wil zien in functie van die ene vraag welke financiële winsten iets voor een steeds kleiner wordende groep genereert, de visie dat een onzichtbare hand alles wel regelt en dat wat eventueel fout loopt kan worden bijgestuurd dank zij ons technologisch vernuft, loopt hopeloos achter op de feiten die we iedere dag in stijgende mate empirisch vaststellen, even achter als die van de flat earthers. Het is echt de hoogste tijd dat we collectief het roer omgooien, het perfide groeimodel verlaten en een economische orde introduceren die vertrekt van circulariteit. Maar laten we niet naïef zijn: de kans dat het neoliberale slash-and-burn kapitalisme niettemin de wereld nog enige tijd blijft domineren, is reëel. Het lijkt er zelfs sterk op dat op diverse plekken in de wereld het neoliberale kapitalisme nog naar een hogere versnelling schakelt. Als de huidige technologie al in staat zou zijn de voor de biosfeer kwalijke consequenties van onze levenswijze in te dijken of zelfs te keren, zal ze dat niet doen zolang het, in het kader van de dominante ideologie, geen megawinsten op korte termijn oplevert. Dus gaan grootschalige habitatvernieling en vervuiling gewoon verder of wordt het tempo zelfs nog opgedreven. De ecologische consequenties daarvan zijn voor een groot deel van de momenteel levende levensvormen dramatisch. De zesde extinctie is volop aan de gang en lijkt zo stilaan op kruissnelheid te komen. De biodiversiteit wankelt als een kaartenhuis bij felle tocht. De kans dat de neergang een point of no return bereikt en effectief instort, is reëel.

Maar het leven zelf zal niet verdwijnen, neem ik aan. Dat deed het ook niet bij de vijf vorige massa-extincties. Na de momenteel aan de gang zijnde nummer zes, die mogelijk ook Homo sapiens zal wegvegen, waarbij ik als humanist uiteraard het menselijke leed betreur dat dit alles ongetwijfeld met zich zal meebrengen, zal zich een vers evolutionair elan voordoen, waarbij de vrijgekomen niches door nieuwe levensvormen worden ingenomen. Het stemt droef dat de schoonheid van het huidige levensweb zal verdwijnen, maar er zit poëzie en troost in het besef dat nieuwe taxa en ecosystemen de ontstane leegten zullen opvullen op manieren die we nog niet kunnen bevroeden.



Selectieve bibliografie 

Anita Albus: On Rare Birds. Translated from the German by Gerald Chapple. Vancouver, Greystone Books, 2011. Oliver Austin Jr.: Birds of the World. A Survey of the Twenty-seven Orders and the One Hundred and Fifty-five Families. Illustrated by Arthur Singer. London & New York, Hamlyn Publishing, 1962. John James Audubon: The Birds of America. With a New Introduction by Dean Amadon. 7 vols. New York, Dover Publications, 1967 (1827). Mark Avery: A Message from Martha. The Extinction of the Passenger Pigeon and Its Relevance Today. London, Bloomsbury Publishing, 2014. Mark V. Barrow, Jr.: Nature’s Ghosts. Confronting Extinction from the Age of Jefferson to the Age of Ecology. Chicago & London, The University of Chicago Press, 2009. Arthur Cleveland Bent: Life Histories of North   Gallinaceous Birds. New York, Dover Publications, 1963 (1932). A.E. Brehm: Het leven der dieren. Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland bewerkt door S.P. Huizinga. 3 dln. Zutphen, P. van Belkum, s.a. A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Amsterdam, Uitgeversmaatsch. Enum & Antwerpen, Uitgeverij De Magneet, 1930. A.E. Brehm: Illustrirtes Thierleben. Eine allgemeine Kunde des Thierreichs. 6 Bde. Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts, 1864-1869. A.E. Brehm: Brehms Tierleben. 36 Bde. Nach der zweiten Originalausgabe bearbeitet von Dr. Adolf Mener. Wien, Hamburg & Zürich, Gutenberg-Verlag Christensen & Co., 1925. Georges Leclerc Comte de Buffon: Oeuvres complètes de Buffon, enrichies d’une vue générale des progrès de plusieurs branches des sciences naturelles, et mises en ordre par M. Le Comte de Lacepède, augmentées d’une volume contenant le précis des merveilles de la nature, découvertes depuis Buffon jusqu’à nos jours. Nouvelle édition. 26 vols. Paris, A. Eymery Libraire & La Librairie Française, 1825. Mark Cocker & David Tipling: Birds and People. London, Jonathan Cape, 2013. Christopher Cokinos: Hope is the Thing with Feathers. A Personal Chronicle of Vanished Birds. New York, Jeremy P. Tatcher/Putnam, 2000. David Day: The Encyclopedia of Vanished Species. London, Universal Books, 1989. Richard Ellis: No Turning Back. The Life and Death of Animal Species. New York, HarperCollinsPublishers, 2004. Tim Flannery & Peter Schouten: Een gat in de natuur. Een ontdekkingstocht langs uitgestorven diersoorten. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 2001. Errol Fuller: Extinct Birds. Oxford, Oxford University Press, 2000. Errol Fuller: Lost Animals. Extinction and the Photographic Record. London, Bloomsbury Publishing, 2013. Errol Fuller: The Passenger Pigeon. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2015. David Gibbs, Eustace Barnes & John Cox: Pigeons and Doves. A Guide to the Pigeons and Doves of the World. The Banks, Mountfield, Pica Press & Haarlem, Ger Meesters Boekproducties, 2001. Derek Goodwin: Pigeons and Doves of the World. London, Trustees of the British Museum (Natural History), 1967. Joel Greenberg & Elisabeth Condon: “Passenger Pigeon. Like Meteors From Heaven,” in BirdWatching October 2 2018, op: https://www.birdwatchingdaily.com/news/species-profiles/like-meteors-heaven/. Joel Greenberg : A Feathered River Across the Sky. The Passenger Pigeon’s Flight to Extinction. London, Bloomsbury Publishing, 2014. James C. Greenway Jr.: Extinct and Vanishing Birds of the World. Second Revised Edition. New York, Dover Publications, 1967. Gilbert Grosvenor & Alexander Wetmore: The Book of Birds. 2 vols. Washington D.C., National Geographic Society, 1932-1937. Bernhard Grzimek (ed.): Het leven der dieren. Encyclopedie van het dierenrijk. 16 dln. Utrecht & Antwerpen, Uitgeverij het Spectrum, 1973-1976. Tim Halliday: Vanishing Birds. Their Natural History and Conservation. Harmondsworth, Penguin Books, 1980. Julian P. Hume & Michael Walters: Extinct Birds. London, T & AD Poyser, 2012. Shepard Krech III: Spirits of the Air. Birds and American Indians in the South. Athens & London, The University of Georgia Press, 2009. Charles C. Mann: 1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika. S.l., Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007. Peter Matthiessen: Wildlife in America. Harmondsworth, Penguin Books, 1977 (1959). Alfred Newton: A Dictionary of Birds. London, Adam & Charles Black, 1893-1896. Steve Nicholls: Paradise Found. Nature in America at the Time of Discovery. Chicago & London, The University of Chicago Press, 2009. T. Gilbert Pearson (ed.): Birds of America. New York, Garden City, 1936. David Quammen: The Song of the Dodo. Island Biogeography in an Age of Extinction. New York, Touchstone, 1996. A.W. Schorger: The Passenger Pigeon. Its Natural History and Extinction. Norman, University of Oklahoma Press, 1955. Dale Serjeantson: Birds. Cambridge & London, Cambridge University Press, 2009. John K. Terres: The Audubon Society Encyclopedia of North American Birds. New York, Alfred A. Knopf, 1980. 


Louis Agassiz Fuertes, Trekduiven.


Clement Caremans (c) 2019, 2020


zondag 18 augustus 2019

Wild






Wild


Jarenlang gingen wij 's zomers naar Toscane. Soms in juni, meestal in september. Juni was eigenlijk het mooist, want dan stond alles in bloei. Vooral enkele velden langs de E78, de oude weg van Monte San Savino (vlakbij Ciggiano, waar we gewoonlijk een huisje huurden) naar Siena maakten indruk. Tussen Palazzuolo en Colonna di Grillo was een aantal velden helemaal rood van de klaprozen. Zo intens rood, dat we er stil van werden. Rothkovelden. En op die klaprozen zat het vol insecten, ook bijen. De olijfgaard van het huisje waar we logeerden, was eveneens een wildebloemenparadijs, met bijen, hommels, torren, vlinders, wantsen, sprinkhanen navenant. Wandelingen in de Dordogne, de Pyreneeën, de Calestienne, Suffolk, Somerset, Devon, Wales, de Voer, Friesland of zelfs de Hobokense Polder, vertellen telkens hetzelfde verhaal: waar er een grote diversiteit is aan bloeiende wilde planten, zitten er veel insecten. Wildheid loont. Haal de wilde bloemen weg, en het wordt akelig stil in de lucht. In een maïsveld zoemen geen hommels of bijen. In ons piepkleine stadstuintje, waar ossentong, donkere ooievaarsbek, gele dovenetel, stinkende gouwe, leeuwenbek en robertskruid dooreen woekeren, krioelt het momenteel van de wilde bijen en de hommels. Ook op de royaal bloeiende kardinaalsmuts zijn ze verzot. Ik geef het grif toe: keurig is onze Kielse hortus conclusus niet. En de stippelmotrupsen, die in de loop van de volgende weken de kardinaalsmutsen half kaal zullen vreten en hun spinsels tussen de kalende takjes achterlaten, maken de zaak niet keuriger. Maar de rupsen trekken mezen en mussen aan, die er hun nestjongen mee voederen, wat alweer voor uitbundig gefladder zorgt. In een gedesignde tuin met alleen maar hortensia's, buxus of bamboe, zie je geen bij, hommel of mus. Toegegeven, ook geen stippelmotrups - en als er al een zich zou laten zien, was er wel de spuitbus binnen handbereik. Nee, doe mij maar wild. Met bijen en rupsen. En vogels.

Clement Caremans (c) 2019

woensdag 14 augustus 2019

Triturus sp.

Kamsalamander of grote watersalamander (Triturus cristatus)




Triturus sp.



Reeds als kind had ik een bijzondere fascinatie voor reptielen en amfibieën. Ik had dikkopjes en later ook kikkers, padden en salamanders in aquaria en terraria. Bruine kikkers werden gevangen in de sloten van de Hobokense polder, vooral in de buurt van de terreinen van Maccabi, voorbij de Visputten. In die sloot huisden tussen waterpest, kranswier, vederblad, hoornblad en sterrenkroos ook kleine watersalamanders, stekelbaarzen, waterspinnen, bootsmannetjes en waterschorpioenen, op de planten kropen poelslakken en posthoorntjes rond en aan de oppervlakte joegen schaatsenrijders en schrijvertjes. Ik wou van al dat moois en fascinerends de naam weten en slaagde erin heel wat te determineren aan de hand van het boekje Wat vind ik in sloot en plas? van W.J. Prud'homme van Reine, dat ik van mijn moeder had gekregen en haast uit het hoofd kende. In de plassen rond en in de bunkers van de Wilrijkse Moerelei, door ons destijds de "redoutes" genoemd, kon je behalve kleine watersalamanders ook alpenwatersalamanders, vinpootsalamanders en kamsalamanders vinden. In die waters, met een veel groter oppervlak dan de poldersloten, zaten tussen de waterranonkels en de gele plompen ook groene kikkers, soms enorme kleppers. En nog andere reuzen: de zwarte en geelgerande watertor, de eerste een trage en goeiige planteneter, de andere een pijlsnelle rover die kikkervisjes en stekelbaarsjes belaagde. Ik hield ze in aquaria en kon er eindeloos naar zitten kijken, net als naar de in het water levende larven van libellen met hun uitklapbare vangmasker dat hen in staat stelde bliksemsnel argeloze prooien te overmeesteren. Ik keek uiteraard ook uit naar padden, maar die heb ik er nooit gezien: mijn eerste gewone pad, die ik Cleo doopte, van Cleopatra uiteraard (pun very much intended), ving ik op een schoolreis ergens in Brabant toen ik een jaar of elf was. Het was eind juni, een zwoele dag met in de namiddag plots een onweer. Na de bui kwamen overal kleine padjes tevoorschijn, waarvan ik er één meenam; ze kwam in een terrarium terecht waar ik ze jarenlang heb gehouden, eerst alleen, later met een gezel die Cesar werd gedoopt. Watersalamanders hield ik in een dicht met waterpest en hoornblad begroeid aquarium: de mooie kamloze blauw met zwarte alpenwatersalamander met zijn rode buik, de polka-dot getekende kleine watersalamander met zijn heel hoge rug- en staartzoom en de vreemde vinpootsalamander met zijn afgeknotte staartpunt waaraan nog een draadvorming aanhangsel bengelt. De absolute topper was echter de waarlijk glorieuze kamsalamander die ik ooit kreeg van een neef die hem naar verluidt had gevangen in de niet lang daarna gedempte Zuiderdokken. Het was een prachtig beest, maar op een dag ontsnapte hij uit zijn aquarium en ik heb hem nooit teruggevonden. Wellicht rusten zijn gemummificeerde stoffelijke resten nog altijd ergens onder een planken vloer of achter een plint in nummer 66 van de Hobokense Draaiboomstraat.

Clement Caremans (c) 2019

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) 


Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris)

woensdag 7 augustus 2019

Paddenhandjes en nazi-schurken



Vroedmeesterpad





Paddenhandjes en nazi-schurken




Jarenlang kwamen wij heel veel in de Calestienne, het kalkrijke gebied waar de Viroin doorheen stroomt en waar je een heel aparte fauna en flora vindt. Een soort die daar floreert, is de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), een heel primitieve kikkerachtige uit West- en Zuid-West-Europa waarvan het mannetje de eisnoeren die het wijfje legt, rond zijn achterlijf wikkelt en daar dan een paar weken mee rondkruipt. Hij verblijft op het droge maar zoekt nu en dan water op om de snoeren wat vochtig te houden en na een drietal weken, als de embryo's ontwikkeld zijn tot kikkervisjes, zoekt hij een waterpartij - een plas, greppel, poeltje of karrenspoor - om de eitjes erin te deponeren, waarop de visjes prompt uitzwemmen.  Ik heb in de Calestienne maar eens een enkel vroedmeesterpadje ontmoet, en in de Voerstreek waar we vaak gaan wandelen en waar ook vroedmeesterpadden zitten, zag ik ze (nog) nooit. Evenmin zag ik ze in het Hallerbos, dat mijn betere helft en ik vroeger frequenteerden, vóór de boshyacintenhype dit prachtige landschap iedere lente transformeerde tot een te mijden oord met een drukte die aan het shopping center van Wijnegem herinnert.

Ik dacht dus dat de vroedmeesterpad een beestje was dat een uiterst verborgen leven leidt, tot we op een keer, toen we in in Montréjeau verbleven, aan de voet van de Pyreneeën in de Haute Garonne, er vele tientallen hoorden en zagen in de tuin van het huis waar we logeerden. De hele tijd hoorde je hun hoog getinkel, en als je in de plantenschalen keek of in de voet van de tuinparasols, wemelden de padjes daar dooreen, terwijl het in de wat grotere waterpartijen krioelde van de paddenvisjes. Een Algerijnse vriend van onze gastvrouw en -heer had het niet hoog op met de diertjes: hij associeerde ze met djinns, waarschijnlijk vanwege het water waarin ze leefden - we kwamen er niet echt achter hoe de vork precies aan de steel zat. Padden en hun verwanten werden en worden overigens wel meer met onheil in verband gebracht, en in het Europese volksgeloof worden ze vaak geassocieerd met hekserij.


Een merkwaardig verhaal in verband met de vroedmeesterpad las ik jaren geleden bij Arthur Koestler. In The Case of the Midwife Toad vertelt hij de geschiedenis van de Oostenrijkse bioloog Paul Kammerer. Kammerer was een aanhanger van de lamarckistische visie op evolutie. In tegenstelling tot de volgelingen van Charles Darwin, voor wie evolutie in eerste instantie gedreven wordt door de overerving van door toevallige mutaties ontstane eigenschappen middels een proces van natuurlijke selectie, denken de aanhangers van Jean-Baptiste Pierre Antoine de Monet, Chevalier de Lamarck, dat eigenschappen en kenmerken die een organisme in de loop van zijn leven ontwikkelde, via erfelijke weg kunnen worden doorgegeven aan volgende generaties. Kammerer specialiseerde zich in experimenten met amfibieën, waarbij hij probeerde aan te tonen dat blinde en kleurloze olmen gekleurd en ziend kunnen worden als je ze aan de juiste omstandigheden blootstelt, dat eierleggende vuursalamanders levendbarend kunnen worden en levendbarende alpensalamanders eierleggend in de juiste context, én dat deze verworvenheden dan ook nog kunnen worden doorgegeven aan het nageslacht. Vroedmeesterpadden hield hij in terraria waarin de temperatuur hoger was dan de dieren normaliter prefereren, en zo bracht hij ze ertoe het water op te zoeken. Omdat vroedmeesterpadden niet in het water paren, missen de mannetjes de paringskussentjes aan hun voorpoten waarmee haast alle mannelijke kikkerachtigen die zwemmend de liefde bedrijven de wijfjes tijdens de amplexus stevig omklemmen. Kammerer beweerde dat al na twee generaties zijn vroedmeestermannetjes zwart gekleurde eeltige paringskussentjes ontwikkelden. Ongetwijfeld hadden de voorouders van Alytes obstetricans ook kussentjes gehad, maar Kammerer beschouwde ze als een nieuw verworven eigenschap. Binnen de wetenschappelijke wereld werden zijn claims met ongeloof onthaald. De geprepareerde specimens die hij als bewijs aandroeg, werden microscopisch onderzocht door critici en Gladwyn Kingsley Noble van het American Museum of Natural History ontdekte dat er helemaal geen nuptiaal eelt aanwezig was op de paddenhandjes, maar dat het zwart afkomstig was van injecties met Oost-Indische inkt. Kammerer ontkende van het bedrog op de hoogte te zijn en verdacht een overijverige assistent ervan de injecties te hebben toegediend, maar hij bleef bij zijn claims. Binnen de wetenschappelijke wereld werd hij echter als bedrieger aan de kaak gesteld en zijn reputatie was naar de haaien. Zes weken na het verschijnen van Nobles vernietigende artikel in Nature, maakte Paul Kammerer een einde aan zijn leven in het bos van Schneeberg.


Paul Kammerer

Hiermee was de controverse niet ten einde. Arthur Koestler stelt in The Case of the Midwife Toad dat het frauduleuze gebeuren politiek geïnspireerd was. Kammerer stond bekend als een fervent socialist en pacifist en als zodanig had hij zeker heel wat vijanden aan de Weense universiteit, die in die dagen een broeinest was van het opkomende nationaal-socialisme. Een jonge nazi zou de gehate rooie Kammerer erin geluisd hebben, met een daad van sabotage die helemaal in de lijn lag van hoe het er in die dagen in Wenen aan toe ging. Binnen de biologische wereld werd Koestlers hypothese niet gevolgd en Kammerer bleef er persona non grata, niet alleen door het gedoe met de pad, maar ook omwille van andere heterodoxe interesses van de man. Zo was hij bijvoorbeeld ook gefascineerd geweest door reeksen van toevallige gebeurtenissen en hij schreef daar een boekje over, Das Gesetz der Serie, dat Carl Gustav Jung beïnvloedde bij de ontwikkeling van zijn theorie over betekenisvolle synchroniciteit. Kortom: Kammerers interesses schurkten wat ongemakkelijk aan tegen de parapsychologie, en dat maakte hem als wetenschapper sowieso enigszins verdacht. Maar gezien de belangstelling die de biologie in onze tijd aan de dag legt voor epigenetica, vermoed ik dat het laatste woord over de onfortuinlijke Paul Kammerer en zijn padjes nog niet is gezegd of geschreven.
Ik blijf benieuwd.

Clement Caremans (c) 2019


Vroedmeesterpadden in amplexus

zondag 21 juli 2019

Cydalima perspectalis







Rups van de buxusmot. Foto Didier Descouens.


Cydalima perspectalis




Sneven arme meesjes in hun nest door het vergif dat tegen de buxusmot wordt gespoten, zoals ik hier en daar lees?

Natuurlijk is er geen één op één correlatie. Ongetwijfeld sterven insectenetende vogels niet alléén door het gif dat wordt gespoten tegen Cydalima perspectalis. Maar ze gaan wel sinds een paar decennia enorm achteruit, onder meer omdat ook de insectenpopulaties, die van de voor onze menselijke voedselvoorziening levensnoodzakelijke bijen incluis, zo'n vreselijke duik hebben genomen. En daar is de in land- en tuinbouw massaal gehanteerde gifspuit mee verantwoordelijk voor. Met als compagnon de monocultuur. Zet je velden en tuinen vol met allemaal planten van één of enkele soorten - maïs bijvoorbeeld, of buxus, of nordmannspar - en besproei je die dan nog tegen zowat al het andere, dat per definitie ongewenst is, van sprinkhaan tot klaproos, dan is het resultaat een drastische achteruitgang van de biodiversiteit: minder planten, minder insecten, minder spinnen, minder vogels. Hoe vaak moet je in de zomer van de voorruit van je wagen de insecten die er tegenaan plakken nog wegkrabben? Nauwelijks, juist. Zelfs in mijn wilde tuintje, waarin ik overigens buxus heb staan die ik echter niet meer besproei, gaat jaarlijks het aantal insecten achteruit: al heel lang heb ik er geen kleine vos of groot koolwitje, grote beer of avondrood, koninginnenpage of landkaartje meer gezien. Waarschijnlijk omdat de waardplanten waarop de rupsen leven, in de ruime omgeving nog nauwelijks worden getolereerd en dus zijn weggespoten. Ik heb wel mussen en ook mezen: dat is toch iets. Maar zwaluwen zijn op het Kiel allang verdwenen en elk jaar zie en hoor ik minder gierzwaluwen.

Mijn buxus besproei ik niet meer. Ik heb een paar jaar nu en dan pyrethrum gebruikt, maar ik ben ermee gestopt. Pyrethrum is weliswaar een biologisch afbreekbaar vergif, maar het blijft vergif en mijn leven hangt tenslotte niet af van het al dan niet smetteloze uitzicht van mijn buxus. Ik merkte bovendien dat de kaalgevreten struiken na een poos weer blaadjes kregen. Net zoals de aangevreten kardinaalsmutsen, die bovendien nog vol hangen met het rag van de rupsen van de stippelmotten die erin huizen, zodra de rups verpopt weer nieuwe bladgroei krijgen. Zelfs een al heel oude buxusstruik, waarvan ik dacht dat hij onder het rupsengeweld de geest had gegeven en die ik daarom tot een centimeter of 30 boven de grond had afgezaagd, heeft op de resterende stammetjes weer nieuwe twijgjes met blaadjes ontwikkeld.

Finito dus met de pyrethrum. Ik laat het verdelgen van de rupsen over aan de mussen, mezen, spreeuwen en kauwen en als het te erg wordt, haal ik ze met de hand weg. Voor de buxuskweker is dat uiteraard niet de oplossing, maar als de particuliere buxusliefhebber de gifspuit opzij zou leggen, scheelde dat al een flinke slok op de borrel. Ook een mogelijkheid is, eens iets anders in de tuin te zetten dan buxus. Dat betekent niet dat alle buxus weg moet, maar iets anders ertussenin kan best. Diversiteit is niet alleen een sympathiek idee, ze is biologisch ook essentieel. Ik blijf me overigens verbazen (dit even terzijde) over de hang van de Vlaamse medemens naar monocultuur. Enkele decennia geleden stonden in tuinen alleen coniferen. Daarna kwam de laurierkers. Even leek het erop dat de hortensia haar hegemonie zou vestigen, maar dat heeft niet mogen zijn. Sinds enige tijd is de buxus alomtegenwoordig. Het is natuurlijk een proper plantje: het blijft groen, het verliest geen bladeren en je kan het in zowat iedere gewenste vorm snoeien, wat het uiteraard eeuwen geleden al populair maakte in op Franse leest geschoeide vormtuinen. Net als de chamaecyparis van enkele decennia terug, is het een échte plant die er toch uit kan zien alsof hij van plastiek is. Is het dat wat de Vlaamse tuinier aantrekt: een plant die als het ware oogt alsof hij in de vaatwasser kan?


In vorm gesnoeide buxus. Nederland.

Wilde buxus. Spanje.

Nochtans is Buxus sempervirens best een interessante levensvorm. De botanische systematiek weet er niet zo best raad mee: is hij verwant aan hulst en esdoorn of eerder aan wolfsmelk en rubberboom? In Vlaanderen komt hij niet in het wild voor, maar wel in Zuid-Engeland, Wallonië, Frankrijk en Zuid-Europa, en naar het oosten toe tot in China. De genetische variatie van de buxussen is groot maar ook erg complex, wat tot gevolg heeft dat sommige auteurs stellen dat er een 30-tal buxussoorten is, terwijl anderen een goede 100 species onderscheiden. Natuurlijke buxusbossen, zoals je die in België ook in de Maasvallei vindt, hebben iets sinisters door de erg grillige vorm van de tot 8 meter hoge struiken of bomen, het heel donkere blad en de doordringende geur, die in de literatuur als "vossenlucht" wordt getypeerd maar die mij vooral herinnert aan de pis van een volle kater. In de antieke wereld werd buxus met dood, onderwereld en wedergeboorte geassocieerd, misschien omdat hij erg giftig is (zelfs konijnen eten er niet van) én het hele jaar groen blijft. In het volkse christendom van West-Europa, werd hij de stand-in voor de bijbelse palm, die immers in noordelijker regionen niet voorkomt. Daarom werden/worden met Palmzondag (Palmpasen voor onze noordelijker wonende vrienden) buxustakjes geknipt en in de kerk gewijd, om in huis te worden opgehangen als bescherming tegen allerlei onheil (zoals blikseminslag, bijvoorbeeld). Die gezegende takjes werden het jaar nadien verbrand en met de as zette de pastoor met Aswoensdag schmutzige kruisjes op het voorhoofd van de gelovigen. Tegenwoordig heeft zowat iedereen het over "buxus", maar in mijn kindertijd en jeugd heb ik het plantje vrijwel nooit anders dan "palmboompje" horen noemen. Of "buksboom", dat net als het Duitse "Buchsbaum"en het Engelse "box" verwant is met het Latijnse "buxus". En dat woord gaat waarschijnlijk terug op het Griekse "puxos", dat niet alleen aan het boompje en zijn hout refereert, maar ook aan de kistjes of doosjes die ervan werden gemaakt. Ik zou hier nog verder kunnen uitweiden over "box" dat ook doos betekent, over de verwantschap van "buis" (het Frans voor "buxus") met "bois" en "boîte", maar ga dat niet doen. Maar beroepshalve kan ik er uiteraard niet aan voorbijgaan dat buxushout zeer hard en duurzaam is en daarom onder andere uiterst geschikt voor de vervaardiging van klarinetten, hobo's en fluiten.

Door buxusmot aangetaste buxus.

De mot dan. Het is in feite best een mooi vlindertje, en de rups is ook niet onaardig. De mot behoort tot de familie van de grasmotten (Crambidae) waartoe nog een resem andere kleine vlindertjes worden gerekend, ook een aantal inheemse. Daar zijn er enkele heel merkwaardige bij. Zo is er bijvoorbeeld de duikermot (Acentria ephemerella) waarvan het mannetje een gewoon gevleugeld vlindertje is dat tussen mei en augustus rondfladdert en hoogstens twee dagen leeft; van het vrouwtje is er zowel een gevleugelde als een ongevleugelde versie en de ongevleugelde leeft in het water, een eerder ongewoon biotoop voor een vlinder. Andere inheemse grasmotten zijn onooglijke grauwe of bruine beestjes als de bruine grasmot (Crambus silvella), de zeldzame gevlamde grasmot (Cynaeda dentalis) en de drietandvlakjesmot (Catopria falsella), maar ook opvallende schoonheden als de waterlelievlinder (Elophila nymphaeata), waarvan de rups onder water leeft en er ook verpopt, het muntvlindertje (Pyrausta aurata) en de bonte brandnetelmot (Anania hortulata). Cydalima perspectalis is een exoot. Het diertje is in Oost-Azië inheems en werd in Europa voor het eerst gesignaleerd in Zwitserland. Waarschijnlijk werd het per ongeluk geïntroduceerd omdat het zich ophield in verpakkingshout van uit China afkomstige natuursteen. Daarna ging het snel: eerst werd de soort in Duitsland gevonden, maar al heel spoedig breidde ze zich uit naar de rest van Europa. In Nederland dateert de eerste waarneming van 2007, in België van 2010. De rups, die in Europa hele buxuspopulaties kaalvreet met alle gevolgen vandien, leeft in het land van herkomst merkwaardig genoeg niét op Buxus sempervirens, die daar immers niet voorkomt, maar op andere buxussoorten en op nog een paar andere planten, zoals de Japanse kardinaalsmuts en de zwarte moerbei. Bij ons laat ze andere planten dan buxus met rust. Dat de mot zich zo snel kon verspreiden, heeft natuurlijk te maken met de alomtegenwoordigheid van buksstruikjes in veel Europese tuinen. Ik zei het al en herhaal het hier nog eens: monocultuur is altijd problematisch.

De buxus in de tuin: wat doe je ermee, nadat de buxusmot hem als kraamkliniek-annex-kleutertuin heeft uitgekozen? Zoals ik al zei: liefst niet teveel vergif erop, je doet op die manier nog eens een extra duit in het zakje om het ecosysteem naar de knoppen te helpen. Laat je buxus gewoon staan, aangevreten en al: de blaadjes komen gewoonlijk wel terug. Wat ook zou helpen, is de struik niet per se in één of andere gladde geometrische vorm te willen snoeien, maar hem zijn natuurlijke, losse, grillige en wat vlokkige groeiwijze te gunnen. Rupsen zouden in zo'n wildere buxus minder te keer kunnen gaan, ook al omdat de struik veel toegankelijker is voor vogels. Ik heb dit niet zelf verzonnen: de tip komt van Paul Stryckers, de aartsvader van de Vlaamse natuurgidsen. Wat maakt dat ik minstens geneigd ben het eens uit te proberen. En tenslotte is er de radicaalste oplossing. Maak toch eens schoon schip met die buxus. Bloeiende buxus is een bijenplant, maar de struikjes die je gewoonlijk in onze tuinen aantreft, krijgen nooit de kans bloemen te dragen - ha nee, dan zijn ze niet strak genoeg en vallen ze uit de toon bij het gemillimeterde gazon. Laat dus je buxus staan als je het hem gunt een natuurlijke, losse vorm te ontwikkelen en jaarlijks te bloeien. Maar smijt hem eruit als je dat niet ziet zitten, en vervang hem dan door bloeiende, kleurrijke, geurige struikjes als lavendel, rozemarijn of marjolein. De vlinders, hommels en bijen zullen je dankbaar zijn.

Clement Caremans (c) 2018, 2019

Buxusmot. Foto Leo Janssen. 


maandag 15 juli 2019

Snowball



Snowball



Een man stapt een dierenwinkel binnen en vraagt hoeveel de groene papegaai in de vitrine kost. Vijftigduizend, zegt de uitbater. Geschrokken vraagt de man wat het beest dan wel zo bijzonder maakt. De winkelier zegt dat de papegaai alle opera's van Puccini kan zingen, in het Italiaans nota bene. Daarop vraagt de man de prijs van de gele papegaai. Honderdduizend, is het antwoord. Verbluft vraagt hij wat deze vogel kan. Niet alleen de complete Puccini, luidt het antwoord, maar ook de volledige Wagner, inclusief de zestien uur durende Ring des Nibelungen, in het Duits. Hoeveel is het voor de blauwe? zucht de klant. Eén miljoen, op de kop. Geheel onthutst vraagt hij wat daar tegenover staat. Geen flauw idee, zegt de winkelier, maar de andere twee noemen hem Maestro.


Ik heb een zwak voor papegaaien. Achtereen, als het weer herfst wordt en de schemering al aanvangt als ik van het Vleeshuis naar het Kiel fiets, zie ik, en hoor ik vooral, iedere avond de halsbandparkieten die hun nachtelijke rustplaats opzoeken in het Kielpark. Als helgroene starfighters klieven ze door de lucht en strijken ze neer in de imposante bomen, waar ze al ruziënd en tierend hun slaapplekje veroveren en zoveel herrie maken dat ze zelfs de kauwen en de spreeuwen overstemmen. Ik weet het: halsbandparkieten zijn exoten en puristen vinden dat ze hier niet thuishoren. Maar ik zou ze missen, mochten ze weer verdwijnen.

Papegaaien zijn bijzondere vogels. Ze zijn bijzonder intelligent en hebben in ieder geval een merkwaardig leervermogen. Ze slagen erin hele stukken muziek of menselijke spraak met grote precisie te imiteren en sommige onderzoekers, zoals de Amerikaanse Irene Pepperberg, zijn ervan overtuigd dat ze bovendien de woorden die ze leren, kunnen verbinden met hun betekenis. Anders gezegd: een papegaai zou niet alleen de klank van de menselijke spraak kunnen nabootsen, hij zou tot zekere hoogte ook kunnen leren te begrijpen wat hij zegt. Pepperberg beweert in ieder geval dat je met haar grijze roodstaart Alex een heus gesprek kon voeren.

De geelkuifkaketoe Snowball is dan weer een Youtube-fenomeen geworden omwille van zijn danscapaciteiten, en intussen is hij ook voor wetenschappers een begrip (*). Want de moves van Snowball wijzen, net als het gebabbel van Alex, op een merkwaardige intelligentie. Op het internet zijn er filmpjes te vinden waarin je Snowball aan het werk ziet met Cindy Laupers Girls just want to have fun. En doe jezelf een lol en zoek ook zijn interpretatie van Another one bites the dust van Queen eens op.


Clement Caremans (c) 2019




Egels in nesten








Egels in nesten



Toen ik en mijn drie jaar jongere zus nog studeerden, hadden wij tijdens de blok- en examenperiode van juni een vast avondritueel. We stapten om een uur of 9, half 10 's avonds op onze fiets en maakten een tochtje. We fietsten vaak vanuit de Hobokense Draaiboomstraat richting Hemiksem, via Sorghvliet en het Fort 8 naar het centrum van Hemiksem waar toen jeugdhuis Den Hamincs floreerde, en dan weer terug. Onze tocht voerde langs wei- en akkerland en ruige, verwilderde stukken grond die intussen allang werden verkaveld en volgebouwd. Tijdens één van die ritjes troffen we in het midden van de rijweg twee kleine egeltjes aan. Van hun moeder was geen spoor, we vermoedden dat ze ergens dood in de berm lag, een slachtoffer van het nog veel minder drukke maar toch al voor egels vaak dodelijke autoverkeer. De buurt werd uitgekamd, zonder resultaat, en dus besloten we de egeltjes - hoe noem je jonge egels in feite: pups, welpen, biggetjes? - mee naar huis te nemen, de fietszak in en klaar was kees. Thuis werden ze in een afgebakend stuk van de tuin gezet, een op dat moment niet gebruikte bakserre die in het voorjaar nog vol radijsjes had gestaan. De egels kregen in melk geweekt brood met een rauw ei eronder, zwoerdjes van hesp, nu en dan wat slachtafval, regenwormen en slakken, veel slakken: alles werd met luid gesmak naar binnen gespeeld. Ze groeiden als kool en werden handtam, wat vooral betekende dat ze kwamen aangerend als je hun bak naderde en zich niet meer spontaan tot een stekelige kogel oprolden als je in hun buurt kwam, maar zich zelfs lieten oppakken en manipuleren. Ze zaten steevast vol vlooien en hadden de gewoonte zichzelf te bespuwen om zich te wassen. Ze in de tuin loslaten, zat er niet in, want de buren waren nogal kwistig met allerlei verdelgingsmiddelen en om ze weer uit te zetten in de natuur waren ze veel te tam geworden. Hoelang we ze precies hebben gehad, weet ik niet meer - enkele jaren, denk ik.


Blijkbaar zijn egels intussen sterk op de terugweg: volgens een recent bericht van Natuurpunt (Natuurpunt trekt aan de alarmbel: aantal egels op 10 jaar tijd bijna gehalveerd) is hun aantal in Vlaanderen in tien jaar tijd met bijna de helft afgenomen. Dat ze zo ongelooflijk achteruit gaan, is niet bepaald verwonderlijk. De jongste jaren zag ik ze vrijwel alleen nog maar in doodgereden, door autobanden uiteengereten toestand. Hun leefgebied is enorm ingekrompen: net als de buurt waar ik mijn stiefegeltjes destijds heb gevonden helemaal werd verkaveld en volgebouwd, is een groot deel van Vlaanderen gebetonneerd, versteend, geasfalteerd. Een egel heeft een leefareaal van 10 tot 40 ha nodig. Waar er akkers, velden of grote tuinen zijn, gescheiden door hagen of greppels, vinden egels een geschikt habitat. Deel die 40 ha op in percelen, gescheiden door verharde wegen en stenen muren, en ze hebben er niets meer te zoeken. Zeker niet als de resterende tuinen alleen maar met pesticiden behandeld gemillimeterd gazon in de aanbieding hebben. Ook buiten de bebouwde kavels werd het er niet beter op. Greppels langs de wegen werden de jongste decennia vervangen door betonnen buizen, bermen werden verhard, kreupelhout en hagen werden gerooid, voor de gediversifieerde teelten op de akkers kwam maïs, maïs en nog eens maïs in de plaats. Vergif wordt nog massaler gebruikt dan vier decennia geleden, met kwalijke gevolgen voor de insectenfauna. Waarom de egel precies zo achteruit gaat is alsnog niet duidelijk, maar het lijkt erop dat hij grosso modo in hetzelfde bedje ziek is als zoveel andere ooit heel talrijke en ondertussen bedreigde levensvormen: een combinatie van drastisch habitatverlies en instorting van de biodiversiteit. In grote lijnen dat, wat ook grauwe vliegenvanger, koekoek en zomertortel de das omdoet. Dat de egel zo achteruit gaat, is om meerdere redenen bijzonder jammer. Egels zijn vrij primitieve placentalia, die in de stamboom van de zoogdieren dicht bij de basis staan van de Euarchontoglires, een clade waartoe ook wij mensen behoren. Ze bestaan al meer dan 60 miljoen jaar en zijn de jongste 15 miljoen jaar nauwelijks veranderd. Het geheim van hun succes? Ze zijn nauwelijks gespecialiseerd, eten vooral wat altijd al in grote aantallen voorhanden was - insecten, wormen, slakken - en hebben met hun stekelvacht een merkwaardig effectieve bescherming ontwikkeld. Ze overleefden met deze combinatie van flexibiliteit qua menu en een stekelig pakje diverse opeenvolgende geologische tijdvakken. Maar tegen autobanden hebben ze geen verhaal. En tegen insecticiden al evenmin: als de insecten verdwijnen, delen de insecteneters in de klappen.
Een levensvorm die het 15 miljoen jaar heeft volgehouden: dat verdient enig respect. Straf toch, en ook wraakroepend, dat we erin slagen om ook dit iconische beestje naar de verdoemenis te helpen.

Clement Caremans (c) 2019

Foto Leo Wijering.

zaterdag 6 juli 2019

Nieuwe huurders








Nieuwe huurders

Jarenlang nestelden er gierzwaluwen in de omkasting van de dakgoot van onze buren. Maar toen de corniche werd vervangen, verdween ook de nestplaats van de vogels. Weg gierzwaluwen. Toen wij wat later onze dakbedekking en corniche lieten vervangen, besloten we meteen ook een gierzwaluwennestkast te hangen. Er zaten nog altijd gierzwaluwen in onze buurt, al hadden we de indruk dat de meeste nestplaatsen in onze straat verdwenen waren: daken waren in de loop der jaren gerenoveerd, gevels gesaneerd, maar aan de gierzwaluwen was helaas niet gedacht.


Vier jaar geleden plaatsten we onze nestkast. Ieder voorjaar, in mei, als de gierzwaluwen uit de tropische oorden terugkeerden waar ze driekwart van het jaar verblijven, keken we reikhalzend uit naar eventuele gebruikers van het gierzwaluwenappartement. Nougatbollen, telkens weer. Tot daarstraks mijn betere helft me kraaiend van de pret kwam vertellen dat we dit jaar huurdertjes hebben. Ik ging poolshoogte nemen en inderdaad: uit het vlieggat van de nestkast verscheen het rare kopje van een gierzwaluw, waarna die als een stuka het Kielse luchtruim koos. Gierend, zoals het hoort. In de nestkast hoorde ik zacht gepiep.



Over enkele weken vliegen de piepertjes uit en in augustus trekken ze hun ouders achterna richting Afrika. Dan begint voor hen een leven dat zich haast geheel in de lucht afspeelt. Alleen om te broeden zullen ze nog de vaste grond opzoeken: de rest van hun bestaan zullen ze vliegend doorbrengen. Zelfs om te paren en te slapen zullen ze niet landen: slapen doen ze al vliegend, op een hoogte van 1500 tot 5000 meter. Hun leven zal vooral gevuld zijn met het jagen op insecten, waarvan ze er dagelijks een paar duizend soldaat maken. Al jagend zullen ze vele tienduizenden kilometers afleggen, zowel in de zomermaanden in het West-Europese zwerk als de rest van het jaar in het Afrikaanse luchtruim.

Maar voorlopig piepen ze nog zachtjes in de gierzwaluwenkast onder onze corniche en worden ze door hun gierende en krijsende stuka-ouders volgestopt met insecten.

Clement Caremans (c) 2019



woensdag 19 juni 2019

Schoenlappers en pannenplakkers





Distelvlinder (Vanessa cardui)



Schoenlappers en pannenplakkers



"Vlinderliefhebbers keken er al reikhalzend naar uit: een invasie van distelvlinders is altijd een bijzonder fenomeen. Na berichten uit Zuid-Europa zag het ernaar uit dat een stroom van vele duizenden vlinders onze kant zou uitkomen. Maar die stroom bleef uit. Tot gisteren: toen werden, voor het eerst in jaren, meer dan 600 exemplaren gemeld. Hopelijk het begin van meer!"

Aan het woord zijn Marc Herremans en Wim Veraghtert in de digitale nieuwsbrief van 19 juni 2019 van Natuurpunt. En ze gaan verder:

"Al in het vroege voorjaar, eind maart, bleken er hoge aantallen distelvlinders aanwezig in het Midden-Oosten. Met name in Israël, waar 100.000en exemplaren gemeld werden en die vlogen door in noordwestelijke richting. Cyprus, Lesbos, het Griekse vasteland en verder oostelijk tot in de Kaukasus: in die regio’s werd massale trek van distelvlinder waargenomen. Vlinderliefhebbers in de Lage landen maakten zich al op een invasie zoals we ze zagen in 2009: toen trokken miljoenen distelvlinders door Marokko naar Noord-Europa.
Maar de distelvlinderstroom van dit voorjaar leek op te drogen… Midden mei bereikten ons dan weer berichten uit Zuid-Zweden: daar arriveerden hoge aantallen distelvinders! Volgens een analyse van de Vlinderstichting zat een lagedrukgebied in Zuid-Duitsland daar voor iets tussen: dat slechte weer zorgde ervoor dat distelvlinders niet doorvlogen naar het westen, maar noordwaarts afbogen en zo in Zweden en Finland belandden.
In België en Nederland bleef het vrij stil. Her en der druppelden de afgelopen weken wel enkele distelvlinders binnen, maar tot voor kort nergens hoge aantallen. In Nederland liepen de aantallen de voorbije week sterk op, met name in het noorden. Op Ameland worden er honderden geteld."

Grafiek distelvlinders


"Gisteren was het dan ook bij ons raak: vele tientallen exemplaren, vaak aan hoge snelheid voorbijvliegend, werden verspreid over het land gemeld. 18 juni was tot dusver een echte uitschieter. Juni 2018 liet een heel ander patroon zien: matige aantallen distelvlinders over de hele maand, zonder echte topdagen.

Distelvlinders planten zich in meerdere generaties voort over Europa. In het najaar trekken ze massaal weer naar Afrika. Alle kans dus dat de vlinders die hier nu aankomen nog voor nageslacht zorgen en dat we de rest van de zomer en najaar nog veel meer distelvlinders gaan te zien krijgen."

Dagpauwoog (Aglais io)

Distelvlinders. "Schoenlappers" noemde mijn grootmoeder ze, of "pannenplakkers": niet alleen de distelvlinders, maar vooral ook de kleine vossen en de gehakkelde aurelia's die soms met tientallen tegelijk op de goudsbloemen en op de paars-roze schermen van de vetplanten in onze Hobokense tuin neerstreken. Soms zaten op zo'n sedum zoveel kleine vossen bijeen, dat je geen bloem meer zag, alleen bonte vlindervleugels. Gehakkelde aurelia's waren er niet zoveel als vossen, en de wat grotere distelvlinder was nog iets minder talrijk, maar elke zomerdag fladderden er wel enkele tussen onze bloemen. In mijn herinnering nog minder talrijk en vooral groter, en daarom des te meer bijzonder, waren de dagpauwoog en de nummervlinder. Als ik van die soorten er een of meer in de tuin zag, riep ik er mijn ma bij om ze te tonen. En vice versa: zag mijn moeder er een, wist ik het ook meteen. Nu en dan vloog er ook een koninginnenpage over, en dat was altijd speciaal: zelfs al wisten we dat de rupsen op het loof van worteltjes zaten, en die groeiden tenslotte in zowat iedere hof, de vlinder bleef een memorabele verschijning. Ook in kleiner aantal, maar wel altijd aanwezig, waren de landkaartjes, met hun variërende verschijningsvorm doorheen het jaar. Bijzondere sympathie ging uit naar de blauwtjes, waarvan er nu en dan enkele verdoolde exemplaren konden worden gespot, en naar de zandoogjes, die ook een enkele keer op de sedums, de calendula's, de zinnia's en de stinkerdjes neerstreken. En dan waren er natuurlijk de grote en de kleine koolwitjes en het klein geaderd witje die, ik geef het toe, met veel minder egards werden behandeld en nauwelijks een blik waardig werden gevonden, hoewel, of misschien juist omdat, ze in zo'n grote aantallen werden gezien.

Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album)

Toen ik zo'n jaar of tien was, probeerde ik een vlinderverzameling aan te leggen. Met een netje of gewoon met de hand ving ik de vlinders, deed ze in een potje waarin ik eerst een in ether of alcool camphré gedrenkt watje had gestopt, en daarna prikte ik ze op een piepschuimen bord, nadat ik met een paar speldjes en reepjes papier de vleugels mooi gespreid had. Determineren deed ik met behulp van het enige vlindergidsje dat ik kende, de Natuurgids voor de vlinders van Europa van Yves Letouche, een piepklein boekje met redelijk goede tot bar slechte kleurenfoto's van opgezette vlinders, de vlinderafbeeldingen in Planten en dieren van Europa van Harry Garms, een boek dat ik met Sinterklaas had gekregen en dat toen voor mij zowat de status van de Bijbel had, en aan de hand van de kleurenprenten van het Natuurhistorisch Museum in Brussel, verspreid door de Fort Produkten (album De Insekten van België). Lang heb ik het niet volgehouden: ik vond het wat zonde van de vlinders, die als ze op een plaat waren geprikt al snel verstoften en pootjes en sprieten kwijtspeelden.

Kleine vos (Aglais urticae)

De vlinderaantallen uit de jaren 1960 waren, vergeleken met wat je vandaag te zien krijgt in de doorsnee tuin, zonder meer immens. Ik heb dit jaar al één (1) vlinder in mijn Kielse tuintje gespot, een citroentje. Dat was begin april: sindsdien niets, nada (ik schrijf dit op 19 juni). Ik verwacht me, van zodra mijn buddleja's bloeien, aan nu en dan een dagpauwoog, een gehakkelde aurelia of een atalanta, met tussendoor ook wat blauwtjes. En misschien belanden een paar distelvlinders uit de grote zwermen die momenteel doorheen Europa van zuid naar noord trekken wel in de Schijfstraat, wie weet. Kleine vossen, de onwaarschijnlijk talrijke pannenplakkers uit mijn kinderjaren en jeugd, verwacht ik niet: die heb ik al in jaren niet meer gezien in mijn tuin. Waarschijnlijk zijn er in de omgeving van mijn huis en hof nergens nog grote brandnetels waaraan de rupsen zich dik en rond kunnen vreten. Net zoals er nog nauwelijks een tuin is met worteltjes voor de koninginnenpagerupsen, kolen of spruiten voor de rupsen van de koolwitjes, distels voor die van de distelvlinder. Vroeger had je in iedere hof wel een mesthoop, en daarrond tierden de brandnetels welig. Ze deden het ook goed op verloren lapjes grond, tussen de huizen en langs straten en wegen, vooral op de plekken waar de hond werd uitgelaten en de baasjes graag een plas deden. Die achterafperceeltjes worden tegenwoordig meestal met grind bedekt, geasfalteerd of gebetonneerd, en als er nog ruimte wordt gelaten voor enige plantengroei, krijgt die al snel een paar keer per jaar een of ander verdelgingsmiddel te slikken. In tuinen heeft de variëteit aan bloemen en groenten van voorheen meestal plaats gemaakt voor gras, bamboe en buxus en waar er in perkjes en bloembakken nog eens een koolwitrups het waagt de oostindische kers te bezoeken, krijgt die prompt een insecticide op haar bast. Op het platteland is de grote variatie aan teelten vervangen door monocultuur van een of ander gewas, dat met pesticiden insect- en dus ook rups-vrij wordt gehouden. De droogte van de jongste zomers, met haar nefaste gevolgen voor de grondwatertafel, doet ook een duit in het zakje: hele vegetaties verdorren zonder meer. Zodat de rupsen geen voedsel vinden. Tel dit allemaal op, en je begrijpt dat het er niet goed uitziet voor onze Lepidoptera. Geen rupsen meer, en dus ook geen vlinders.
Jammer toch.

Clement Caremans (c) 2019


Nummervlinder (Vanessa atalanta)