zondag 16 juni 2019

Dieseltjes


Aardhommel. Foto Nora de Smet.



Dieseltjes 



In mijn tuin is het eindelijk herfst. Op een prettige manier, met de temperaturen en de kleuren van een echte été indien. Al is groen nog altijd de overheersende tint, de bladeren van trompetklimmer, notelaar, kers, kornoelje, vijg en boerenjasmijn kleuren stilaan goudgeel, hoppebellen worden ros en van pompoen en guldenroede rest nog nauwelijks iets dat onmiddellijk herkenbaar is als de planten die ze tot voor kort waren. De weinige trosjes die de merels overlieten, kleuren vermiljoen tussen het duistere groen van een door heggenrank overwoekerde lijsterbes. De rozerode-met-oranje vruchtjes van de kardinaalsmuts hangen te pronken, de klimop bloeit uitbundig en trekt zwermen zweefvliegen aan. Ik hou van de herfst, van zijn kille vochtige ochtenden, van het geluid van voetstappen in gevallen bladeren, van de kleuren en geuren van vergankelijkheid.

Maar het meest hou ik van de spinnen die overal hun zijden draden spannen, en van de hommels, die dik en donzig rondzoemen en een bijzondere voorliefde lijken te hebben voor de verschillende salievariëteiten met hun overvloedige aren van lila, paarse, rood-met-witte en magenta lipbloemen. Als er één insect qua aaibaarheid kan concurreren met poezen en konijnen, is het wel de hommel. Ik weet natuurlijk ook wel, dat hommels in feite een bijzonder soort bijen zijn en dat ze, net als de andere bijen, een angel hebben waarmee ze heel gemeen kunnen steken. Maar dat doen ze alleen maar als je ze haast fijn knijpt: ze zijn minder agressief dan andere bijen en zeker dan wespen, de slanke roofridders van de bende. En zijn katten minder aaibaar omdat ze krabben als ze het aaien even beu zijn, of konijnen omdat ze gemeen kunnen bijten?

Geen kwaad woord dus over hommels. Ik sla ze graag gade als ze van bloem naar bloem snorren, vooral als de bloemen echte hommelbloemen zijn, zoals salie, dovenetel, andoorn, vingerhoedskruid, leeuwenbek of monnikskap. Het is prachtig hoe ze landen op de onderste lip van de bloem, hoe onder hun gewicht de buis vrijkomt die naar de nectar leidt, hoe meeldraden hun stuifmeel op het donzige lijfje achterlaten en in de zogenaamde korfjes op de achterste poten, stuifmeel dat zo kan worden meegevoerd naar het nest om aan de larven te voederen én naar de volgende bloem om daar op de stamper te belanden.

Maar het liefst kijk ik naar hommels op het einde van de herfst of in het heel vroege voorjaar, als het echt koud is. De meeste andere insecten zijn dan dood of klitten verstijfd bij elkaar in holle bomen, op zolders en in kelders. Maar hommels blijven heel lang actief, soms als er sneeuw ligt of zelfs als het vriest. "Toendrabijen" noemt de Amerikaanse bioloog Bernd Heinrich hommels in zijn fascinerende boek Bumblebee Economics, en dat zijn ze ook: bijen die zijn aangepast aan de klimatologische condities van het hoge Noorden en het diepe Zuiden. De aanpassing die het meest in het oog springt is hun beharing: hommels zijn langharige bijen, bijen met een dikke vacht. Die is er, net zoals bij arctische en subarctische zoogdieren als muskusossen, poolvossen, wolven, veelvraten en beren, om het lichaam te beschermen tegen de kou. Net als veel dieren van het Noorden, zijn hommels ook heel wat meer uit de kluiten gewassen dan hun in zuidelijker regionen levende verwanten. Dat is het gevolg van wat in de biologie de Wet van Bergmann heet en gewoon een toepassing is van het feit dat een groot lichaam in verhouding tot zijn volume een kleiner oppervlak heeft dan een klein. Een groter lichaam verliest bijgevolg minder snel zijn warmte. Gecombineerd met een goed isolerende dikke vacht, stelt dit een warmbloedig organisme in staat zijn temperatuur min of meer op peil te houden - "homoiotherm", "met constante temperatuur". Insecten zijn echter in de regel niet warm-, maar koudbloedig - of, met een beter woord, "poikilotherm", "met wisselende temperatuur". Hun lichaamstemperatuur is afhankelijk van de omgeving. Is de omgeving kil, is ook de temperatuur van het dier laag, staat de stofwisseling op een laag pitje en is er van activiteit niet veel sprake. Schijnt de zon volop, warmen poikilothermen hun lichaam op, draait hun metabolisme op volle toeren en is het tijd voor actie. Poikilothermen die hun lichaamstemperatuur richten op de omgeving en waar nodig er ook warmte aan onttrekken, worden ook wel "ektothermen" genoemd. Hagedissen zijn hiervan een mooi voorbeeld. Op frisse ochtenden zitten ze bewegingloos verscholen in kieren en spleten, maar zodra de zon begint te klimmen, zoeken ze een zonbeschenen plekje en beginnen ze aan hun bakken-en-braden-programma. Het koude jaargetijde brengen ze gewoonlijk door in een winterslaap, waarbij de lichaamstemperatuur laag is en het metabolisme zeer langzaam loopt. Een gelijkaardig scenario vinden we bij de meeste insecten: is de temperatuur te laag, is er geen activiteit en valt de stofwisseling terug op waakstand.

Niet zo bij hommels. Die zijn weliswaar ook poikilotherm, maar hebben een systeem van thermoregulatie ontwikkeld dat hen in staat stelt de temperatuur van hun lichaam redelijk constant te houden, tussen 30°C en 44°C. Dat is nodig: zakt ze onder de 30° kan een hommel niet vliegen omdat de suikers die nodig zijn om de vleugelspieren te laten werken, niet kunnen verbranden. En de ratio van die verbranding ligt heel hoog, omdat de vleugels zeer snel moeten bewegen om de hommel in de lucht te houden: zo'n 200 slagen per seconde. Boven de 44° lopen de spieren schade op, zoals een oververhitte motor. Als dier van het (zelfs hoge) Noorden, moet een hommel in een omgeving met zeer verschillende dag- en nachttemperatuur, een actief leven leiden, nectar drinken, pollen verzamelen voor het nest. Hoe krijgt en houdt ze in dit milieu haar spieren op bedrijfstemperatuur? Niet zoals de ektotherme hagedissen, maar door zelf, in het eigen lichaam, warmte te genereren. "Endotherm" noemen we dat. Kijk eens naar een hommel 's ochtends in de late herfst. Het is kil en er zijn geen andere insecten te bespeuren. De hommel zit op een blad of een takje, of gewoon op de grond, heel stilletjes wat te rillen. Na een poosje zie je ze wegvliegen. Hoe speelt ze dat klaar? Wel, met zeer snelle contracties van haar borstspieren (het trillen) drijft ze de temperatuur in haar thorax op, tot een graad of 30. De dikke vacht werkt isolerend, en dank zij haar formaat heeft een hommel weinig oppervlakte in verhouding tot haar volume. Een tegenstroom vanuit het achterlijf zorgt ervoor dat de temperatuur in de thorax hoog blijft en niet overgaat op het abdomen. In de namiddag, als de hommel wordt geconfronteerd met de hitte van de zon, wordt wél warmte naar het abdomen afgevoerd, waarvandaan ze naar de buitenlucht weglekt.

In het voorjaar gebruikt de koningin, de enige hommel die overwintert, ditzelfde thermoregulerend mechanisme om haar nieuwe kolonie te stichten. Met contracties van haar thoracale spieren brengt ze haar lichaamswarmte op peil, om vervolgens zowel van bloem tot bloem te vliegen om zich te voeden en pollen te verzamelen voor haar broedsel, als om dat broedsel warm te houden als er niet wordt gevlogen. Na een paar weken heeft de eerste lichting larven zicht verpopt tot werksters, die dan aan de slag kunnen voor de volgende broedsels van dikke, donzige, zoemende hommels die ons de hele zomer door gezelschap houden, tot het begint te vriezen en de eerste sneeuw valt.



Clement Caremans (c) 2018