zondag 16 juni 2019

Upupa epops, of de terugkeer van de strontkuif








Upupa epops, 
of de terugkeer van de strontkuif 





Onze eerste wilde hop zagen we in Toscane, op een omhoogkronkelende grintweg tussen Ciggiano en Gargonza. Hij zat tussen de stenen aan iets te pikken, dat later een hoopje stront bleek, en zette voortdurend zijn bonte kuif op. Toen we hem te dicht naderden, vloog hij op, meer een enorme zwart-wit-peche gekleurde vlinder dan een vogel. 's Avonds en 's ochtends was hij ook te horen in de olijfgaarden op de hellingen: een zacht oepoepoepoep, telkens weer herhaald. In de velden aan de voet van de Pyreneeën in de buurt van Boulogne, nabij de Gers, zagen we er ook. Het was regenachtig en we tuften met een sukkeldrafje over de natte weg, toen we voor ons een paartje hoppen driftig bezig zagen in een koeienvla. Daarna fladderden ze naar een mesthoop bij een stal. En dan weer verder, wij erachter. Enkele zomers geleden hadden we er één in de tuin van het huisje dat we huurden in Peyrillac-et-Millac, nabij Souillac. Merkwaardig, want er was geen mest in de buurt. Hoppen houden immers van stront: in de paardenvijgen, koeienvlaaien, hondendrollen en andere porties kak zoeken ze wormen, mestkevers, maden en ander lekkers, dat ze met hun lange, fijne, lichtjes gebogen snavel van tussen de smurrie pulken en zelf naar binnen spelen of er hun kroost mee voeren. Dat laatste houdt zich op in een nest dat zo vreselijk smerig is dat men er zich in de antieke wereld al over verwonderde.

Plinius zegt in zijn Naturalis Historia dat de hop "zijn nest uit mensenstront maakt en van de walgelijkste excrementen leeft. Hij houdt zich altijd op in de nabijheid van graven. Kortom, hij is de smerigste en vuilste onder de vogels." Ook Nozeman laat zich in Nederlandsche Vogelen niet onbetuigd. Hij noemt het nest "eene soort van broeibak, in welke de hette des dreks, met de broedingen zelve van den vogel, medewerkt tot voor den dagbrenging van de jongen en teffens om voorraed van maeden en andere insekten tot voeding der jongen op te leveren. De stank lokt zeer vermoedelijk sommige vliegen en schallebijters of torren naar deze plaats." Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de vogel met allerlei kwalijks - duivels, heksen, zwarte magie - werd geassocieerd. Het Oude Testament rangschikt hem bij de onreine dieren en in de Europese schilderkunst figureert hij herhaaldelijk in het gezelschap van de duivel.




De Griekse traditie verklaart zijn ontstaan met een bijzonder bloedige, donkere mythe van hoge ouderdom - Homeros zinspeelt er al op in de Odyssee. Tereus, de koning van Thrakië, wordt smoorverliefd op Philomela, de zus van zijn echtgenote Prokne. Hij verkracht Philomela en sluit Prokne op in de slavenverblijven; hij verzekert zich van haar stilzwijgen door haar de tong uit te snijden. Om haar zuster op de hoogte te brengen van wat er met haar gebeurde, weeft Prokne in een kleed het relaas van haar droeve lot en laat dit aan Philomela bezorgen. Eens vrijgekomen, doodt Prokne haar zoon Itys en zet hem als feestdis voor aan Tereus. De onvrijwillige kannibaal ontdekt wat er is gebeurd en zit Prokne en Philomela achterna met een bijl. Maar voor hij een nieuwe slachtpartij kan aanrichten, komen de goden tussen en veranderen het noodlottige drietal in vogels: Prokne wordt een zwaluw, Philomela een nachtegaal en Tereus een hop.
Merkwaardig genoeg is de hop in christelijke context eveneens een zinnenbeeld van de deugdzaamheid en in de moslimtraditie wordt hij geprezen om zijn helende kracht, die hem in het Arabisch de bijnaam "de dokter" opleverde.

Soit. Deze prachtige vogel broedde vorig jaar voor het eerst sinds decennia in Vlaanderen, in het Kempische Weelde meer bepaald. Hij was er na de Tweede Wereldoorlog stilaan verdwenen, mogelijk omdat onze boerenbuiten veel te netjes was geworden en de hop zijn favoriete stronthopen was kwijtgespeeld. Dat hij nu weer opduikt, is mogelijk een zeldzaam positief nevenverschijnsel van het treurige feit van de global warming. Elk nadeel heb ze voordeel, zullen we maar denken.

Clement Caremans (c) 2018