Zie, zie, zie, zie!
Vandaag hoorde ik ze. En daarna zag ik ze, tegen duizelingwekkende snelheid in acrobatische figuren door de Kielse lucht slierend.
Voor het eerst dit jaar: gierzwaluwen.
Ze zijn terug uit Afrika en wat mij betreft is het nu echt lente.
Lang blijven ze niet: in augustus zijn ze er alweer vandoor. In die enkele maanden maken ze hier hun nesten en brengen ze hun jongen groot. Nestelen en broeden zijn de enige activiteiten waarvoor ze er ooit bij gaan zitten - of beter: liggen, want met hun rare pootjes, met alle vier de tenen naar voren gericht, zijn ze nauwelijks tot zitten in staat. Ze maken hun nest in spleten en nissen van muren en daken, bijvoorbeeld in de omkasting van oude dakgoten. Om weer van hun nest weg te vliegen, laten ze zich gewoonlijk vallen om dan op de vleugels te gaan, een sprongetje of aanloopje voor het opstijgen, zoals bij vrijwel alle andere vogels, is er meestal niet bij. Daartoe zijn de pootjes te zwak. Oudere natuurvorsers dachten zelfs dat gierzwaluwen helemaal geen poten hebben, en de wetenschappelijke naam van de vogels - Apus apus - weerspiegelt deze overtuiging. A-pous, zonder poot. Onder meer daarin onderscheiden ze zich van de echte zwaluwen, waarmee ze totaal niet verwant zijn. Echte zwaluwen kunnen wel zitten: in het najaar zie je ze met honderden bijeentroepen op telefoondraden, klaar voor de trek naar het zuiden. Echte zwaluwen - in onze streken de boerenzwaluw, de huiszwaluw en de oeverzwaluw - zijn zangvogels, zoals leeuweriken, lijsters, mezen, mussen en kraaien. Gierzwaluwen zijn nauw verwant aan de kolibries, eveneens vliegacrobaten, zij het op een heel andere manier.
Gierzwaluwen brengen bijna hun hele leven vliegend door. Ze paren gewoonlijk in de vlucht en ook slapen doen ze terwijl ze op grote hoogte, tussen 1500 en 5000 meter, doorheen het zwerk glijden. In de lagere regionen van de troposfeer vinden ze ook hun voedsel: kleine rondvliegende insecten, waarvan ze er dagelijks enkele duizenden naar binnen spelen. Een gierzwaluw legt in zijn leven vele tienduizenden kilometers al vliegend af. Soms verplaatsen ze zich op heel korte tijd over grote afstanden. De weersomstandigheden blijken daarbij een grote rol te spelen, waarschijnlijk omdat die veel invloed hebben op de beschikbaarheid van hun voedsel. Men heeft vastgesteld dat gierzwaluwen die zich de ene dag boven Londen bevonden, een dag later vrolijk door de hemel boven Hamburg scheurden. Ze halen dan ook met gemak snelheden van 120 km per uur.
Gierzwaluwen zijn vandaag echte stadsvogels. Oorspronkelijk leefden ze in berggebieden, waar ze in rotsspleten en holle bomen van oude bossen hun nesten maakten. Dat wij tegenwoordig geobsedeerd zijn door netjes en keurig, valt hen zwaar. Gladde muren zonder uitsteeksels en nissen of spleten, alles dichtgekit en geïsoleerd: daar houden ze niet van. Wie zijn gevel saneert en elke kier in de kroonlijst potdicht sodemietert, moet beseffen dat hij daarmee een ongelooflijk boeiende vogel wegjaagt. Dat betekent niet dat je dus je corniche maar naar beneden moet laten donderen. Renoveer gerust, maar plaats een gierzwaluwenkast. Opdat de hemelacrobaten niet uit ons zomerse zwerk verdwijnen en hun schrille gekrijs kan blijven weerklinken.
Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!’
tieren de
zwaluwen,
twee-driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
‘Niemand, die…
die
bieden de
stiet ons zal!
‘Wie, wie? wie??
wie???’
Piepende en
kriepende
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.
Lege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hoge nu
hemelt hun’
vlerke, in de
lucht:
amper nog
hore ik.. en,
die ’k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
‘Wie??? wie?? wie?
wie…
Guido Gezelle
25 mei 1897
Clement Caremans (c) 2017

