Egels in nesten
Toen ik en mijn drie jaar jongere zus nog studeerden, hadden wij tijdens de blok- en examenperiode van juni een vast avondritueel. We stapten om een uur of 9, half 10 's avonds op onze fiets en maakten een tochtje. We fietsten vaak vanuit de Hobokense Draaiboomstraat richting Hemiksem, via Sorghvliet en het Fort 8 naar het centrum van Hemiksem waar toen jeugdhuis Den Hamincs floreerde, en dan weer terug. Onze tocht voerde langs wei- en akkerland en ruige, verwilderde stukken grond die intussen allang werden verkaveld en volgebouwd. Tijdens één van die ritjes troffen we in het midden van de rijweg twee kleine egeltjes aan. Van hun moeder was geen spoor, we vermoedden dat ze ergens dood in de berm lag, een slachtoffer van het nog veel minder drukke maar toch al voor egels vaak dodelijke autoverkeer. De buurt werd uitgekamd, zonder resultaat, en dus besloten we de egeltjes - hoe noem je jonge egels in feite: pups, welpen, biggetjes? - mee naar huis te nemen, de fietszak in en klaar was kees. Thuis werden ze in een afgebakend stuk van de tuin gezet, een op dat moment niet gebruikte bakserre die in het voorjaar nog vol radijsjes had gestaan. De egels kregen in melk geweekt brood met een rauw ei eronder, zwoerdjes van hesp, nu en dan wat slachtafval, regenwormen en slakken, veel slakken: alles werd met luid gesmak naar binnen gespeeld. Ze groeiden als kool en werden handtam, wat vooral betekende dat ze kwamen aangerend als je hun bak naderde en zich niet meer spontaan tot een stekelige kogel oprolden als je in hun buurt kwam, maar zich zelfs lieten oppakken en manipuleren. Ze zaten steevast vol vlooien en hadden de gewoonte zichzelf te bespuwen om zich te wassen. Ze in de tuin loslaten, zat er niet in, want de buren waren nogal kwistig met allerlei verdelgingsmiddelen en om ze weer uit te zetten in de natuur waren ze veel te tam geworden. Hoelang we ze precies hebben gehad, weet ik niet meer - enkele jaren, denk ik.

Blijkbaar zijn egels intussen sterk op de terugweg: volgens een recent bericht van Natuurpunt (Natuurpunt trekt aan de alarmbel: aantal egels op 10 jaar tijd bijna gehalveerd) is hun aantal in Vlaanderen in tien jaar tijd met bijna de helft afgenomen. Dat ze zo ongelooflijk achteruit gaan, is niet bepaald verwonderlijk. De jongste jaren zag ik ze vrijwel alleen nog maar in doodgereden, door autobanden uiteengereten toestand. Hun leefgebied is enorm ingekrompen: net als de buurt waar ik mijn stiefegeltjes destijds heb gevonden helemaal werd verkaveld en volgebouwd, is een groot deel van Vlaanderen gebetonneerd, versteend, geasfalteerd. Een egel heeft een leefareaal van 10 tot 40 ha nodig. Waar er akkers, velden of grote tuinen zijn, gescheiden door hagen of greppels, vinden egels een geschikt habitat. Deel die 40 ha op in percelen, gescheiden door verharde wegen en stenen muren, en ze hebben er niets meer te zoeken. Zeker niet als de resterende tuinen alleen maar met pesticiden behandeld gemillimeterd gazon in de aanbieding hebben. Ook buiten de bebouwde kavels werd het er niet beter op. Greppels langs de wegen werden de jongste decennia vervangen door betonnen buizen, bermen werden verhard, kreupelhout en hagen werden gerooid, voor de gediversifieerde teelten op de akkers kwam maïs, maïs en nog eens maïs in de plaats. Vergif wordt nog massaler gebruikt dan vier decennia geleden, met kwalijke gevolgen voor de insectenfauna. Waarom de egel precies zo achteruit gaat is alsnog niet duidelijk, maar het lijkt erop dat hij grosso modo in hetzelfde bedje ziek is als zoveel andere ooit heel talrijke en ondertussen bedreigde levensvormen: een combinatie van drastisch habitatverlies en instorting van de biodiversiteit. In grote lijnen dat, wat ook grauwe vliegenvanger, koekoek en zomertortel de das omdoet. Dat de egel zo achteruit gaat, is om meerdere redenen bijzonder jammer. Egels zijn vrij primitieve placentalia, die in de stamboom van de zoogdieren dicht bij de basis staan van de Euarchontoglires, een clade waartoe ook wij mensen behoren. Ze bestaan al meer dan 60 miljoen jaar en zijn de jongste 15 miljoen jaar nauwelijks veranderd. Het geheim van hun succes? Ze zijn nauwelijks gespecialiseerd, eten vooral wat altijd al in grote aantallen voorhanden was - insecten, wormen, slakken - en hebben met hun stekelvacht een merkwaardig effectieve bescherming ontwikkeld. Ze overleefden met deze combinatie van flexibiliteit qua menu en een stekelig pakje diverse opeenvolgende geologische tijdvakken. Maar tegen autobanden hebben ze geen verhaal. En tegen insecticiden al evenmin: als de insecten verdwijnen, delen de insecteneters in de klappen.
Een levensvorm die het 15 miljoen jaar heeft volgehouden: dat verdient enig respect. Straf toch, en ook wraakroepend, dat we erin slagen om ook dit iconische beestje naar de verdoemenis te helpen.
Een levensvorm die het 15 miljoen jaar heeft volgehouden: dat verdient enig respect. Straf toch, en ook wraakroepend, dat we erin slagen om ook dit iconische beestje naar de verdoemenis te helpen.
Clement Caremans (c) 2019
![]() |
| Foto Leo Wijering. |

