De roze steltzwaan
We waren er al enkele weken over bezig, maar het weer en de zere ruggen en knoken en ons beider onverbeterlijke uitstelgedrag hadden ervoor gezorgd dat we nog niet waren gegaan. Ik denk dat het ergens aanvang januari moet zijn geweest, toen mijn betere helft mijn aandacht vestigde op enkele foto’s en een filmpje van flamingo’s, geschoten aan het Grevelingenmeer. Kristien van Acker, arts op rust en verdienstelijk natuurfotograaf, had ze op Facebook gepost, met de mededeling erbij dat het voor haar de eerste keer was dat ze naar de flamingo’s in Nederland was gaan kijken. Heel herkenbaar: hoewel wij iedere winter minstens een keer naar Zeeland rijden om er vogels te gaan kijken, hadden ook wij de Grevelingse flamingo’s nog nooit bezocht, dus het werd toch wel de hoogste tijd dat een keer te doen.
Want die flamingo’s zijn een merkwaardig fenomeen. Elke winter, en dat al sinds het einde van de jaren 1970, pleisteren er flamingo’s in het Grevelingenmeer, de ingesloten vroegere zeearm tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. Waar tot de jaren 1960 de flamingo maar nu en dan in de Lage Landen werd gesignaleerd (24 keer in Nederland en 17 keer in België volgens mijn Prisma-Vogelboek uit 1962), begonnen vanaf ca. 1978 kleine groepjes ieder jaar in het Deltagebied op te duiken. Rond die tijd ontstond een kleine broedkolonie van flamingo’s in het Zwillbrocker Venn, net over de Duits-Nederlandse grens. De vogels van deze kolonie trekken ’s winters weg, tot in Zuid-Europa, maar het grootste deel verblijft in de Grevelingen nabij Oude-Tonge, een van de dorpen van Goeree-Overflakkee. Daar resideren ze van oktober tot april, profiterend van het zoute water dat gewoonlijk de hele winter ijsvrij blijft. De flamingo’s in de Grevelingen behoren, zo lees ik, niet alle tot dezelfde soort. Tussen de roze flamingo’s (Phoenicopterus roseus) uit Zuid-Europa, Afrika en het Midden-Oosten, zitten er ook rode flamingo’s (Phoenicopterus ruber) uit de Caraïben en Chileense flamingo’s (Phoenicopterus chilensis) uit Chili en Argentinië. Die broeden ook in het Zwillbrocker Venn en bastaarderen er lustig op los. Die Zuid-Amerikaanse vogels zijn niet op eigen houtje de Atlantische Oceaan overgestoken, maar zijn ontsnapt uit dierentuinen of vogelparken.
Dat we nog nooit de moeite namen een goeie zeventig kilometer te rijden om de vogels te zien, begrijp ik in feite zelf niet zo goed. In ieder geval: nu is het zover. Onszelf goed ingeduffeld, want we worden met de leeftijd wat kouwelijker en het kan flink waaien in de Delta, nog een aaitje voor kater Jerom, de bolderik in en hup, naar Oude-Tonge. Daar zouden, althans volgens de schaarse informatie die we hebben, de flamingo’s vanaf de dijk goed te observeren zijn. Onze gps navigeert ons naar het centrum van het dorp, dat min of meer uitgestorven lijkt. Op een plannetje van de omgeving, merk ik dat de Heerendijk, die begint vlakbij waar wij hebben geparkeerd, in de richting van het Grevelingenmeer voert. We hebben er geen idee van of die Heerendijk de juiste is, maar we besluiten hem te volgen. Na een kwartiertje stappen komen we bij een fietspad dat recht naar de Krammer leidt, het zuidoostelijke deel van de Grevelingen. Onderweg zien we diverse grote zilverreigers, blauwe reigers, bergeenden, kuifeenden, middelste zaagbekken, futen en een ijsvogel. Overal zitten er wel meerkoeten en in de heggen naast de dijk spelen winterkoninkjes verstoppertje. Op de Grevelingen dobberen bergeenden, knobbelzwanen en enkele enorme groepen brandganzen met ook wat rotganzen ertussen. Maar geen flamingo’s. We beseffen dat we op deze manier nog een paar uur kunnen ronddwalen zonder de flamingo’s te zien en omdat we bovendien te voet de vogels te gemakkelijk opschrikken, besluiten we met de auto de buurt verder te verkennen. Maar eerst een kleinigheid eten, een koffietje drinken en een sanitair intermezzo. We vinden zelfs een etablissement dat open is, nooit een evidentie in de dorpen van de Delta.
Een koffie, een stukje taart en een plasje later, weer op weg. Nora ziet aan een raam van een woonst een aankondiging hangen van een herdenking van de watersnood van 1953, die hier lelijk heeft huisgehouden. Terwijl ze het papier leest, komt de bewoonster tot bij de deur en, zoals dat dan gaat, wordt er een woordje gewisseld. Ik wandel verder richting auto. Enkele minuten later daagt Nora op. De dame bij de deur heeft haar precies uitgelegd waar de flamingo’s zitten: we kunnen er meteen naartoe. We moeten richting Nieuwe-Tonge de dijk blijven volgen tot bij de provincieweg; dan moeten we door een tunneltje en komen we vlakbij het water.
Als we uit het tunneltje komen, zien we voor ons de Grevelingen. En op hooguit veertig, vijftig meter staan ze in het ondiepe water langs de oever: de flamingo’s. Er is nog een mevrouw die heeft staan filmen, maar niet tevreden is over wat ze te zien krijgt, want er zit maar weinig leven in de vogels. Nu en dan maakt er eentje een geluid dat op het gesnater van een gans lijkt. Ze staan echter vooral zo’n beetje te slapen, de meeste op één poot, de kop tussen de vleugels. Maar hemel, wat zijn ze mooi. Prachtig gewoon. Hoewel het een vrij sombere dag is met verspreide mist, lijken de roze vogels een gloed te verspreiden, op te lichten als het ware. Er zit nogal wat variatie in hun kleur: er zijn er die bleekroze zijn met een lichte hals en kop en alleen wat rood aan de vleugels, andere hebben een rode kop en hals en zijn ook op hun romp dieper van kleur. Ik kan ze niet precies determineren, maar ik vermoed dat de rodere vogels tot een van de Amerikaanse soorten behoren, of wellicht bastaarden zijn. Hun tropische herkomst ten spijt, lijken ze niet al te veel last te hebben van de Hollandse kou. Terwijl Nora probeert wat filmpjes en foto’s te schieten, tel ik de groep. Ik kom op tweeëntachtig, maar mogelijk zijn er een paar meer, want misschien zijn er sommige door de bosjes duindoorn niet te zien van waar ik sta. Een vliegtuigje dat laag overvliegt haalt de vogels uit hun sluimer: ze strekken hun onmogelijk lange hals, schudden de kop met de rare haakvormige snavel en enkele spreiden hun vleugels, waarbij het diepe rood van de dekveren en het zwart van de slagpennen tevoorschijn flitsen. “Phoinikopteros” noemden de Grieken de flamingo, de roodvleugel, een naam die Carl von Linné in 1758 opviste toen hij het dier zijn wetenschappelijke naam gaf. De onderbreking heeft de vogels een beetje actiever gemaakt: hoewel enkele hardnekkig verder dutten, lijken de meeste te vinden dat het tijd is voor een grondige poetsbeurt. We zien nu beter hun vreemde snavel, die ze omgekeerd in ondiep water houden als ze zich voeden: ze zuigen water op en persen het daarna met hun tong naar buiten, waarbij het in het water aanwezige plankton achter de lamellen in de bek blijft zitten. Die rare bek, samen met de onwaarschijnlijk lange hals en dito poten, maakten dat Lewis Carroll in de flamingo een ideale hamer zag voor het croquetspel in de tuin van de Rode Koningin.
Ook ornithologen worstelden lange tijd met de vreemde kenmerken van de vogel en wisten niet zo goed waar ze hem moesten indelen. “Roze steltzwaan”, de oude Nederlandse naam voor de flamingo, geeft mooi de schimmige taxonomische positie van de vogel weer: was hij een soort reiger of ooievaar, met zulke hals en poten, of stond hij met zijn gelamelleerde snavel en zwemvliezen en dikke laag donsveren in de stamboom van de vogels dichter bij de eenden, de ganzen en de zwanen? Tenslotte kunnen flamingo’s, hun lange stekkepoten ten spijt, uitstekend zwemmen, en soms foerageren ze precies als zwanen: ze grondelen, stuit omhoog en de lange hals uitgerekt onder water, waar ze met hun snavel kleine diertjes uit de modder filteren. Sommige karakteristieken leken dan weer verwantschap te suggereren met de grote orde van de Charadriiformes – snippen, strandlopers, plevieren, meeuwen, sterns, alken e tutti quanti. En, nog vreemder, flamingo’s voeden hun jongen een tijdje met een substantie die wordt afgescheiden door de krop: een soort duivenmelk. Al gauw nam men het zekere voor het onzekere en kende men de flamingo een eigen orde toe. Maar met welke andere vogels die verwant is, bleef lang duister. De Amerikaanse taxonoom Alexander Wetmore bracht ze in de jaren 1930 onder bij de ooievaars, maar al spoedig kregen ze een eigen orde toebedeeld, de Phoenicopteriformes, die na de reigers en ooievaars en voor de eendachtigen werd geplaatst, op de plek dus waar een steltzwaan die naam waardig thuishoort. Deze visie hield stand tot de jaren 1980. Biochemisch onderzoek heeft de jongste decennia echter roet in het eten gestrooid. Uit de resultaten van DNA-DNA-hybridisaties die in de jaren 1990 werden uitgevoerd, bleek alvast duidelijk dat flamingo’s geen uitstaans hebben met ooievaars. DNA-sequenties in de ribosomen van zowel de celkern als de mitochondriën leken er aanvang eenentwintigste eeuw op te wijzen dat flamingo’s de naaste verwanten zijn van de futen, een connectie die door latere research steeds weer werd bevestigd. In een artikel uit 2005 werd de clade die flamingo’s en futen verenigt door G. Sangster Mirandornithes gedoopt, een naam die intussen vrijwel algemeen is aanvaard. Die Mirandornithes zouden de zustergroep zijn van een clade die ook de duiven omvat, ook een vogelgroep waar taxonomen zich de tanden op stukbijten. Mirandornithes kan vrij worden vertaald als “wonderlijke vogels”.
Wonderlijke vogels: inderdaad.
Clement Caremans, (c) 2026



