maandag 29 januari 2024

Zeeland



Zeeland 



We zouden toch zeker eens een keer poolshoogte gaan nemen in Zeeland. In het haventje van Yerseke, aan het Veerse Meer, aan de Brouwersdam en het Grevelingenmeer misschien, in Burgh-Haamstede en mogelijk zelfs in Goedereede, al is dat geen Zeeland meer maar Zuid-Holland. Maar wanneer? We bleven maar uitstellen, niet alleen omdat we haast pathologische uitstellers zijn, maar ook omdat we het zachte kletsnatte weer van december 2023 weinig geschikt vonden voor een trip naar het Zeeuwse waterland. De hele dag in de wagen blijven omdat het pijpenstelen regent, is tenslotte maar niks. Misschien zou het deze winter nog wel eens een keer echt koud worden, dachten we. Maar we beseften ook wel dat daarop wachten geen zin heeft, want als het pas in februari of zelfs maart de stenen uit de grond vriest, zijn sommige overwinteraars alweer naar noordelijker oorden vertrokken. Overwinteraars, juist: daar is het ons om te doen. We gaan ’s winters niet naar onze noorderburen om hun culinaire kwaliteiten te onderzoeken, al wil een bord snert er wel in als het flink koud is. Nee: we gaan voor de vogels, bijvoorbeeld voor de gasten uit het Hoge Noorden die hier komen opwarmen bij zwoele temperaturen rond het vriespunt terwijl het in hun broedgebied min dertig is. Wilde en kleine zwanen, rotganzen, brilduikers, zee-eenden, nonnetjes, sneeuwgorzen, je weet wel.

We gingen dus poolshoogte nemen in Zeeland. We zouden écht vroeg vertrekken, want de dagen zijn kort deze tijd. Uiteraard lukte dat niet: we geraken ’s morgens maar met moeite uit ons bed en eer alle matineuze geplogenheden achter de rug zijn, waaronder een ontbijt en minstens drie koppen sterke koffie voor elk, is de voormiddag al een eind gevorderd. Enfin, we besloten maar meteen direct richting Yerseke te rijden en onderweg nergens het achterland op te zoeken om eventuele ganzen op te snorren. Want gewoonlijk vind je hier of daar, even weg van de A56, wel ergens een wei met een paar honderd vierkante meter brand- of kolganzen. Dus recht naar Yerseke.

We parkeren vlak bij de oesterputten en wandelen over de dijk naar het haventje. Mijn betere helft heeft uiteraard haar fototoestel in aanslag, altijd paraat om een of andere vogel of een treffend beeld vast te leggen. Er is echter een probleem: de display van haar Lumix kleurt verblindend wit en er zijn aanduidingen op te zien die ze niet kan thuisbrengen. Een jonge aalscholver op een kapotte loopplank in een oesterput vraagt er haast om gefotografeerd te worden, maar geeft alleen een witte vlek op het uitklapbare schermpje van de Lumix: kadreren of scherpstellen lukt op die manier natuurlijk niet. Gestampvoet, gefoeter en gevloek. Waar is de tijd dat je een fototoestel kon bedienen zonder dat je had gestudeerd voor burgerlijk ingenieur?

Omdat ik niet werkeloos wil toezien terwijl wanhoop en colère mekaar afwisselen, neem ik de Lumix over en begin wat door het menu te scrollen. To no avail, uiteraard, want ik ken het toestel helemaal niet, las nooit de handleiding en heb in feite totaal niks met fotografie, nooit gehad trouwens. Allerlei instellingencombinaties worden uitgeprobeerd, maar het schermpje blijft wit. De vingers zijn intussen een beetje gevoelloos geworden – het vriest, er staat toch wel wat wind en met handschoenen aan het apparaat prutsen is geen optie.


Middelste zaagbek (Mergus serrator). Foto Nora de Smet.





Rotgans (Branta bernicla). Foto Nora de Smet. 


Ik stel voor dat we onze ronde doen door de haven en daarna iets warms naar binnen spelen in De Viskèète, een vishandel-cum-restaurant in de haven waar we wel eens meer honger en dorst stillen. Een overvloed aan vogels zien we niet, maar onze dag is al onmiddellijk goed dankzij enkele groepjes middelste zaagbekken, prachtige eenden die eruitzien alsof ze door Vivien Westwood werden gestyled. Voorts zitten er wilde eenden, kuifeenden, futen, dodaarzen en een paar rotganzen, die grote lappen groene wieren verorberen. Het is laag water en op het slik foerageren scholeksters, tureluurs, steenlopers en wulpen. Er staan ook enkele kleine zilverreigers naar visjes te speuren, superelegante spierwitte vogels; in het ondiepe heldere water zie je duidelijk dat aan de pikzwarte poten gele tenen vastzitten.

Ik blijf het opmerkelijk vinden dat ik deze vogels hier zomaar zie. Toen ik indertijd, in de jaren 1970 en 1980, met mijn spitsbroeder Henk in Zeeland wintervogels ging kijken, was een kleine zilverreiger een belevenis van formaat. “Een enkele keer in ons land waargenomen” staat er in de vijfde druk (1965) van Het Vogelboekje van Jac.P. Thijsse. Dat is een beetje overdreven, want volgens het Prisma Vogelboek van J.E. Sluiters (1962) was de vogel in Nederland een dwaalgast die er eenentwintig keer werd waargenomen. In de Gids voor de vogels van Europa van Bruun & Singer, verschenen in 1970, stond Egretta garzetta ook nog genoteerd als een dwaalgast in Nederland en België, en de zevende druk van Sluiters (1975) noemt hem een onregelmatige gast. Toen ik voor het eerst in Firenze kwam, verbaasde ik me over de zilverreigertjes die er her en der aan de oever van de Arno stonden te vissen. Intussen kan je een gelijkaardig tafereel dus ook aan de oever van de Oosterschelde aanschouwen. Tussen de 300 en de 500 kleine zilverreigers zouden er volgens de Vogelatlas van Nederland van SOVON ’s winters bij onze noorderburen verblijven, vooral aan de Wester- en de Oosterschelde. En dat is niet alles: jaarlijks telt Nederland tegenwoordig 35 à 75 broedparen. Tegenover dit merkwaardige succesverhaal staan helaas andere, heel wat minder vrolijk makende ontwikkelingen. We zien bijvoorbeeld nauwelijks steenlopertjes. In de jaren 1980 zaten ze in het haventje van Yerzeke overal: op de kaden, op de pieren, zelfs op het dek van de aangemeerde bootjes. Dat we er maar een enkele zien, blijkt overeen te stemmen met wat ik in de Vogelatlas van Nederland lees: sinds 1975 is hun aantal meer dan gehalveerd en inmiddels staat de soort op de Nederlandse Rode Lijst als “kwetsbaar” vermeld.

We eten in De Viskèète een kleine hap: we delen een broodje met vissla en een portie kibbelingen en drinken een koffie. Enig gefrunnik aan het fototoestel heeft gunstig gevolg: wat ze precies heeft gedaan, weet ze zelf niet, maar Nora slaagt erin de settings weer in orde te brengen. We besluiten nog even een toertje te maken, zodat de zaagbekken & co kunnen worden vereeuwigd.

Op naar Veere. Veel tijd voor vogels gaan we er niet meer hebben, maar dat is niet erg. We zullen een wandeling maken langs de wallen en als het donker is ergens een stuk taart – een punt – eten met een koffie. Tarara, dat hadden we gedroomd. In heel Veere, dat nochtans slechts bestaat voor en door de toerist, is geen enkel etablissement open. Eén restaurant gaat pas later op de avond open, al de rest is dicht en verduisterd. Hollanders, grommen we. Dan maar weer naar ons net buiten het stadje geparkeerde wagentje.
Misschien volgende week eens terugkomen, maar dan écht vroeg vertrekken, maken we onszelf en mekaar wijs.

(c) Clement Caremans 2024