woensdag 19 juni 2019

Schoenlappers en pannenplakkers





Distelvlinder (Vanessa cardui)



Schoenlappers en pannenplakkers



"Vlinderliefhebbers keken er al reikhalzend naar uit: een invasie van distelvlinders is altijd een bijzonder fenomeen. Na berichten uit Zuid-Europa zag het ernaar uit dat een stroom van vele duizenden vlinders onze kant zou uitkomen. Maar die stroom bleef uit. Tot gisteren: toen werden, voor het eerst in jaren, meer dan 600 exemplaren gemeld. Hopelijk het begin van meer!"

Aan het woord zijn Marc Herremans en Wim Veraghtert in de digitale nieuwsbrief van 19 juni 2019 van Natuurpunt. En ze gaan verder:

"Al in het vroege voorjaar, eind maart, bleken er hoge aantallen distelvlinders aanwezig in het Midden-Oosten. Met name in Israël, waar 100.000en exemplaren gemeld werden en die vlogen door in noordwestelijke richting. Cyprus, Lesbos, het Griekse vasteland en verder oostelijk tot in de Kaukasus: in die regio’s werd massale trek van distelvlinder waargenomen. Vlinderliefhebbers in de Lage landen maakten zich al op een invasie zoals we ze zagen in 2009: toen trokken miljoenen distelvlinders door Marokko naar Noord-Europa.
Maar de distelvlinderstroom van dit voorjaar leek op te drogen… Midden mei bereikten ons dan weer berichten uit Zuid-Zweden: daar arriveerden hoge aantallen distelvinders! Volgens een analyse van de Vlinderstichting zat een lagedrukgebied in Zuid-Duitsland daar voor iets tussen: dat slechte weer zorgde ervoor dat distelvlinders niet doorvlogen naar het westen, maar noordwaarts afbogen en zo in Zweden en Finland belandden.
In België en Nederland bleef het vrij stil. Her en der druppelden de afgelopen weken wel enkele distelvlinders binnen, maar tot voor kort nergens hoge aantallen. In Nederland liepen de aantallen de voorbije week sterk op, met name in het noorden. Op Ameland worden er honderden geteld."

Grafiek distelvlinders


"Gisteren was het dan ook bij ons raak: vele tientallen exemplaren, vaak aan hoge snelheid voorbijvliegend, werden verspreid over het land gemeld. 18 juni was tot dusver een echte uitschieter. Juni 2018 liet een heel ander patroon zien: matige aantallen distelvlinders over de hele maand, zonder echte topdagen.

Distelvlinders planten zich in meerdere generaties voort over Europa. In het najaar trekken ze massaal weer naar Afrika. Alle kans dus dat de vlinders die hier nu aankomen nog voor nageslacht zorgen en dat we de rest van de zomer en najaar nog veel meer distelvlinders gaan te zien krijgen."

Dagpauwoog (Aglais io)

Distelvlinders. "Schoenlappers" noemde mijn grootmoeder ze, of "pannenplakkers": niet alleen de distelvlinders, maar vooral ook de kleine vossen en de gehakkelde aurelia's die soms met tientallen tegelijk op de goudsbloemen en op de paars-roze schermen van de vetplanten in onze Hobokense tuin neerstreken. Soms zaten op zo'n sedum zoveel kleine vossen bijeen, dat je geen bloem meer zag, alleen bonte vlindervleugels. Gehakkelde aurelia's waren er niet zoveel als vossen, en de wat grotere distelvlinder was nog iets minder talrijk, maar elke zomerdag fladderden er wel enkele tussen onze bloemen. In mijn herinnering nog minder talrijk en vooral groter, en daarom des te meer bijzonder, waren de dagpauwoog en de nummervlinder. Als ik van die soorten er een of meer in de tuin zag, riep ik er mijn ma bij om ze te tonen. En vice versa: zag mijn moeder er een, wist ik het ook meteen. Nu en dan vloog er ook een koninginnenpage over, en dat was altijd speciaal: zelfs al wisten we dat de rupsen op het loof van worteltjes zaten, en die groeiden tenslotte in zowat iedere hof, de vlinder bleef een memorabele verschijning. Ook in kleiner aantal, maar wel altijd aanwezig, waren de landkaartjes, met hun variërende verschijningsvorm doorheen het jaar. Bijzondere sympathie ging uit naar de blauwtjes, waarvan er nu en dan enkele verdoolde exemplaren konden worden gespot, en naar de zandoogjes, die ook een enkele keer op de sedums, de calendula's, de zinnia's en de stinkerdjes neerstreken. En dan waren er natuurlijk de grote en de kleine koolwitjes en het klein geaderd witje die, ik geef het toe, met veel minder egards werden behandeld en nauwelijks een blik waardig werden gevonden, hoewel, of misschien juist omdat, ze in zo'n grote aantallen werden gezien.

Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album)

Toen ik zo'n jaar of tien was, probeerde ik een vlinderverzameling aan te leggen. Met een netje of gewoon met de hand ving ik de vlinders, deed ze in een potje waarin ik eerst een in ether of alcool camphré gedrenkt watje had gestopt, en daarna prikte ik ze op een piepschuimen bord, nadat ik met een paar speldjes en reepjes papier de vleugels mooi gespreid had. Determineren deed ik met behulp van het enige vlindergidsje dat ik kende, de Natuurgids voor de vlinders van Europa van Yves Letouche, een piepklein boekje met redelijk goede tot bar slechte kleurenfoto's van opgezette vlinders, de vlinderafbeeldingen in Planten en dieren van Europa van Harry Garms, een boek dat ik met Sinterklaas had gekregen en dat toen voor mij zowat de status van de Bijbel had, en aan de hand van de kleurenprenten van het Natuurhistorisch Museum in Brussel, verspreid door de Fort Produkten (album De Insekten van België). Lang heb ik het niet volgehouden: ik vond het wat zonde van de vlinders, die als ze op een plaat waren geprikt al snel verstoften en pootjes en sprieten kwijtspeelden.

Kleine vos (Aglais urticae)

De vlinderaantallen uit de jaren 1960 waren, vergeleken met wat je vandaag te zien krijgt in de doorsnee tuin, zonder meer immens. Ik heb dit jaar al één (1) vlinder in mijn Kielse tuintje gespot, een citroentje. Dat was begin april: sindsdien niets, nada (ik schrijf dit op 19 juni). Ik verwacht me, van zodra mijn buddleja's bloeien, aan nu en dan een dagpauwoog, een gehakkelde aurelia of een atalanta, met tussendoor ook wat blauwtjes. En misschien belanden een paar distelvlinders uit de grote zwermen die momenteel doorheen Europa van zuid naar noord trekken wel in de Schijfstraat, wie weet. Kleine vossen, de onwaarschijnlijk talrijke pannenplakkers uit mijn kinderjaren en jeugd, verwacht ik niet: die heb ik al in jaren niet meer gezien in mijn tuin. Waarschijnlijk zijn er in de omgeving van mijn huis en hof nergens nog grote brandnetels waaraan de rupsen zich dik en rond kunnen vreten. Net zoals er nog nauwelijks een tuin is met worteltjes voor de koninginnenpagerupsen, kolen of spruiten voor de rupsen van de koolwitjes, distels voor die van de distelvlinder. Vroeger had je in iedere hof wel een mesthoop, en daarrond tierden de brandnetels welig. Ze deden het ook goed op verloren lapjes grond, tussen de huizen en langs straten en wegen, vooral op de plekken waar de hond werd uitgelaten en de baasjes graag een plas deden. Die achterafperceeltjes worden tegenwoordig meestal met grind bedekt, geasfalteerd of gebetonneerd, en als er nog ruimte wordt gelaten voor enige plantengroei, krijgt die al snel een paar keer per jaar een of ander verdelgingsmiddel te slikken. In tuinen heeft de variëteit aan bloemen en groenten van voorheen meestal plaats gemaakt voor gras, bamboe en buxus en waar er in perkjes en bloembakken nog eens een koolwitrups het waagt de oostindische kers te bezoeken, krijgt die prompt een insecticide op haar bast. Op het platteland is de grote variatie aan teelten vervangen door monocultuur van een of ander gewas, dat met pesticiden insect- en dus ook rups-vrij wordt gehouden. De droogte van de jongste zomers, met haar nefaste gevolgen voor de grondwatertafel, doet ook een duit in het zakje: hele vegetaties verdorren zonder meer. Zodat de rupsen geen voedsel vinden. Tel dit allemaal op, en je begrijpt dat het er niet goed uitziet voor onze Lepidoptera. Geen rupsen meer, en dus ook geen vlinders.
Jammer toch.

Clement Caremans (c) 2019


Nummervlinder (Vanessa atalanta)