woensdag 19 juni 2019

Schoenlappers en pannenplakkers





Distelvlinder (Vanessa cardui)



Schoenlappers en pannenplakkers



"Vlinderliefhebbers keken er al reikhalzend naar uit: een invasie van distelvlinders is altijd een bijzonder fenomeen. Na berichten uit Zuid-Europa zag het ernaar uit dat een stroom van vele duizenden vlinders onze kant zou uitkomen. Maar die stroom bleef uit. Tot gisteren: toen werden, voor het eerst in jaren, meer dan 600 exemplaren gemeld. Hopelijk het begin van meer!"

Aan het woord zijn Marc Herremans en Wim Veraghtert in de digitale nieuwsbrief van 19 juni 2019 van Natuurpunt. En ze gaan verder:

"Al in het vroege voorjaar, eind maart, bleken er hoge aantallen distelvlinders aanwezig in het Midden-Oosten. Met name in Israël, waar 100.000en exemplaren gemeld werden en die vlogen door in noordwestelijke richting. Cyprus, Lesbos, het Griekse vasteland en verder oostelijk tot in de Kaukasus: in die regio’s werd massale trek van distelvlinder waargenomen. Vlinderliefhebbers in de Lage landen maakten zich al op een invasie zoals we ze zagen in 2009: toen trokken miljoenen distelvlinders door Marokko naar Noord-Europa.
Maar de distelvlinderstroom van dit voorjaar leek op te drogen… Midden mei bereikten ons dan weer berichten uit Zuid-Zweden: daar arriveerden hoge aantallen distelvinders! Volgens een analyse van de Vlinderstichting zat een lagedrukgebied in Zuid-Duitsland daar voor iets tussen: dat slechte weer zorgde ervoor dat distelvlinders niet doorvlogen naar het westen, maar noordwaarts afbogen en zo in Zweden en Finland belandden.
In België en Nederland bleef het vrij stil. Her en der druppelden de afgelopen weken wel enkele distelvlinders binnen, maar tot voor kort nergens hoge aantallen. In Nederland liepen de aantallen de voorbije week sterk op, met name in het noorden. Op Ameland worden er honderden geteld."

Grafiek distelvlinders


"Gisteren was het dan ook bij ons raak: vele tientallen exemplaren, vaak aan hoge snelheid voorbijvliegend, werden verspreid over het land gemeld. 18 juni was tot dusver een echte uitschieter. Juni 2018 liet een heel ander patroon zien: matige aantallen distelvlinders over de hele maand, zonder echte topdagen.

Distelvlinders planten zich in meerdere generaties voort over Europa. In het najaar trekken ze massaal weer naar Afrika. Alle kans dus dat de vlinders die hier nu aankomen nog voor nageslacht zorgen en dat we de rest van de zomer en najaar nog veel meer distelvlinders gaan te zien krijgen."

Dagpauwoog (Aglais io)

Distelvlinders. "Schoenlappers" noemde mijn grootmoeder ze, of "pannenplakkers": niet alleen de distelvlinders, maar vooral ook de kleine vossen en de gehakkelde aurelia's die soms met tientallen tegelijk op de goudsbloemen en op de paars-roze schermen van de vetplanten in onze Hobokense tuin neerstreken. Soms zaten op zo'n sedum zoveel kleine vossen bijeen, dat je geen bloem meer zag, alleen bonte vlindervleugels. Gehakkelde aurelia's waren er niet zoveel als vossen, en de wat grotere distelvlinder was nog iets minder talrijk, maar elke zomerdag fladderden er wel enkele tussen onze bloemen. In mijn herinnering nog minder talrijk en vooral groter, en daarom des te meer bijzonder, waren de dagpauwoog en de nummervlinder. Als ik van die soorten er een of meer in de tuin zag, riep ik er mijn ma bij om ze te tonen. En vice versa: zag mijn moeder er een, wist ik het ook meteen. Nu en dan vloog er ook een koninginnenpage over, en dat was altijd speciaal: zelfs al wisten we dat de rupsen op het loof van worteltjes zaten, en die groeiden tenslotte in zowat iedere hof, de vlinder bleef een memorabele verschijning. Ook in kleiner aantal, maar wel altijd aanwezig, waren de landkaartjes, met hun variërende verschijningsvorm doorheen het jaar. Bijzondere sympathie ging uit naar de blauwtjes, waarvan er nu en dan enkele verdoolde exemplaren konden worden gespot, en naar de zandoogjes, die ook een enkele keer op de sedums, de calendula's, de zinnia's en de stinkerdjes neerstreken. En dan waren er natuurlijk de grote en de kleine koolwitjes en het klein geaderd witje die, ik geef het toe, met veel minder egards werden behandeld en nauwelijks een blik waardig werden gevonden, hoewel, of misschien juist omdat, ze in zo'n grote aantallen werden gezien.

Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album)

Toen ik zo'n jaar of tien was, probeerde ik een vlinderverzameling aan te leggen. Met een netje of gewoon met de hand ving ik de vlinders, deed ze in een potje waarin ik eerst een in ether of alcool camphré gedrenkt watje had gestopt, en daarna prikte ik ze op een piepschuimen bord, nadat ik met een paar speldjes en reepjes papier de vleugels mooi gespreid had. Determineren deed ik met behulp van het enige vlindergidsje dat ik kende, de Natuurgids voor de vlinders van Europa van Yves Letouche, een piepklein boekje met redelijk goede tot bar slechte kleurenfoto's van opgezette vlinders, de vlinderafbeeldingen in Planten en dieren van Europa van Harry Garms, een boek dat ik met Sinterklaas had gekregen en dat toen voor mij zowat de status van de Bijbel had, en aan de hand van de kleurenprenten van het Natuurhistorisch Museum in Brussel, verspreid door de Fort Produkten (album De Insekten van België). Lang heb ik het niet volgehouden: ik vond het wat zonde van de vlinders, die als ze op een plaat waren geprikt al snel verstoften en pootjes en sprieten kwijtspeelden.

Kleine vos (Aglais urticae)

De vlinderaantallen uit de jaren 1960 waren, vergeleken met wat je vandaag te zien krijgt in de doorsnee tuin, zonder meer immens. Ik heb dit jaar al één (1) vlinder in mijn Kielse tuintje gespot, een citroentje. Dat was begin april: sindsdien niets, nada (ik schrijf dit op 19 juni). Ik verwacht me, van zodra mijn buddleja's bloeien, aan nu en dan een dagpauwoog, een gehakkelde aurelia of een atalanta, met tussendoor ook wat blauwtjes. En misschien belanden een paar distelvlinders uit de grote zwermen die momenteel doorheen Europa van zuid naar noord trekken wel in de Schijfstraat, wie weet. Kleine vossen, de onwaarschijnlijk talrijke pannenplakkers uit mijn kinderjaren en jeugd, verwacht ik niet: die heb ik al in jaren niet meer gezien in mijn tuin. Waarschijnlijk zijn er in de omgeving van mijn huis en hof nergens nog grote brandnetels waaraan de rupsen zich dik en rond kunnen vreten. Net zoals er nog nauwelijks een tuin is met worteltjes voor de koninginnenpagerupsen, kolen of spruiten voor de rupsen van de koolwitjes, distels voor die van de distelvlinder. Vroeger had je in iedere hof wel een mesthoop, en daarrond tierden de brandnetels welig. Ze deden het ook goed op verloren lapjes grond, tussen de huizen en langs straten en wegen, vooral op de plekken waar de hond werd uitgelaten en de baasjes graag een plas deden. Die achterafperceeltjes worden tegenwoordig meestal met grind bedekt, geasfalteerd of gebetonneerd, en als er nog ruimte wordt gelaten voor enige plantengroei, krijgt die al snel een paar keer per jaar een of ander verdelgingsmiddel te slikken. In tuinen heeft de variëteit aan bloemen en groenten van voorheen meestal plaats gemaakt voor gras, bamboe en buxus en waar er in perkjes en bloembakken nog eens een koolwitrups het waagt de oostindische kers te bezoeken, krijgt die prompt een insecticide op haar bast. Op het platteland is de grote variatie aan teelten vervangen door monocultuur van een of ander gewas, dat met pesticiden insect- en dus ook rups-vrij wordt gehouden. De droogte van de jongste zomers, met haar nefaste gevolgen voor de grondwatertafel, doet ook een duit in het zakje: hele vegetaties verdorren zonder meer. Zodat de rupsen geen voedsel vinden. Tel dit allemaal op, en je begrijpt dat het er niet goed uitziet voor onze Lepidoptera. Geen rupsen meer, en dus ook geen vlinders.
Jammer toch.

Clement Caremans (c) 2019


Nummervlinder (Vanessa atalanta)

zondag 16 juni 2019

Es gibt keine Maikäfer mehr








 

Es gibt keine Maikäfer mehr



Zo’n 20 km van Arezzo ligt het dorpje Ciggiano, een frazione van de gemeente Civitella in Val di Chiana. Arezzo, de geboorteplaats van Maecenas, Pietro Aretino en Giorgio Vasari is een mooie stad, die spijts de enorme oorlogsschade (grote delen werden in de Tweede Wereldoorlog platgebombardeerd) nog heel wat interessant cultuurhistorisch erfgoed bezit. Top of the bill is ongetwijfeld de kerk van San Francesco, met binnenin Piero della Francesca’s compleet gerestaureerde frescocyclus La Legenda della Vera Croce (en met vlak ertegenover het café waar een stuk van de vreselijke film La vita è bella, starring de gruwelijke Roberto Benigni, zich afspeelt.) Omdat de oorlog er zo’n huis heeft gehouden, moest veel worden heropgebouwd: een groot deel van Arezzo oogt dan ook naar Toscaanse normen verrassend modern.

Ook in Civitella zijn de sporen van de oorlog nog haast tastbaar aanwezig. Op 29 juni 1944 viel de Fallschirm-Panzer-Division 1 Hermann Göring het stadje binnen en vermoordde 244 burgers, als vergelding voor de dood van twee Duitse soldaten die werden omgebracht door partizanen. Dit leverde het stadje in 1963 een Gouden Medaille voor Burgermoed op en een resem werken van hedendaagse kunstenaars die op één of andere manier het bloedbad herdenken.

In Ciggiano zoek je vergeefs naar cultuurhistorische schatten, oude of recente. Ciggiano is een boerengat, met olijf- en wijngaarden op de hellingen van de heuvels en voor de rest macchia, waar bijen gonzen, cicaden tsjirpen, distelvinken kwetteren, hoppen roepen, uilen krassen en everzwijnen, stekelvarkens en reeën proberen uit het vizier van de immer schietgrage cacciatori te blijven.

Meikever. Schoolplaat ca. 1920.

Op een mooie meiavond (een cliché als een huis, io lo so, maar het wás een mooie meiavond) in 2004 landde in dit godvergeten Ciggiano pardoes een stel dikke kevers vlak voor mijn neus op de tafel waaraan ik zat te lezen. Ze hadden al een tijdje boven mijn hoofd gebromd en gezoemd zonder dat ik ze veel aandacht had gegund. Je kijkt in de Toscaanse heuvels niet op van een kevertje meer. Het krioelt er gewoon van de torren. Soorten die je hier bij ons nog nauwelijks aantreft, kruipen, rennen en vliegen er rond, dag en nacht: gouden en andere loopkevers, poppenrovers, neushoornkevers, julikevers, vuurvliegjes en glimwormen, gouden torren, mestkevers, kniptorren, kortschilden, snuitkevers en bokken en haantjes in zoveel vormen, kleuren en formaten dat het je begint te duizelen. Ik keek dus een beetje suffig naar wat op tafel was neergestreken – en was plotsklaps één en al concentratie. Meikevers! Ze kropen even rond op het houten tafelblad, de waaiervormige sprieten trillend in het rond tastend, tilden de kastanjebruine geribbelde dekschilden op, maakten pompende beweginkjes met het achterlijf en gingen dan weer de lucht in, traag, snorrend en ronkend.

Het was een kwarteeuw geleden dat ik er nog had gezien, van mei 1979 als ik het goed heb. Ik wandelde met mijn lief langs een haag ergens in Hoboken. Uit die haag vloog een kever op, een beetje gedesoriënteerd blijkbaar – want hij tuimelde naar beneden, kwam op zijn rug op de grond terecht en wriemelde driftig met de zes pootjes om weer in een comfortabeler positie te geraken. Mijn vriendinnetje wist niet wat voor een beest het was: ze had nog nooit een meikever gezien. Ik wel, al was dat (ook toen) jaren geleden. Van vóór 1965, veronderstel ik, toen de torren zich nog talrijk in de Hobokense beukenhagen ophielden en ’s avonds in zwermen uitvlogen en zich door straatlantaarns en verlichte ramen lieten lokken, waaronder je ze ’s ochtends dan kon vinden, uitgeput. De kevers werden uit de hagen geschud of onder de lantaarns opgeraapt en in een doosje meegenomen naar school, om daar vol trots te worden getoond. Molenaars, moldenaars of mulders werden ze genoemd en ze waren, net als knikkers, een gegeerd statussymbool. Niet alleen het blote aantal kevers dat je had kunnen verschalken, was van belang, maar ook het type: die met grote waaiers aan hun tasters (mannetjes) waren meer waard dan die met kleine (vrouwtjes)…

 
Benamingen voor de meikever in Nederlandse dialecten

Wat ik als kind op het vlak van meikevers onder ogen en in handen kreeg, was peanuts. Althans, dat wist ik van mijn vader, die me vertelde dat in de vroege jaren ’30 de Hobokense kinderen  in groep eropuit trokken om kevers te vangen, die soms zo massaal uitzwermden dat ze in de polder hagen en bomen helemaal kaalvraten. Ook in de verhalen van mijn grootouders waren de meikevers zo talrijk, dat het wel leek alsof zij het over bijbelse sprinkhanenzwermen hadden. Het liedje Er zijn daar geen meikevers meer, mijmert over de dagen dat schoolkinderen een vrije namiddag kregen om kevers te vangen. In het Ierse Galway zou in 1868 de hemel zijn verduisterd toen de zwermen meikevers overvlogen. En in 1564 waren er in de vallei van de Severn zoveel kevers, dat hun lijkjes in de beken het draaien van de watermolens blokkeerden.

Meikevers en wilde kastanje. In Die Gartenlaube, 1879.

De molenaars waren destijds niet alleen jachtbuit, maar ook speelgoed voor de kinderen: aan een pootje werd een draad bevestigd die men in de hand hield terwijl de kever rondvloog. Men hield de kever eerst tussen beide handpalmen en zong

Moldeneerke teld oew geld
En goat dan nog is vliege
Aanders komen de dieve;
De dieve nemen oe mee nor 't veld
Moldeneerke teld oew geld.

Dan liet men het diertje vliegen – zover als de draad aan zijn pootje toeliet, uiteraard.

Het geld tellen zou slaan op de knikkende, pompende bewegingen die de kever maakt voor hij wegvliegt.

Spelen met een kever aan een draad is bijzonder oud: Aristofanes vermeldt het al. Erg diervriendelijk was het spel niet, maar het kon veel erger. Paul Sébillot beschrijft met onverholen afkeuring een aantal behoorlijk wrede meikeverspelletjes in het aan La faune et la flore gewijde derde deel van Le folklore de France (1907). Soms werd de draad niet aan een pootje vastgemaakt, maar met een naald door het achterlijf gehaald. Of de draad waaraan een kever hing, werd niet in de hand gehouden, maar aan een molentje bevestigd, dat door de pogingen van het diertje om weg te vliegen aan het draaien werd gebracht. Of één dekschild werd omhoog geplooid, er werd een stokje onderdoor geschoven en het hele boeltje werd met een speld vastgezet: de kever kon alleen nog maar rondjes lopen rond het houtje, als in een tredmolen. Een moulin à cigales heette het resultaat. De in Vlaanderen en Brabant veel voorkomende naam voor de kever, molenaar (of een dialectvariant), heeft overigens niets met dit spel te maken, maar met het feit dat de dekschilden van veel meikevers met een soort poeder of meel bestoven lijken. Ook in het Duits noemden kinderen de kevers die bepoederd lijken Müller, terwijl de donkere exemplaren Schornsteinfeger en de roodachtige Kaiser heetten. Andere volksnamen voor het diertje verwijzen naar zijn wat onbeholpen vlucht (Italiaans buffone, nar) of het gezoem dat die voortbrengt (Frans bruant of bourdienne, Duits burrer, burrkäwer of klette). De Engelsen hebben het gewoonlijk over cockchafers, waarbij het element cock mogelijk een mannelijke connotatie heeft en chafer een oud woord is voor "kever", maar ook zij hebben namen die naar het geluid van de vlucht verwijzen. "At the time of the V1 flying bombs, in 1944, cockchafers were known in the north-London area as 'doodlebugs'. The beetle often flew through open bedroom windows, making a clattering noise, which abruptly ceased when they came to rest - just like the V1 doodlebugs, whose jet engine would cut shortly before the explosion." (Peter Marren & Richard Mabey, Bugs Britannica)

Niet alleen kinderen waren gefascineerd door de meikever. Volgens Grimm (Deutsche Mythologie) was tot zeker halfweg de 17de eeuw op het Duitse platteland de kever een lentebode, en werden ieder voorjaar de eerste exemplaren met enig feestgedruis verwelkomd. Hij gold hier en daar ook als geluksbrenger in het algemeen en als kinderbrenger in het bijzonder, zoals de ooievaar:
 
Heergottsmoggela flieg auf
Flie mir in den himmel auf,
Bring a goldis schüssela runder
Und a goldis wickelkindla drunder.

(Meikever vlieg omhoog
Vlieg met mij de hemel in
Breng een gouden sleutel mee
En een gouden busselkind.) 
 
Paul Thumann, illustratie bij Maikäfer flieg. Für Mutter und Kind. Alte Reime, mit
neuen Bildern vol Paul Thumann. 2. Auflage. München, Theodor Stroefer's
Kunstverlag, 1881.

Anselm Kiefer, Maikäfer flieg! Mixed media, 1974. Staatliche Museen zu Berlin, Nationalgalerie, Sammlung Marx Museum Frieder Burda.

Een ander, erg bekend liedje dat Duitse kinderen zongen wanneer ze een gevangen meikever weer lieten vliegen, bevat volgens oudere folkloristen als Wilhelm Mannhardt echo’s uit prechristelijke tijden.

Maykäfer fliegt!
Der Vater ist im Krieg.
Die Mutter ist im Pommerland.
Und Pommerland ist abgebrandt.


Dit is de versie uit Nedersaksen die Johann Karl Christoph Nachtigal geeft in Volcks-Sagen. Nacherzählt von Otmar (1800). De tekst die Achim von Arnim en Clemens Brentano in Des Knaben Wunderhorn (1806-1808) opnamen, komt uit Hessen en geeft als regio waar de oorlog woedt "Pulverland". Naast “Pommerland” en "Pulverland" zijn er ook varianten met “Hollerland”, “Schwabenland”, “Polenland” en “Engelland”. Engelland, zegt Mannhardt, staat het dichtst bij de oorspronkelijke tekst. Het heeft geen uitstaans met de Britse Eilanden, maar is de gekerstende versie van Elbenland, het land der elven alias het dodenrijk. De brand uit de liedtekst verwijst naar de wereldbrand waarmee in de Germaanse mythologie de wereld eindigt, de Ragnarök uit de Poëtische Edda. Waarom de kever dan wel met het rijk der doden en het wereldeinde geassocieerd zou zijn geweest, is echter niet duidelijk en de visie van Mannhardt hoort meer dan waarschijnlijk in het rijk der fabelen thuis.
Vandaag maakt vooral de opvatting opgeld dat het lied uit de Dertigjarige Oorlog stamt, toen Pommeren zwaar te lijden had en haast werd ontvolkt. Of dit klopt, is nog maar de vraag: de oudste versie waarin aan Pommeren wordt gerefereerd, dateert van 150 jaar na de Dertigjarige Oorlog. Latere versies van het lied tonen overigens dat in de tekst vaak allusies op de politieke situatie van het moment werden opgenomen. Zo is de revolutie van 1848 gul vertegenwoordigd, met onder andere verwijzingen naar de politieke voormannen Friedrich Hecker en Gustav Struve.

Der Maiakäfer fliegt,
Der Häcker ist em Kriag,
Der Häcker ist em Oberland,
Der Häcker ist em Unterland.
(Württemberg)

Kåəferlə, Kåəferlə fliag!
Dər Heckər išt im Kriag,
Dər Struve išt im Obərland.
Und macht d’Republik bəkannt.
(Ulm)

Voor de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer is het lied zelf politiek geladen: voor hem verwijst het naar zijn kindertijd in het naoorlogse (Kiefer is van 1945), gebrandschatte Duitsland. Het gigantische werk Maikäfer flieg! toont een opengereten, geteisterd, smeulend land; in een hoekje van het tableau is de tekst van het kinderliedje geschreven.

Dat de kever met kinderen en geboorte werd geassocieerd, ligt voor de hand en heeft ongetwijfeld te maken met de enorme aantallen waarin de meikever in vroeger dagen voorkwam. Opvallend is vooral dat het massale optreden van de kever een duidelijke periodiciteit vertoonde: het ene jaar waren er geweldig veel kevers – men heeft het wel over een meikeverjaar –, dan bleken ze enkele jaren veel schaarser voor te komen om vervolgens weer en masse op te duiken. Deze populatieschommelingen zijn het gevolg van de specifieke levenscyclus van de kever.

Melolontha melolontha, wijfje.
Melolontha melolontha, mannetje.
Meikever larve (engerling).

Meikever, pop.
Melolontha hippocastani.

Er zijn vier soorten meikevers in Europa: de gewone meikever Melolontha melolontha (L.); Melolontha hippocastani F., die vooral in bossen op zandige gronden te vinden is; de tot Spanje en Portugal beperkte bleekgekleurde Melolontha papposa Ill. en Melolontha pectoralis Germar. uit Italië en de Balkan. Waarschijnlijk behoorden de dikkerds die ik in 2004 in Ciggiano zag tot de laatste soort. Alle vier de soorten hebben een gelijkaardige levenswijze en maken eenzelfde ontwikkelingscyclus door. De volwassen kevers verschijnen in april-mei (M. papposa soms al eind februari.) Ze hebben zich als larve zo'n vier jaar in de grond opgehouden. De engerlingen – zo worden de larven genoemd – voeden zich met plantenwortels en zijn extreem vraatzuchtig. Ze zijn telkens actief van april tot oktober, overwinteren een maand of vijf, en vreten zich dan gedurende de warmere maanden weer te barsten (aan wortels van grassen, granen, bieten, aardappelen, tot fruitbomen toe) tot de volgende winterslaap eraan komt. Na de derde zomer, als ze zijn uitgegroeid tot dikke witte beesten van ca. 5 cm lengte, kruipen ze dieper de grond in om te verpoppen. Het volgende voorjaar komt uit de pop een kever tevoorschijn. Die zoekt een boom, haag of bos op en stort zich op de rijk gevulde dis: bladeren van eik, beuk, haagbeuk, esdoorn, paardekastanje, walnoot, pruim of kers. Na een week of twee zijn de kevers geslachtsrijp: ze paren en keren weer naar de akkers en weidegronden om er hun eieren te leggen. De wijfjes graven zich zo'n 15 cm in en deponeren een ei of twintig, waarna twee op drie sterven. De overigen trekken weer boswaarts, grazen nog eens een paar weken en houden daarna een tweede legronde. Uit de eitjes komen nieuwe engerlingen, en een nieuwe vierjaarlijkse cyclus vat aan. Merkwaardig is, dat over grote gebieden de ontwikkeling van ei tot kever min of meer synchroon verloopt, zodat er elk derde à vierde jaar veel meer kevers zijn dan in de tussenliggende jaren. Naast deze korte cyclus blijkt er ook nog een langere te zijn van zo’n dertig jaar: zowat alle dertig jaar zijn er éxtra veel kevers.

Meikever, kniptor en langpootmug. Schoolplaat van M.A. Koekkoek.

De meikever. Didactische illustratie van Jos Fleischmann. De hele levenscyclus wordt getoond, van ei tot bruidsvlucht.





Volwassen meikevers kunnen zich aardig laten gaan als ze in een boom of haag neerstrijken. Enkele exemplaren betekenen niet zoveel, maar een grotere vlucht vreet al gauw alle bladeren weg. Vache de chêne werd de kever daarom hier en daar in Frankrijk genoemd, omdat hij als een koe de eiken afgraast.

Een kaalgevreten boom is natuurlijk geen gezicht, maar gewoonlijk keren de bladeren snel terug en is er nauwelijks blijvende schade. Al met al is de impact van volwassen meikevers weinig dramatisch. De ondergronds levende engerlingen zijn echter een ander verhaal. Jarenlang vreten zij aan plantenwortels, met een bijzondere preferentie voor jong wortelweefsel. De gevolgen van deze vraat zijn aanzienlijk – begin 20ste eeuw werd de jaarlijkse schade in Frankrijk op 250 miljoen tot 1 miljard francs geraamd – en meikeverlarven waren dan ook eeuwenlang een ware pest voor de landbouw, waartegen men op diverse manieren ten strijde trok.

In 1320 werden in het Zuid-Franse Avignon meikevers voor de rechtbank gedaagd en veroordeeld om zich binnen de drie dagen in een voorgeschreven gebied terug te trekken; gaven ze geen gevolg aan het vonnis, stelden ze zichzelf buiten de wet en werden ze vogelvrij. De kevers legden het vonnis naast zich neer en werden gevangen en gedood. Het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens maakt melding van soortgelijke processen in Zwitserland, waar in Bern (1478) en Lausanne (1480) meikevers voor de rechtbank werden gedaagd en veroordeeld om de schade die ze hadden veroorzaakt. In het 16de-eeuwse Frankrijk werden de hemelse machten erbij gehaald om meikevers uit een wijngaard te verdrijven. Men vertrouwde op de kracht van een vers uit Psalm 35, Ibi ceciderunt qui operantur iniquitatem, expulsi sunt, nec potuerunt stare, om de diertjes weg te krijgen. In feite werden de velden geëxorciseerd. Nog in 1833 werden in Frankrijk meikevers volgens zo’n ritueel uitgebannen.

Een beproefde methode, aldus Alfred Brehm in zijn Tierleben, bestond “in het vangen en doden der kevers in elk jaar en overal waar ze zich vertonen, het liefst des morgens, wanneer zij door de nachtkoelte nog verstijfd zijn. Wat in dit opzicht gepresteerd kan worden is o.a. bewezen in 1868 in Saksen. Gelijk de hierover bestaande aantekeningen tonen werden er toen 30.000 centenaars van gedood. Wanneer wij ons aan dit getal houden (het werkelijke aantal zal waarschijnlijk nog wel groter zijn geweest dan het officieel opgetekende) dan betekent dit gewicht een hoeveelheid van ongeveer 1599 millioen kevers, daar volgens herhaalde tellingen gemiddeld 530 in een pond gaan.” Tijdens een keverklopjacht in 1911 werden in een stuk bos van 18km2 meer dan 20 miljoen kevers gevangen. De buitgemaakte kevers werden nuttig gebruikt: ze werden met kokend water gedood, met kalk gemengd en ondergespit als mest. Ook werden ze gegeten. In Frankrijk, uiteraard, maar ook in Duitsland. Men maakte er soep mee, die als kreeftensoep smaakte (maar lekkerder, zeggen de recepten).

Wilhelm Busch, Max en Moritz schudden meikevers uit een boom.

Tot halfweg de 20ste eeuw was de strijd tegen de meikever een vechten tegen de bierkaai. Dan keerde het tij. Na de Tweede Wereldoorlog onderging de landbouw in Europa drastische wijzigingen. Hij werd geïndustrialiseerd. Door grootschalige ruilverkaveling en overschakeling op monocultuur van slechts een beperkt aantal gewassen, werd de biodiversiteit sterk gereduceerd. De veralgemening van gemechaniseerde grondbewerking had een enorme impact op de bodemstructuur en de daarmee samenhangende bodemfauna en –flora. Maar vooral: er werden chemische bestrijdingsmiddelen geïntroduceerd en al spoedig op zeer grote schaal toegepast. Koploper waren de gechloreerde koolwaterstoffen, met als absolute numero uno DDT, dichloor-difenyl-trichloorethaan, dat zowel tegen treksprinkhanenzwermen als tegen bladluizen in bloembakken werd gebruikt. In enkele decennia was de hele voedselketen wereldwijd besmet met DDT: het werd aangetroffen in drinkwater, in de melk van Europese en Amerikaanse jonge moedertjes, in de eieren van pinguïns op Antarctica. DDT verstoorde de calciumhuishouding, waardoor vooral roofvogels aan de top van de voedselpiramide nog nauwelijks levensvatbare eieren konden leggen. Ecologische profeten als Rachel Carson (Silent Spring) trokken tegen de vergiftiging van de biosfeer ten strijde en werden aanvankelijk als halfgaren weggehoond. Tegen 1970 had men echter door dat DDT het metabolisme van zowat elk denkbaar organisme ontregelt en dus maar best kon worden verboden en uit de handel genomen. Zo gebeurde, maar de resultaten van zo'n vijfentwintig jaar geklooi met het goedje (en uiteraard ook met ander lekkers, zoals parathion, inmiddels eveneens verboden) logen er niet om. Hele insectenpopulaties waren van de kaart geveegd. Ook de meikever was ei zo na verdwenen. Het ooit zo talrijke beestje, waarmee generaties kinderen waren opgegroeid, werd een wat schimmig wezen uit de verhalen van vroeger dagen, een haast mythologisch dier dat symbool stond voor de tijd toen het platteland nog niet geasfalteerd, gebetonneerd en vol gif gespoten was, toen in de sloten nog salamanders en stekelbaarzen rondzwommen en op de akkers wat anders groeide dan maïs, maïs of maïs. Es gibt keine Maikäfer mehr, zong de Duitse kleinkunstenaar Reinhard Mey in de jaren '70 en zijn liedje werd al snel ook in het Nederlandse taalgebied populair, in de originele versie of in de vertaling van chansonnière en tv-babe avant-la-lettre Martine Bijl,

…Maar geen meikever wil wonen in een stad van grijs beton,
'k Zou al heel gelukkig zijn als ik er eentje vinden kon .
Ach - het is allang voorbij en echt belangrijk is het niet,
Maar toch schrijf ik op een berkenblad dit kleine keverlied.
En de kinderen die het horen zullen glimlachen misschien
Want ze hebben van hun leven nooit een meikever gezien.
En zo zullen zij nooit weten hoe die krabbelt, graaft en bromt,
Hoe hij in de late schemering pas goed tot leven komt,
Hoe hij vliegt met z'n antennes als een waaiertje gespreid,
Hoe hij woont in de kastanje of in 't groene grastapijt,
Hoe hij trots en glimmend rond zoemt met het zonlicht op z’n schild,
Hoe hij dommelt op het land dat in de zomerhitte trilt -
Maar hun leven is geëindigd en voorbij hun korte uur
En we zullen ze misschien wel achterna gaan op den duur.

Als ik dan nog eens op jacht ging,
Was het vast de laatste keer.
Er was zoveel om je heen
En dat is allemaal verdwenen
En geen macht op deze aarde brengt het weer -
Er zijn daar geen meikevers meer,
Er zijn daar geen meikevers meer.

Er schemert onmiskenbaar enig ecologisch bewustzijn door in deze lyrics, maar de hoofdtoon is er toch één van pure nostalgie: où sont les neiges d’antan, maar dan met kevers. Nu is nostalgie best een fijn gevoel om zo nu en dan in te wentelen, maar ver komen we er niet mee. Het quasi verdwijnen van Melolontha melolontha roept echter een aantal vragen op die dieper gaan dan heimwee naar de tijd van paard en kar. Niet alleen het lot van de meikever geeft trouwens aanleiding tot het stellen van die vragen, maar dat van ieder organisme dat ten gevolge van onze aanwezigheid op de aarde in slechte papieren zit, of daar nog gaat belanden.

Zoals: hoe gaan we om met de (andere) organismen die onze planeet bevolken? Moeten we ons, toegerust als we zijn met een bewustzijn en een vermogen tot ethisch besef, houden aan een ethische code tegenover niet-menselijke organismen? Is zo’n ethiek überhaupt mogelijk? Hebben niet-menselijke organismen rechten? Op welk niveau worden die rechten dan toegekend: op soortniveau, op individueel niveau? Zijn die rechten, is dat ethische systeem, altijd van toepassing of alleen als het ons goed uitkomt – gaan we, met andere woorden, organismen die ons tot nut zijn koesteren en de rest bestrijden? En als we gaan bestrijden, is het toelaatbaar dat we hele soorten en groepen van soorten van de aardbodem vegen? Of mogen we alleen bestrijden in evenredigheid met de aan ons toegebrachte schade? Of heeft onze relatie met het leven op aarde helemaal geen ethische dimensies, en is wat we ook doen altijd correct want nu eenmaal onze rol in het ecosysteem? Moeten we ons veeleer laten leiden door esthetische overwegingen? Zijn dieren, planten, zwammen – wat mij betreft hele ecosystemen – erfgoed, dat we moeten conserveren voor ons nageslacht? Of is het louter materie, waarover we ad libitum kunnen beschikken zoals het ons uitkomt? Of heeft misschien ieder organisme een intrinsieke waarde an sich, ongeacht het een mens, een mollusk of een slijmschimmel betreft?

Ik kan zo nog wel even doorgaan. Sommige van deze vragen zijn mogelijk gratuit, andere gaan echter over de essentie van onze positie in de wereld. Bovendien: wie al eens het journaal ziet of hoort of nu en dan een krant leest, weet maar al te goed dat de vragen die ik hier stel in verband met niet-menselijk leven, zo te zien zelfs wat betreft medemensen niet zomaar tot glasheldere antwoorden leiden met daarin onwrikbare universele waarheden. Zolang er binnen onze eigen soort over de hele wereld individuen en groepen fundamentele rechten worden ontzegd omwille van huidskleur, taal, seksuele geaardheid, geslacht, leeftijd, gezondheidstoestand of religieuze of politieke overtuiging, lijkt mijn vraagstelling over dierenrechten mogelijk bij de haren getrokken. In discussies over deze materie in kringen waarvan de weldenkendheid nauwelijks kan worden betwijfeld, is het dan ook een veelgehoorde dooddoener dat alle geleuter erover zinloos is: zwam niet over de beestjes, zolang nog met mensen wordt gesold. Gewoonlijk valt al snel de naam Hitler - en inderdaad, het valt niet te ontkennen dat het regime dat door deze man werd gevestigd, aan de ene kant op basis van een volstrekt imaginair rassenbegrip miljoenen Joden en andere zogezegd inferieure mensen de dood injoeg, maar anderzijds zeer begaan was met de rechten van het dier en al op 24 november 1933 een wet op de dierenbescherming uitvaardigde. Bekommernis om dieren garandeert geenszins een hoge graad van humaniteit. Bekommernis om mensen evenmin, trouwens: wereldwijd lopen er ook vandaag nogal wat rond die bijvoorbeeld het ongeboren menselijke leven onaantastbaar en heilig achten maar geen moeite hebben dit te rijmen met de overtuiging dat, eens geboren, datzelfde leven desnoods tot pulp mag worden geschoten omdat het andere opvattingen aankleeft. Of dat het geen recht meer heeft op ziektebijstand zodra het een bepaalde leeftijd heeft bereikt, zoals een niet onaanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking volgens een recent onderzoek van de socioloog Marc Elchardus zou vinden.

De meikever. Illustratie uit Claus Caspari,
Mitteleuropäische Insekten, 1956.

Maar ik had het dus over insecten. Insecten tarten onze opvattingen over dierenliefde en dierenrechten. Ze rammelen en rukken aan wat wij als ons respect voor de natuur beschouwen. Ze confronteren ons meedogenloos met de naakte waarheid dat we het niet-menselijke leven voornamelijk appreciëren voor zover het op ons lijkt. In onze relatie met de biosfeer gedragen we ons tot en met antropocentrisch. Intuïtief behandelen we levende organismen anders naarmate we ze ervaren als dichter of verder van ons af op de scala naturae, de grote ladder van het bestaan. Zoogdieren liggen ons het meest na aan het hart. Niet verwonderlijk: wij behoren zelf tot die groep. In het bijzonder mensapen - gorilla's, chimpansees, orang oetans - ervaren velen bijna als soortgenoten, hetgeen biologisch ook welhaast klopt: deze dieren behoren tot dezelfde familie als wij, de Hominidae, en staan genetisch zéér dicht bij ons. Ook jonge zoogdieren hebben het vermogen bij mensen een gevoel van sympathie op te wekken dat sterk lijkt op wat menselijke kinderen kunnen activeren. Ronde hoofdjes, grote ogen, dons… het maakt het juveniele zoogdier – het kitten, de pup, het hertenkalfje – onweerstaanbaar. Bambi rules. Zelfs voor killers als beren en wolven voelen we wat. Ooit was het natuurlijk anders, maar vandaag vindt een westers mens met een beetje beschaving dat je géén wolf afknalt, ook niet wanneer hij al eens een schaap pakt. Vogels – óók warmbloedige vertebraten, zij het al wat verder van ons af – maken misschien minder emotie los dan zoogdieren, maar liggen ons niettemin veel nader aan het hart dan reptielen en amfibieën. Slangen en krokodillen (hoewel die laatste taxonomisch héél dicht bij de vogels staan) stoten velen van ons ronduit af. Voor slangen bestaat er zelfs een specifieke fobie, die soms panische dimensies kan aannemen: ophidiophobia. Vissen, gewerveld maar evolutionair op een flinke afstand van ons, laten ons redelijk koud. Denk aan de verontwaardiging van dierenactivisten die ageren tegen het wrede lot van dolfijnen die per ongeluk in de netten van tonijnvissers verstrikt raken, maar heel wat minder moeilijk doen over de tonijnen zelf, waarvoor het blik, in olie of in eigen nat, blijkbaar de logische bestemming is.

Voor invertebraten voelen we in de regel geen bal. Weekdieren – mosselen, inktvissen en slakken – doen ons niks. Geleedpotigen – insecten, spinnen, schorpioenen, schaaldieren – kunnen wel enige fascinatie of esthetische appreciatie opwekken, maar staan te ver van ons af om gevoelens van sympathie in het leven te kunnen roepen. Integendeel: vaak stoten ze ons af – in het geval van spinnen zelfs heel extreem. We kunnen ze ook niet echt bevatten. Ze zijn met teveel. De meikever behoort tot een familie met ca. 20.000 beschreven soorten. De orde van de kevers, Coleoptera, telt minstens 300.000 verschillende species: tenminste, zoveel ongeveer zijn er ooit wetenschappelijk beschreven. Ramingen over hoeveel soorten er écht zijn, lopen uiteen en gaan van twee tot tien miljoen. In dit verband doet een aardige anekdote de ronde over de Britse bioloog J.B.S. Haldane. Gevraagd naar wat volgens hem (overtuigd atheïst en materialist overigens) op basis van zijn dagelijkse omgang met de schepping, de belangrijkste karaktertrek was van de Schepper van dat alles, opperde hij dat dat ongetwijfeld an inordinate fondness for beetles moest zijn, een buitensporig zwak voor kevers. Het aantal exemplaren kevers dat op de aarde rond kruipt, loopt, graaft, zwemt of vliegt, is al helemaal niet te vatten: waarschijnlijk gaat het om vele duizenden miljarden. Ik zeg bewust exemplaren, niet individuen. Want als we het over insecten hebben, is individualiteit wel het laatste waaraan we denken. Ook dat is één van de problemen in onze appreciatie van deze dieren: ze hebben te weinig individualiteit. Andere dingen hebben ze dan weer te véél: te veel ogen, te veel sprieten, te veel poten.
Het icoon van WWF is niet voor niets een reuzenpanda, en geen bidsprinkhaan of tsetsevlieg.




Natuurlijk verdient dit alles enige nuancering. Mensen uit diverse beschavingen hebben in de loop der tijden heel verschillende houdingen tegenover de natuur, en dus ook tegenover insecten, aangenomen. Wij, 21ste-eeuwse Europeanen, zijn erfgenamen van joods-christelijke en rationalistische wereldvisies. Het bijbelse boek Genesis windt er geen doekjes om: de hele schepping is er ten bate van de mens. “Wees vruchtbaar en word talrijk”, zegt God tot de mens, “bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.” En na de Zondvloed zegt hij tot Noach: “Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld. Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen…” Deze zeer antropocentrische benadering werd nog versterkt door het rationalistische denken, dat al wat niet met rede begiftigd is zag als niet veel meer dan een machine. Andere denksystemen zagen of zien het anders. In het Egypte van de farao’s was elk organisme de manifestatie van een goddelijke kracht. Voor Hindoes en Jains is er een absolute continuïteit in al wat leeft, van grasspriet tot mens tot olifant tot kever. Een quasi eindeloze cyclus van wedergeboorten voert een ziel langsheen alle denkbare levensvormen. Het doden van een dier, zelfs om je ermee te voeden, is in die context ongeoorloofd.

Laat ik even de hand in eigen boezem steken. Hoe staat het met mijn respect voor de rechten van het niet-menselijke leven? En meer specifiek voor de afdeling insecten van dat niet-menselijke leven? Ik denk dat ik niet al te consequent ben. In mijn Hobokense kindertijd en jeugd heb ik nogal wat beesten zien slachten en heb ik ook zelf één en ander naar gene zijde geholpen: kippen, duiven, eenden, konijnen. Kippen waren er om eieren te leggen, en als de eieren uitbleven, restten er nog de soep of de braadpan als lotsbestemming. Ik heb gevist. Ik heb ook insecten verzameld en op een bord geprikt. Later kreeg ik het wat moeilijker met het eigenhandig doden van dieren. Ik besef echter dat ik, zolang ik vlees eet, met mijn op latere leeftijd verworven gevoeligheid op dit vlak enigszins naar hypocrisie neig. Ik respecteer de keuze van vegetariërs om geen vlees te eten, maar vind hun stelling dat ze zich tot plantaardige voeding beperken uit eerbied voor het leven weinig steekhoudend en au fond uiterst antropocentrisch. Eigenlijk lijkt een wat utilitaire kijk op de zaak me nog het zinnigst: een mens moet nu eenmaal eten om te leven en tenzij kweekvlees uit stamcellen een wereldwijd succes wordt, we op astronautenvoeding overschakelen of de fotosynthese onder de knie krijgen, zal dat eten altijd ten koste gaan van ander leven, dierlijk of plantaardig. Wilde zoogdieren en vogels moet je zoveel mogelijk met rust laten, vind ik. Idem dito wat betreft reptielen en amfibieën. Ik heb graag een stukje vis op mijn bord maar ben bereid te passen voor de consumptie van bepaalde soorten als dat hun bestand kan vooruit helpen - dan maar geen geelvintonijn of kabeljauw, hoe hemels die ook kunnen smaken. Invertebraten laat ik met rust als ze mij met rust laten. Dat wil zeggen: de slakken die mijn hosta’s kaalvreten gaan eraan, de rest laat ik ongemoeid. Al wil een escargot met lookboter er op tijd en stond wel in, en zijn mosselen, oesters en inktvissen niet te versmaden. Met insecten ben ik hopeloos inconsequent. Een libel, kever of sabelsprinkhaan zal ik nooit bewust om zeep helpen, maar ik mep wel genadeloos elke bromvlieg neer die om mijn hoofd zoemt en ik plet niet zonder enig genoegen dazen en muggen fijn vóór ze mij hebben kunnen steken. Als mijn kat met vlooien thuiskomt, wordt het pipet met fipronil gehanteerd. Voor bijen, hommels en (zelfs) wespen heb ik veel sympathie, niet alleen omdat ik weet hoe essentieel bijen en hommels zijn voor het wereldwijde voortbestaan van de vegetatie of omdat hommels zo'n fascinerend metabolisme hebben, maar ook omdat ze zo gezellig zoemen. De bladluizen op mijn Philadelphus kunnen uiteraard niet op enige consideratie rekenen. Vlinders laat ik met rust, tenzij het kleermotten zijn natuurlijk. Ik tolereer de leliekevertjes die gaatjes vreten in mijn lelies - ik vind ze even mooi als de lelies, jawel - maar houtworm krijgt één of ander gif op zijn verdoemenis en als kind en jonge snaak heb ik in de ouderlijke tuin duizenden coloradokevers om zeep geholpen: de patatten gingen voor. Het lijkt me bijgevolg evident dat bijvoorbeeld sprinkhanen, die in Afrika en Azië nog altijd plagen vormen die mislukte oogsten en dus armoede, ziekte en hongerdood betekenen, waar nodig krachtdadig worden bestreden. Maar systematische uitroeiingsprogramma's voor hele soorten kan ik alleen maar misdadig vinden.

In elk geval: de meikevers die op een mooie meiavond 2004 in Ciggiano pardoes landden op de tafel waaraan ik zat te lezen, maakten me, wel ja, gelukkig.

Sindsdien werd het weer stil aan het meikeverfront. Ik kwam nog wel in Toscane, maar niet meer in mei: geen meikevers dus. In de Pyreneeën zag ik een paar jaar later in juni à volonté vliegende herten, spectaculaire grote verwanten van de meikever. Een vriendin vertelde me in diezelfde tijd dat haar zoon in Ekeren een meikever had gevangen. Mijn betere helft zag er eerst één in het Rivierenhof en later een paar keer in het Middelheimpark, waar ze werkt.

Een paar keer een meikever: het klinkt maar mager. Veel gebrom en gezoem kan dat niet opleveren. En soep zal je er ook niet mee maken.




In afwachting van betere tijden geef ik echter alvast het recept, overgenomen uit de 18de editie (1ste druk 1880) van Bertha Heyden's Kochbuch oder gründliche Anweisung, einfache und feine Speisen mit möglichster Sparsamkeit zuzubereiden, unter besonderer Berücksichtigung der Fortschritte, die in der Chemie gemacht sind:

“Man fängt die Maikäfer, von denen man 30 Stück auf eine Portion nehmen kann, frisch ein, tötet sie, löst ihnen die hornartigen Flügeldecken ab und zerstößt sie, nachdem sie sorgfältig gewaschen, in einem Mörser. Dann thut man ein gutes Stück Butter in eine Kasserole, und wenn dieselbe steigt, die gestoßene Masse hinein und lässt sie ¼ Stunde darin rösten. Dann giebt man leichte Bouillon darauf, am besten Kalbfleischbrühe und lässt sie ½ Stunde damit kochen. Wenn dieselbe durch ein Sieb gegossen, schwitzt man 2 Löffel Mehl in Butter, giebt es zur Suppe, lässt diese damit glatt kochen und zieht sie kurz vor dem Anrichten mit einigen Eidotter ab.
Wenn man nur leichte Bouillon zu dieser Suppe nimmt, wird dieselbe doch durch die Maikäfer kräftig und wohlschmeckend, so dass man nicht versäumen sollte, in der Jahreszeit, wo es Maikäfer giebt, dieselben auszunutzen. Warum man vor dem nicht unschönen Maikäfer bisher Abscheu empfand, ist nicht erklärlich, da man doch Krebse verspeist, die weniger appetitlich aussehen.
Maikäfersuppe ist der Krebssuppe ähnlich, nur kräftiger und wohlschmeckender.”



Bon appétit!



Clement Caremans ©2014





Selectieve bibliografie


Luc Auber: Coléoptères de France. 3 fasc. Fasc. I Carabes, Staphylins, Dytiques, Scarabées. Paris, Éditions N. Boubée & Cie, 1951. Hanns Bächtold-Stäubli & Eduard Hoffmann-Krayer. Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. 3., unveränterte Auflage mit einem neuen Vorwort von Christoph Daxelmüller. 10 vols. Berlin & New York, De Gruyter. 2000 (1ste ed. 1927-1942). A.E. Brehm: Het leven der dieren. 3 dln. Dl. 3 Kruipende dieren - Visschen - Insecten - Lagere dieren. Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland bewerkt door S.P. Huizinga. Tweede druk. Zutphen, P. van Belkum, s.a. A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Dl. V Ongewervelde dieren. Opnieuw bewerkt door Dr. W. Koch. In het Nederlands vertaald onder toezicht van R. Blijstra. Amsterdam, Uitgeversmaatsch. Enum & Antwerpen, Uitgeverij De Magneet, 1930. A.E. Brehm: Illustrirtes Thierleben. Eine allgemeine Kunde des Thierreichs. 6 Bde. Bd. 5. Wirbellose Thiere. Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts, 1864-1869. A.E. Brehm: Brehms Tierleben. 36 Bde. Bd. 25 Käfer 1. Nach der zweiten Originalausgabe bearbeitet von Dr. Adolf Mener. Wien, Hamburg & Zürich, Gutenberg-Verlag Christensen & Co., 1925. Carl Gustav Calwer: Het Keverboek. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1930. Gaëtan du Chatenet: Guide des coléoptères d’Europe. Neuchâtel & Paris, Delachaux & Niestlé, 1990. Arthur V. Evans & Charles L. Bellamy: An Inordinate Fondness for Beetles. Photography by Lisa Charles Watson. New York, Henry Holt and Company, 1996. Ed. Everts: Coleoptera neerlandica. De schildvleugelige insecten van Nederland en het aangrenzend gebied. 3 dln. 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1898-1922. Jean Henri Fabre: Souvenirs entomologiques. Études sur l'instinct et les moeurs des insectes. Paris, Éditions Robert Laffont, 1989. Karl Wilhelm Harde & František Severa: Kevers. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1989. André Janssens: Insectes – Coléoptères lamellicornes. Bruxelles, Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, 1960. G. Kruseman: De Insecten. Vrij bewerkt naar het Fransch van Paul A. Robert. 2 dln. Dl. I Coleoptera, Dermaptera, Orthoptera, Ephemeroptera, Odonata, Plecoptera, Isoptera, Mallophaga, Neuroptera, Mecoptera, Trichoptera, Strepsiptera, Apterygota. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1938. Walter Linsenmaier: Zwerftocht door het insektenrijk. Utrecht - Antwerpen, Het Spectrum, 1974. Peter Marren & Richard Mabey: Bugs Britannica. London, Chatto & Windus, 2010. Vincent H. Resh & Ring T. Cardé (eds.): Encyclopedia of Insects. Amsterdam, Boston, London etc., Elsevier Science-Academic Press, 2003. Paul Sébillot: Croyances, mythes et légendes des pays de France. Édition établie par Francis Lacassin. Paris, Omnibus, 2002. Leo Senden: Ons keverboek. Leuven, Davidsfonds, 1939. P. Van der Wiel: Welke kever is dat? Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1957.

Van mussen en mensen



Huismus, mannetje.
 


Van mussen en mensen




Vanochtend, toen ik even in de tuin een kijkje nam, was het een herrie van jewelste. Een groepje mussen maakte kabaal in mijn boerenjasmijn, vloog dan naar mijn lijsterbes om vervolgens verder de tieren en te schelden vanuit mijn grote Buddleia alternifolia helemaal achterin de tuin. Toen ik vervolgens van het Kiel naar het Hessenhuis fietste, viel me echter weer eens op dat ik onderweg geen mus hoorde of zag. Geen luid getjilp in dakgoten of boomkruinen, geen schelden en in het rond hippen op de straatstenen, geen driftig pulken aan een pluk vogelmuur of varkensgras, geen gehakketak over een broodkorst. Niks. Uiteraard ken ik nog een paar plekjes in het centrum van de stad waar je altijd wel mussen ziet of hoort: het plantsoentje rond Wilfried Pas' beeld van Van Ostaijen, tegenover het Letterenhuis, bijvoorbeeld, of het stukje groen tussen de Hofstraat en de Koraalberg. Je kan er ook vergif op innemen dat er wel eentje om kruimels zal komen bedelen als je op straat een broodje eet, op de Meir of aan de Leopold de Waelplaats bijvoorbeeld. Maar als je vandaag door Antwerpen wandelt of fietst, kom je onderweg toch eerder een merel of een houtduif tegen dan een mus. En je zal in de bomen van de Oever eerder het slaan van een vink horen dan mussengetjilp. Ook mijn tuintje moest het jarenlang stellen zonder mussen. Er nestelden heggenmussen, merels en kool- en pimpelmezen. Mijn buur had tussen de wilde wingerd aan zijn gevel een nestelende houtduif en in de kroonlijst van zijn dakgoot gierzwaluwen. Vanuit mijn tuin zag ik zeker twee spreeuwennesten. Voorts waren er in de buurt nestelende kauwen, eksters, Turkse tortels en (denk ik) roodborstjes. Een jaar of zes geleden zelfs een paar zwartkopjes, nu en dan ook groenlingen. Maar mussen: noppes. Dat was vreemd, want hooguit tien jaar tevoren, halfweg de jaren 1990, wemelde mijn straat nog van de mussen. Ze hadden hun nesten in de klimop van mijn ene buur, hingen vooral rond bij de krakkemikkige duivenhokken van de andere en slaagden er ieder jaar weer in het grootste deel van de knoppen van mijn blauwe regen weg te pikken. Zo tegen de eeuwwisseling verdwenen ze echter en jarenlang zag of hoorde ik er niet één. Waarom? Geen idee, al vermoed ik dat het verdwijnen van de klimop bij de ene buur en van de duiven bij de andere een rol hebben gespeeld. Niettemin: ze waren weg, de mussen. Tot mijn vrouw eerst aarzelend, dan redelijk fanatiek 's winters de vogels in de tuin begon te voederen. Silo's in diverse formaten werden overal opgehangen, één van zeker een meter twintig werd meegebracht van een vakantie in Dorset, de Britten zijn qua vogelgekte nu eenmaal niet te kloppen. Een voederhuisje, voederplank en her en der mezenbollen completeerden het vogelrestaurant. En zie, ze kwamen: eerst de vinken en de kepen, dan ook de mussen. Aanvankelijk slechts enkele, die bleven rondhangen zolang het winterde, maar in het voorjaar weer verdwenen. Maar jaar na jaar kwamen er meer en op zeker ogenblik ontdekten ze de inmiddels weer tot een dik muurtapijt uitgegroeide klimop bij mijn buur. Ze maakten er hun nesten in, ze brachten er hun jongen groot. Inmiddels had ik ook nieuwe buren gekregen aan de andere kant en die hadden kippen. Klimop, kippen naast de deur en een permanent aanbod van vogelvoer... de mussen bleven, zodat ik, als ik 's morgens voor ik naar het werk vertrek even mijn neus in de tuin steek, nog gauw wat gekwetter, getsjilp, gescheld en getier kan opsnuiven. 

Niettemin is het zo klaar als een klontje dat er wat aan de hand is.
Het gaat niet zo best met de mus.

Anton Korteweg, behalve dichter ook tot 2009 hoofdconservator van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag, het Hollandse Letterenhuis zeg maar, heeft dat ook gemerkt en zegt in Mussenlust:

Jeannette,
Kom jij er op pleintjes, terrassen,
achtertuintjes, toch kruimelige plekken
bij uitstek, nog wel eens een tegen,
zo'n goeiig, groezelig moeke,
pront, schudderig, brutale oogjes?
Toch ligt ze behoorlijk ver voor op
die stijve notabel merel.
Maar daar schiet een mens niks mee op,
nu nooit meer een vlerkerig, scheef kopje
even huiselijk als schichtig komt buurten
waar wat te verhapstukken valt.
Le poète a toujours raison, en hij wordt bovendien geruggensteund door de tellers en statistici van Vogelbescherming Nederland en SOVON Vogelonderzoek Nederland. Die vonden de situatie van de huismus zo ernstig, dat ze in 2004 besloten de soort op de Rode Lijst te plaatsen met de status gevoelig. Ook in Vlaanderen is de huismus sinds 2004 als achteruitgaand genoteerd op de Rode Lijst. Eerder al had in Duitsland de Landesbund für Vogelschutz haar tot Vogel des Jahres 2002 verkozen. In 2005 lanceerde de Britse krant The Independent een Save the Sparrow campagne. En in Antwerpen besloot het stadsbestuur het vogeltje in 2007 uit te roepen tot soort van het jaar. De jongste jaren doet de mus het bijster slecht op het Voor-Indische subcontinent.

Wat is er loos met de mus?





Niet zo lang geleden was de huismus zonder enige twijfel de gewoonste en talrijkste vogel van onze streken. Een eeuw terug, in 1903, begon Jacobus Pieter Thijsse, aartsvader van de natuurbescherming in Nederland, zijn nog altijd leesbare Het Vogeljaar met: “We zullen beginnen met even op straat of voor ’t venster naar de mussen te kijken. Een paar kruimpjes op een vensterbank, een zonnig hoekje onder een afdak, een hoopje straatvuil is voldoende, om die aardige vogels binnen ons bereik te brengen.” Thijsse echoot Levinus, die in 1715 schreef: “Het is overtollig de Mosch te beschrijven, die alle uur van den dag van ijder gezien word.” Als we Edmond de Selys Longchamps mogen geloven (en dat doen we, de man was tenslotte van 1880 tot 1884 voorzitter van de Senaat), was de huismus in het 19de-eeuwse België alomtegenwoordig. En Eerwaarde Heer Frans Segers, peetvader van de Koninklijke Vereniging voor Vogel- en Natuurstudie De Wielewaal, poneert dat “iedereen weet, dat huismusschen werkelijk overal kunnen nestelen: in vrijstaande boomen, in boomholten, in muren, in stukgevreten rieten daken, in verluchtingsgaten, onder de dakgoten, in den onderbouw van een reigersnest, in nestkastjes, in musschenpotten, in zwaluwnesten…”
Ik ben het gaan nakijken in de vogelboekjes uit de jaren 50 en 60, waarmee ik indertijd mijn prille vogelinteresse van enige onderbouw trachtte te voorzien: Petersons Vogelgids in de bewerking van J. Kist, Zien is Kennen van Nol Binsbergen en Dirk Mooij, de tweelingdeeltjes Prisma Vogelboek en Prisma Vogelgids van Johan Sluiters, de twee albums Vogels van België/Oiseaux de Belgique van Karel en Hubert Dupond (oorspronkelijk uitgegeven door het Koninklijk Belgisch Instituut van Natuurwetenschappen maar later in brede kring verspreid door Fort Producten), De eieren en nesten van onze vogels van J.G.Th. van Nes. Overal is zowat hetzelfde te lezen: geen vogel is zo gewoon en algemeen als de mus. Nog in 1992 noteert Jan Desmet in Stadsvogels: “Talrijkste vogel van Europa. Tijdens het najaar leven in Nederland en België vermoedelijk ruim 20 miljoen huismussen.”

Al gaan schrijvers van vogelboeken er vanuit dat iedereen weet wat een mus is, ik stel ze toch graag even voor. Huismussen zijn kleine zangvogels, zo'n 15 cm lang van het puntje van de bek tot dat van de staart; ze wegen een gram of 30. Dat het zaadeters zijn, zie je onmiddellijk aan de stevige conische snavel. Ze zijn wat biologen noemen seksueel dimorf: de mannetjes en de vrouwtjes verschillen nogal van uitzicht. De popjes zijn weinig opvallend vuilbruin, met donkere strepen op rug en schouders en een beige streep achter het oog. De mannetjes daarentegen zijn heel bonte vogeltjes, met helder kastanjebruine slapen en nek, een leigrijs kapje, zwart voorhoofd en bef, witgrijze wangen, vuilwitte flanken en buik, grijze stuit, zwarte vleugeldekveren met beige rand, kastanjebruine schouders en een opvallende witte vleugelstreep. De snavel van de mannetjes is in de broedtijd gitzwart, daarbuiten hoornkleurig, zoals die van de popjes.

De Zweedse naturalist Carl von Linné, alias Carolus Linnaeus, beschreef in de 10de editie (1758) van zijn Systema naturae de huismus als Fringilla domestica: “Vink met donkere slagpennen en staartpennen, het lichaam grijs en zwart, op de vleugels een enkele witte strook. Vink met donkere slagpennen en staartpennen, de keel zwart, de slapen roestkleurig. Woont in Europa in de buurt van het platteland. Zeer geil, hij paart vaak wel twintig keer. Voor tuinen zeer slecht. Het mannetje kenmerkt zich door zijn zwarte keel.” Behalve de huismus vermeldt Linné nog een tweede soort, de ringmus, die hij Fringilla montana doopt.

Fringilla domestica is een typisch voorbeeld van de manier waarop biologen sinds Linné levende wezens van een naam voorzien. Die naam bestaat uit twee delen. Het eerste deel geeft weer tot welk geslacht of genus een dier of plant behoort. Het tweede geeft de soort of species weer. De idee hierachter is dat levende wezens in meerder of mindere mate met mekaar verwant zijn. Soorten die tot hetzelfde geslacht horen, staan dichter bij mekaar dan soorten van een verschillend geslacht. Linné vond dat huismus en ringmus zo op mekaar leken, dat hij ze beide in het genus Fringilla onderbracht. In datzelfde genus plaatste hij bijvoorbeeld ook de boekvink, die hij Fringilla coelebs doopte. De Franse zoöloog Brisson zag al in 1760 in dat mussen geen vinken zijn, hoewel ze er op het eerste gezicht nogal op lijken, en plaatste ze in een eigen genus, Passer. De huismus ging voortaan door het leven met de wetenschappelijke naam Passer domesticus (Linnaeus), de ringmus als Passer montanus (Linnaeus). Tot de jaren 20 van de vorige eeuw bleven ornithologen de huismus samen met nog zo'n veertig verwante soorten wel bij de vinkenfamilie, de Fringillidae, indelen. Omstreeks 1920 ontdekte men echter dat mussen qua skeletbouw en structuur van het verhemelte meer op de Afrikaanse wevervogels lijken dan op vinken. Dus plaatste men ze bij de Ploceidae, waarmee ze naast enkele anatomische kenmerken ook hun sociale gedrag, hun nestbouw en de manier van ruien gemeen hebben. In de jaren 70 vond men in de tong van de mus echter een minuscuul botje dat bij alle andere vogels, wevervogels incluis, ontbreekt. Het gevolg was dat de mussen een eigen familie toegewezen kregen, de Passeridae. Die vormen volgens de huidige inzichten samen met o.a. de wevervogels, de heggenmussen, de prachtvinken, de piepers en kwikstaarten, de vinken, de gorzen, de kardinalen en de troepialen de superfamilie Passeroidea, de soortenrijkste groep van de orde der zangvogels. Passeriformes heten de zangvogels in het ornithologische Latijn, wat zoveel betekent als musachtigen, hoewel ze ook niet bepaald musachtige vogels als zwaluwen, lijsters en kraaien omvat.

Huismussen hebben hun naam niet gestolen. Ze zijn bij uitstek cultuurvolgers: ze volgen de mens en houden zich bij voorkeur op in zijn omgeving. In feite vind je ze alleen maar in de buurt van mensen. Zoals zeelui aan de meeuwen merken dat ze land naderen, zo ziet een woudloper aan de mussen dat hij in de buurt komt van een dorp of nederzetting. Waar de mens zijn matten rolt, houdt ook de mus het voor bekeken. Nadat in 1969 de laatste bewoners het Waddeneilandje Rottumeroog hadden verlaten, zochten ook de mussen andere oorden op.

Kaapse mus (Passer melanurus)
Goudmus (Passer euchlorus)

Mussen zijn waar er mensen zijn, en dat is al heel lang zo. Louis Gonnissen laat in zijn populaire 10.000 jaar huisdieren pas vanaf de 18de eeuw de huismussen hun gebied van oorsprong China verlaten om via Siberië en Rusland in Europa te belanden. “De huismussen zijn nog maar sinds de vorige eeuw in West-Europa,” schrijft hij. Waarbij hij de bal flink misslaat, want niet alleen komt Passer domesticus niet voor in China, ze is ook al heel lang in Europa. Op grond van vergelijkende DNA-studies denkt men dat het genus Passer zich in Afrika ontwikkelde, met de Kaapse mus (Passer melanurus Müller) als meest oorspronkelijke soort. Nabij Betlehem gevonden fossiele botjes van Passer predomesticus Tchernov, een mus die wordt beschouwd als de onmiddellijke voorloper van onze huismus, kunnen worden gedateerd op een ouderdom van 350.000, 140.000 en 70.000 jaar. Toen zo'n 10.000 jaar geleden de mensen van de vruchtbare halvemaan in het Nabije Oosten aan landbouw gingen doen en voor permanente nederzettingen – dorpen en steden – kozen, breidden de huismussen-in-wording hun menu van wilde graszaden uit met de veel interessantere gecultiveerde grassen tarwe en gerst, terwijl ze holen, gaten en spleten in mensenhuizen voortaan als favoriete nestplaats verkozen. Toen het ijs zich terugtrok en het klimaat in noordelijker regionen verbeterde, volgde de huismus de landbouwende mens die noordwaarts oprukte. Ten tijde van de Romeinen of net iets eerder, koloniseerde Passer domesticus de Lage Landen – de vroegste fossiele botresten dateren in ieder geval uit circa de 1ste eeuw BCE. Of misschien waren er al eerder mussen in onze contreien, maar hebben die geen sporen nagelaten – het is niet evident dat (delen van) mussenskeletjes bewaard blijven: het mag in feite haast een wonder heten dat er zo nu en dan iets wordt teruggevonden.

Spaanse mus (Passer hispaniolensis), boven.

Italiaanse mus (Passer x italiae)

In het gebied van de Middellandse Zee – Spanje, Sardinië, Zuid-Italië, Dalmatië, Griekenland, Klein-Azië – ontwikkelde zich de Spaanse mus (Passer hispaniolensis (Temminck)), in Noord-Italië de Italiaanse mus (Passer x italiae (Viellot)), geen aparte soort, maar volgens de recentste opvattingen een stabiele hybride van de Spaanse mus en de huismus. Spaanse mus en huismus zijn zo nauw verwant, dat sommige ornithologen ze als een superspecies beschouwen.

De ringmus (Passer montanus (Linnaeus)) staat genetisch een stukje verderaf - nog wel in hetzelfde genus, maar het meest afwijkend van de rest. Opmerkelijk is bijvoorbeeld het unisex-verenpakje: waar alle andere Euraziatische Passer-mussen uitgesproken seksueel dimorf zijn, en de Afrikaanse vormen sesquimorf (mannetje en vrouwtje hebben dezelfde tekening, maar de kleuren van het vrouwtje zijn veel fletser), zien bij de ringmus mannetje en vrouwtje er krek hetzelfde uit - monomorf heet dat. De ringmus komt voor in quasi heel Eurazië, ook in China, waar de huismus ontbreekt. Merkwaardig is, dat de ringmus, die in Europa veel minder aan de mens is gebonden dan de huismus, in het Verre Oosten precies menselijke nederzettingen, zelfs grote steden, opzoekt, terwijl de huismus er eerder het platteland verkiest. En waar de huismus een standvogel is die slechts over een beperkt gebied in groepjes rondzwerft, is de ringmus in het noordelijke deel van haar areaal een trekvogel.
Nog wat minder verwant en daarom door de taxonomen in een apart genus gestopt, is er de rotsmus (Petronia petronia (Linnaeus)) uit Zuid-Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Turkije en Noord-Afrika, een vogel van steppe en rotsland die vooral van insecten leeft en nu en dan tot in België verdwaalt. Met de forse sneeuwvink (Montifringilla nivalis (Linnaeus)) uit de Pyreneeën, de Alpen, de Balkan en de Kaukasus, is de Europese vertegenwoordiging van de mussenfamilie compleet.

Mussen zijn ongelofelijk flexibel. Ze leven van zeeniveau tot een hoogte van 4500 meter, zoals in de Himalaya. Ze passen zich aan de gekste omstandigheden aan. In de staat Utah vond een onderzoeker op 1 januari 1929 een huismussennest met vijf pas uitgekomen jongen. Die werden de volgende drie weken de hele tijd warm gehouden door één van de ouders, wat nodig was bij temperaturen tussen -18 en -25 °C! Een ander extreem voorbeeld is dat van een mussenpaar in Engeland dat 640 meter onder de grond nestelde in een mijnschacht en overleefde dank zij de hapjes die ze van de mijnwerkers kregen. Ook bovengronds, in de parken en plantsoentjes van steden, vormt het oud brood dat ze van wandelaars en buurtbewoners gevoederd krijgen een niet onbelangrijk deel van het menu. Dat was al zo in de 19de eeuw, zoals blijkt uit een getuigenis uit 1898 van W.H. Hudson over de mussen van Londen:
"I call these my chickens, and I'm obliged to come every day to feed them," said a paralytic-looking, white-haired old man in the shabbiest clothes, one evening as I stood there; then, taking some fragments of stale bread from his pockets, he began feeding the sparrows, and while doing so he chuckled with delight, and looked round from time to time, to see if the others were enjoying the spectacle.
To him succeeded two sedate-looking labourers, big, strong, men, with tired, dusty faces, on their way home from work. Each produced from his coat-pocket a little store of fragments of bread and meat, saved from the midday-meal, carefully wrapped up in a piece of newspaper. After bestowing their scraps on the little brown-coated crowd, one spoke: "Come on, mate, they've had it all, and now let's go home and see what the missus has got for our tea"; and home they trudged across the park, with hearts refreshed and lightened, no doubt, to be succeeded by others and still others, London workmen and their wives and children, until the sun had set and the birds were all gone (W.H. Hudson, Birds in London, geciteerd in R.S.R. Fitter, London's Natural History).

Ringmus (Passer montanus).
Rotsmus (Petronia petronia)

Sneeuwvink (Montifringilla nivalis)

Gewoonlijk broeden mussen tussen april en augustus. Het nest is meestal een boeltje. “Het zeer slordige nest is gemaakt van allerlei materiaal, zoals stro, touw, papier, allerlei plantendelen, als worteldraden en halmen. Van binnen is de diepe holte gevoerd met wol, veren en haar,” schrijft Van Nes in 1963. Voeg daar stukjes plastic en andere kunststof bij en je hebt een mussennest anno 2007. Soms worden ook vrijstaande nesten in bomen gemaakt: die zijn kogelvormig en overkapt en doen wel denken aan de constructies van de Afrikaanse wevervogels. Merkwaardig is, dat ook de nesten in holen en spleten de kogelvormige grondvorm van de boomnesten, inclusief de vliegopening aan de zijkant, gewoon kopiëren. Mussen leggen gewoonlijk vier à vijf (tot zeven) eieren en hebben meestal twee nesten per jaar (maar als het meezit ook méér: het record is zeven!) Het vrouwtje broedt alleen. Het mannetje brengt wel heel wat tijd door op het nest, maar krijgt geen broedvlek en broedt bijgevolg niet. Wat hij dan wel uitricht op het nest, is niet helemaal duidelijk. Onderzoek lijkt te suggereren dat hij vooral de zaak bewaakt tegen andere mannetjes. Nam men van een broedend paartje het mannetje weg, dook er al heel spoedig een ander mannetje op en verdween binnen de kortste keren het legsel - het nieuwe mannetje verwijderde het zonder verpinken. Huismussen blijken overigens succesvolle broeders te zijn: 88% van de eieren komt uit. De ringmus doet het met 93% nog beter.
De jongen krijgen zeker de eerste dagen uitsluitend insecten als voedsel.

Maar vóór nest, eieren en jongen er zijn, moet er eerst worden gevreeën. En daar kunnen mussen wat van. Al tijdens het bouwen van het nest wordt tot paring overgegaan.
Het vrouwtje geeft aan dat ze bereid is door met ingetrokken kop en iets opgeheven, zacht trillende vleugels de rug zo breed mogelijk te maken; intussen laat ze zachte roepjes horen. Het lijkt wel iets op de bedelhouding van de jongen, maar het mannetje begrijpt haar nooit verkeerd. Hij zet de veren uit en hipt heen en weer, houdt zijn lichaam horizontaal en richt zich dan verticaal op zodat het lijkt alsof hij stijve buigingen maakt. Daarna springt hij op haar rug voor de eigenlijke copulatie. Veel waarnemers hebben zich verbaasd over het grote aantal herhalingen van dit ritueel; het is niet duidelijk waarom het nodig is. In vroeger tijden werd het eenvoudig toegeschreven aan het onkuise karakter van de huismus! (Minouk van der Plas-Haarsma, in Mus. Natuur & cultuur van de huismus.)

Mussenpaartjes hebben een sterke band: waarschijnlijk blijven ze bijeen tot de dood hen scheidt. Wat niet wegneemt dat de scheve schaats duchtig wordt bereden. Onderzoek van een mussenpopulatie in het Engelse Nottingham toonde aan, via zogenaamde DNA-vingerafdrukken, dat 8 % van de jongen niet bij één van de ouders paste. Ook blijkt broedparasitisme voor te komen, waarbij mussenpopjes eieren droppen in het nest van een ander huismussenvrouwtje. Ze kiezen dus waardvogels uit van hun eigen soort. Intraspecifiek broedparasitisme noemen de ornithologen dit, ter onderscheid van het interspecifieke parasitisme van de koekoek, die andere vogelsoorten uitkiest als waardvogels. Waarom mussenwijfjes soms gaan parasiteren, is niet duidelijk. Jenny de Laet oppert in Mussen. Een groene partij vier hypothesen:
  • “de laatste uitweg”-hypothese: een vrouwtje legt één of meerdere eieren in andermans nest omdat ze zelf geen nest heeft, onervaren is, haar sociale status het niet toelaat, enzovoort.
  • “verbeterings”-hypothese: naast haar eigen legsel legt een vrouwtje ook nog één of meerdere eieren in een vreemd nest waardoor ze onvoorwaardelijk haar reproductief succes verbetert.
  • “parasiet”-hypothese: een huismusvrouwtje legt zonder meer al haar eieren in het nest van één of meer soortgenoten.
  • “vergissings”-hypothese: een vrouwtje vergist zich van nest en legt per abuis een ei in het nest van een naburige soortgenoot.
Onderzoek kon tot vandaag geen uitsluitsel geven over hoe de vork aan de steel zit. 

Het denkbeeld dat mussen bijzonder wellustig zijn, is zo oud als de straat. Het was mogelijk al verspreid bij de antieken, waar de mus gewijd zou zijn geweest aan de liefdesgodin Aphrodite. Konrad Gesner noemde mussen bovenmate onkuis. De humanist Platina (De Honesta Voluptate et Valetudine) ried het eten van mussen af: de vogels zijn zo geil, dat hun vlees hitte en drift opwekt en daarom slecht verteert. Zijn landgenoot Cesare Ripa geeft in zijn Iconologia de Wellust (Lascivia), die hij voorstelt als een in een spiegel kijkende mooie jonge vrouw, een stel mussen mee als compagnons. “Zeer geil, hij paart vaak wel twintig keer,” weet Linné, mogelijk van Aldrovandus, die ooit een mannetjesmus zag die twintig keer met een wijfje paarde in minder dan een uur en “meermaals soude gedaan hebben, indien zij niet vervlogen was.” En in het volkse Italiaans is passera niet alleen het woord voor een wijfjesmus, maar ook voor het vrouwelijke geslachtsdeel.

De levensdrift van de mus verleent haar vlees helende kracht, dacht men eeuwenlang. Het “helpt degenen die vallende ziekte en trommelwater hebben, en die door graveel en jicht worden gekweld,” aldus Johan Boussauw in Vogels in volksgeloof, magie en mythologie.
Hetzelfde werd gezegd van de hersenen en de eieren. De drek van mussen zuivert het gezicht. Drek met wijn genomen doet de mannelijke roede oprijzen, met spuug van mensen gemengd en opgesmeerd verdrijft het gebarsten aderen, met varkensreuzel gemengd en opgesmeerd geneest het haaruitval. Poeder ervan geneest een zwakke en walgende maag, met warme olie in het naaste oor gegoten geneest ze tandpijn en ten slotte: de as van jonge mussen op de tanden gewreven, helpt om de pijn weg te nemen. 
Chomel weet in zijn Huishoudelijk, natuur-, zedekundig en kunstwoordenboek uit 1778 voorts nog: “De mus, goed gezouten en rauw gegeten, doet met de urine nierstenen lossen, waarna de zieke volledig geneest. Daartoe pluimt men de vogels, men bedekt ze volledig met zout en men eet ze pas als ze volledig uitgedroogd zijn.”

De mus dankt haar reputatie als liefdesvogeltje vooral aan enkele gedichten uit de Oudheid. Sappho van Lesbos, de beroemde Griekse dichteres uit de 7de eeuw BCE, laat in haar Ode aan Aphrodite de wagen van de liefdesgodin trekken door mussen:

Fonkeltronige onsterfelijke Aphrodite,
listenvlechtend kind van Zeus, ik bid u,
overweldig niet met kwelling en kommer
mijn hart, almachtige,
maar kom hierheen zoals in vroeger tijd,
toen u mijn stem van ver vernam en
mij verhoorde en het gouden verblijf
van uw vader verliet
op uw wagenspan. Sierlijk voerden
snelle mussen u met fladderende vleugels
over de donkere aarde uit de hemel neer
door de dampkring.

De andere antieke mussenverzen met wereldfaam werden zo'n zeshonderd jaar later geschreven door Gaius Valerius Catullus. Hier gaat het niet om mythologische mussen die een godheid vergezellen, maar om een echt vogeltje, het troeteldiertje van de minnares van de dichter:

Passer, deliciae meae puellae,
quicum ludere, quem in sinu tenere…
(Sijsje waar mijn meisje graag mee speelt,
Dat zij aan haar borst drukt, dat zij streelt…)

Het musje wordt aangesproken als was het een godheid, tot wie een bede wordt gericht. En als het beestje de geest geeft, parodieert Catullus een treurzang:

Lugete, o Veneres Cupidinesque
et quantum est hominum venustiorum:
passer mortuus est meae puellae,
passer, deliciae meae puellae…

(Rouwt, Lieflijkheden, rouwt, Begeerlijkheden,
Rouwt, mensen van beschaving en gevoel!
Het sijsje van mijn meisje is gestorven,
Het sijsje waar mijn meisje dol op was…)

Catullus' lamentatio stond mee model voor een andere treurzang voor een dooie troetelmus, John Skeltons geestige en toch gevoelige Death of Phylyp Sparowe. Skelton laat het meisje Jane Scoop zelf aan het woord:

Pla ce bo,
Who is there, who?
Di le xi,
Dame Margery;
Fa, re, my, my,
Wherfore and why, why?
For the sowle of Philip Sparowe,
That was late slayn at Carowe,
Among the Nones Blake,
For that swete soules sake,
And for all sparowes soules,
Set in our bederolles,
Pater noster qui,
With an Ave Mari,
And with the corner of a Crede,
The more shalbe your mede.

Whan I remembre agayn
How mi Philyp was slayn,
Never halfe the payne
Was betwene you twayne,
Pyramus and Thesbe,
As than befell to me:
I wept and I wayled,
The tearys downe hayled;
But nothinge it avayled
To call Phylyp agayne,
Whom Gyb our cat hath slayne.

Hoewel bij Skelton de seksuele connotaties veel minder prominent zijn dan bij Catullus, is toch ook zijn mus een wellustig beestje dat zich graag tussen de borsten van het vrouwtje nestelt:

And many tymes and ofte
Betwene my brestes softe
It wolde lye and rest;
It was propre and prest.

Passer staat er in het Latijn van Catullus, wat Rutgers van der Loeff vertaalt als "sijsje". Dat geeft een aardig rijm met meisje, maar de kans is klein dat Lesbia’s vogeltje een echte sijs was, uit de naaldbossen van het noorden en van de berggebieden. Of het hier écht gaat om wat wij vandaag "mus" noemen, is echter evenmin zeker. Want in feite weten we niet zo goed wat de Romeinen allemaal passer noemden. Mussen waren daar zeker bij, maar misschien kregen ook andere kleine, niet al te opvallend gekleurde, vogeltjes hetzelfde etiket opgekleefd. Historische taalkundigen hebben een Indo-europese grondvorm *sper- gereconstrueerd (die volgens sommigen bovendien teruggaat tot een vóór-Indo-europees substraat), waarvan vogelwoorden in een resem talen zouden zijn afgeleid: Latijn passer, “mus” en parus, “mees”, Umbrisch parfa, Gotisch sparwa, Oud-Engels spearwa, Engels sparrow, Oud-Hoogduits sparo, Duits Sperling of Spatz, Oud-Noors spörr, Zweeds sparv, Deens spurv, Nederlands spreeuw, Cornisch frau “kraai” van Keltisch *sprawos, Oost-Pruissisch spurglis, Grieks spergoulos of sporgilos, “vogeltje”, bij Hesychios sparasios, eveneens Grieks psar, “spreeuw”. Afgeleide woorden zijn "sperwer", of sparverius, een naam die verwijst naar een roofvogel die vooral op kleine zangvogels jaagt. Van het Latijn passer stamt het Spaans pajaro af, dat losstaand of in combinatie met iets anders naar de meest uiteenlopende vogelsoorten verwijst. 


Huismus, vrouwtje.

Bij de Grieken heette de mus strouthos, maar ook met dit woord kon zowat iedere andere denkbare vogel worden aangeduid, tot en met de struisvogel (struis komt via het Oud-Frans ostruce en het Latijnse struthio van strouthos – de struisvogel was in het oude Hellas de megalè strouthos, de grote mus). Sappho's strouthoi die Aphrodites wagen door de hemelen loodsen, hoeven dus niet noodzakelijk mussen te zijn, al houden de meeste vertalers het daar wel bij. John Pollard suggereert in Birds in Greek Life and Myth dat het wel eens om zwanen zou kunnen gaan, want vooral die zijn het die volgens de iconografie de wagen van de godin trekken.

Ons Nederlandse mus is al evenmin een erg specifieke term: het Latijnse musca, “vlieg”, ligt eraan ten grondslag en etymologen denken dat de naam in oorsprong zoiets als “vliegenvanger” betekent.

Kortom, heel wat oude en recente Europese talen onderscheiden de mus niet echt van andere biologische soorten. Ze kreeg en krijgt een naam die net zo goed op andere kleine, niet al te opvallende vogels kan slaan – op de LBJ's of little brown jobs van Angelsaksische birdwatchers.

In de Bijbel is het niet anders. Daar heet de mus tsippor, met een woord dat aan getjilp lijkt te refereren. Zo'n veertig keer is er sprake van de vogel, maar ook hier heeft het er veel van dat lang niet altijd onze huismus of één van de zeven verwante soorten uit Palestina wordt bedoeld. Het is bijvoorbeeld nogal onwaarschijnlijk dat het in psalm 102:7 – “Ik waak, en ben geworden als eene eenzame musch op het dak,” staat er in de Statenbijbel – echt om een mus zou gaan. Mussen zijn immers bij uitstek sociale vogels. Modernere vertalingen kiezen dan ook voor het niet-specifieke vogel, terwijl nogal wat ornithologen geneigd zijn de bijbelse mus op het dak te identificeren met Monticola solitarius, de blauwe rotslijster die, zoals de wetenschappelijke naam al verklapt, heel wat minder om gezelschap geeft. De Dictionnaire encyclopédique de la Bible beaamt dat het bijbelse tsippor naar vogels in het algemeen verwijst en dat het specifieke woord voor onze mus deror is. Terwijl volgens Symbolen in de bijbel van C.J. den Heyer en P. Schelling met deror veeleer een zwaluw wordt bedoeld. Voeg daar nog aan toe dat in het koinè van de evangeliën de mus strouthos heet, nog zo'n algemeen woord, en het plaatje is compleet. Voor de auteurs van de bijbelse geschriften en voor hun tijdgenoten, was de mus zo gewoon, zo onopmerkelijk en zo algemeen, dat men niet de moeite nam ze duidelijk te onderscheiden van andere kleine vogeltjes. In het Nieuwe Testament staat de mus voor nietigheid en onbeduidendheid. “Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel,” spreekt Jezus zijn discipelen moed in nadat hij hun apostolische opdracht heeft uiteengezet. “Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen” (Mt. 10: 28-31). De moraal: God zorgt voor heel zijn schepping, zelfs om iets gerings als een mus is hij bekommerd. Vooral in calvinistische kringen werd het beeld van het vogeltje dat ter aarde valt als uiting van Gods wil, een illustratie van de predestinatiedoctrine: er valt geen mus van het dak zonder dat het zo is bedoeld.

Een geil beestje, dat met erotiek wordt geassocieerd, een onopvallend vogeltje waarvoor niet eens een specifieke naam bestaat en dat nederigheid en onbeduidendheid verzinnebeeldt: daarmee is nog niet alles gezegd over de mus in de Europese traditie. De mus werd ook met het kwaad geassocieerd. Paul Sebillot maakt melding van een Bretoens scheppingsverhaal dat de mus niet als een creatie van God beschouwt, maar als een probeersel van de duivel – nadat God de vink had geschapen, zette de duivel de mus op de wereld. In het Luikse werd verteld dat het mussen waren die de joden in de Hof van Olijven bij Jezus brachten: met hun getjilp – “Juif! Juif! – wezen zij de weg. Een andere legende associeert de mus met Jezus' kruisdood. Toen Jezus naar Golgotha werd gebracht, namen zwaluwen de nagels waarmee de kruisiging zou worden voltrokken weg en verstopten ze. Mussen brachten ze echter terug en bovendien hitsten ze de Romeinse beulen die de Christus folterden op met hun geroep: “Il vit! Il vit!” – “Hij leeft!” Als straf kregen de mussen onzichtbare boeien om hun pootjes en zijn zij gedoemd om tot in der eeuwigheid rond te hippen.

Carel de Moor, Jongen met kruik en vogelnest. Olieverf op paneel, ca. 1700. Londen,
Dulwich Picture Gallery.
In feite gaat het hier niet om een kruik, maar om een mussenpot.
Mussenpotten waren terracotta vaatwerk, in grote lijnen gelijkend op kruiken maar met
twee openingen. De hals van de "kruik" is in feite een aanvliegopening, waarlangs de
vogels in en uit de pot kunnen. De buik van het vaatwerk is de nestholte. Die heeft een
tweede opening in de wand, die de pot toegankelijk maakt voor een mensenhand. De pot
werd aan een oog (duidelijk zichtbaar op het schilderij) aan een muur opgehangen.
Mussen maakten er hun nest in. Als de jonge musjes bijna vliegrijp waren, en dus op
hun vetst, werden ze "geoogst": ze gingen de pan in. Vandaag de dag worden weer
mussenpotten opgehangen, maar nu gaat het erom de mussen extra nestelgelegenheid te
bieden. De mussenpopulatie gaat immers sinds enkele decennia flink achteruit.

Mussengilde (Sint-Albertusgilde) van Dinther, Noord-Brabant (NL), ca. 1915-1917.

De mus stond eeuwenlang in een slecht daglicht, want ze betekende hinder en schade. Dat is niet verwonderlijk: mussen zijn de mens precies gaan opzoeken omdat er in diens buurt altijd wel wat te rapen valt. En waar het meeste te rapen valt, of viel, was wel op de akkers met rijp graan, in de graanschuren, in de moestuin, in de stallen met veevoer, op straat in het afval en de paardenvijgen, op het erf bij de ganzen en de kippen of op de mesthoop. Waar er een groot voedselaanbod was, waren er veel mussen. In de Middeleeuwen lijken de aantallen nog vrij bescheiden te zijn geweest, omdat ook het voedselaanbod al met al vrij beperkt was. Maar in de 16de-17de eeuw veranderde dat. West-Europa kent een bevolkingsaangroei, en met de mensen nemen ook de mussen toe. Hoeveel mussen er waren, weten we niet, maar blijkbaar begon men te vinden dat het er té veel waren. De autoriteiten vaardigden decreten uit om de mussenpopulatie te beteugelen. In Pruisen gebeurde dat bijvoorbeeld in 1721 en in 1731, waarbij boeren en neringdoeners werd opgelegd een bepaald aantal mussenkoppen bij de autoriteiten in te leveren. In 1736 ontving de Pruisische overheid 359.928 mussenkoppen. Hoeveel en welke andere vogels er in dergelijke campagnes aan moesten geloven, weten we niet, maar het zullen er niet weinig zijn geweest.
Ook werden verenigingen gesticht die als enige doel hadden de mus te elimineren: de mussengilden. Meestal werden de gilden in het leven geroepen door de lokale overheden en was de plattelandsbevolking verplicht mee te werken. De overheid gaf premies voor het vangen of schieten van mussen – én van andere vogels, wat ook voor het verdelgen van spreeuwen, kraaien, gaaien, eksters en houtduiven kreeg men een beloning. Het gilde legde quota vast: men moest, bijvoorbeeld, jaarlijks het bewijs kunnen leveren 25 mussen naar gene zijde te hebben geholpen. Daartoe moest men de secretaris van het gilde 25 mussenkoppen kunnen tonen. Elke kop extra leverde een premie op. Voor iedere kop onder de voorgeschreven norm, moest een boete worden betaald. Niet alleen de vogels werden gedood, ook de nesten en de eieren werden vernietigd.

Een gildenbroeder van De Musschengilde die in 1817 te Hoogstraten was gesticht, formuleerde het mission statement van zijn organisatie kernachtig op rijm:

Het noodigst dat er is, dat is de gild der musschen.
Men vangt ze met geen hand men schiet ze met bussen.
Een ieder is verblyd dat 't roofdier is verschoud.
Of dat het is gedood en 't veld zijn graan behoud.
Ook Engeland kende vanaf de 18de eeuw zijn Sparrow Clubs met als enige doel de verdelging van zoveel mogelijk mussen. Rond 1860 doodden de leden van de Rudgwick Sparrow Club in één jaar 5313 mussen; één van de leden werd in de bloemetjes gezet omdat hij persoonlijk 1363 vogeltjes om zeep had geholpen. Op kermissen en andere volkse bijeenkomsten paarde men het nuttige aan het aangename door mussen naar gene zijde te helpen op ludieke wijze, zoals bijvoorbeeld in het spel dat de Engelsen sparrow-mumbling noemen. Een gekortwiekte mus werd in een hoed gezet en deelnemers aan het spel moesten, met de handen op de rug gebonden, proberen het vogeltje de kop af te bijten. Uiteraard probeerde de mus zich te verdedigen door haar belager in het gezicht te pikken, tot groot jolijt van de bijstaanders. In een andere versie, die blijkbaar vooral populair was bij mijnwerkers in het 19de-eeuwse Cornwall, kregen spelers een levende mus met een draad aan hun tanden bevestigd; de opdracht bestond eruit de mus met de lippen kaal te plukken.

Mussenverdelgingscampagne onder
Mao Zedong. Affiche.

Mussenverdelgingscampagne onder Mao Zedong.

Een echo van onze Europese mussengilden vinden we in het China van de jaren '50, waar partijleider Mao Zedong de boeren opriep de graanoogsten veilig te stellen door zoveel mogelijk mussen (in dit geval ringmussen) te vernietigen. De ringmus werd staatsvijand nummer één: “Elke ringmus eet gemiddeld vijf kilogram graan per jaar. Vijftig miljoen ringmussen stelen dus per jaar het voedsel van drie miljoen Chinezen” - de Grote Roerganger hield het graag simpel. Jong en oud werden het veld in gestuurd met potten en pannen, waarmee kabaal werd gemaakt om de vogels op te jagen. Als na een poosje de diertjes uitgeput en versuft op de grond bleven zitten, werden ze de nek omgedraaid. Uiteraard gingen niet alleen mussen, maar zowat alle andere kleine vogels door de mangel. Ook insecteneters, waarbij we niet uit het oog mogen verliezen dat ook de ringmus in het voorjaar en de zomer vrijwel uitsluitend insecten eet. Met het gevolg dat er insectenplagen kwamen, zodat men genoodzaakt was de klopjachten stop te zetten.

Tot de 20ste eeuw nog laten zelfs vogelminnende auteurs hier en daar doorschemeren dat mussen wel eens té talrijk kunnen zijn. “Alleseter, die door zijn brutaal optreden, in landbouwstreken vooral, lastig kan worden,” schrijven Binsbergen en Mooij. En Thijsse merkt op dat er “een heleboel mensen [zijn], die het niet spijten zou, als de mussenbevolking opeens tot de helft gereduceerd werd en ik vrees, dat wij hun dat niet kwalijk mogen nemen. Op het platteland toch zijn de mussen vaak nogal schadelijk; ten eerste, doordat ze ongeveer alle zaadvruchten eten en ten tweede, doordat ze nuttige, insektenetende vogels beletten te nestelen.” Praat Thijsse hier Brehm na? “Over het nut en de schadelijkheid van de mus lopen de meningen zeer uiteen,” schrijft die,
doch men komt langzamerhand algemeen tot de overtuiging, dat deze klaploper, die zich op 's mensen kosten voedt, zijn bescherming niet verdient. In de straten van steden en dorpen veroorzaakt zij natuurlijk geen schade, omdat ze zich daar met afval voedt, op landgoederen, korenzolders, graanvelden en in tuinen kan ze aanmerkelijke schade toebrengen, wanneer zij het voer van het pluimvee opvreet, het opgeslagen graan brandschat en bevuilt, in de tuinen ten slotte nog als zij er de knoppen van de vruchtbomen afpikt en later ook de vruchten steelt. Hierom is zij in boomgaarden en wijnbergen niet te verdragen. De eigenlijke schade welke zij veroorzaakt, bestaat overigens […] hierin, dat zij de allernuttigste vogels, zoals spreeuwen en mezen verdringt en de zangvogels uit de tuinen, waar zij de baas speelt, verjaagt.
Sylvain Wittouck, een vroege pleitbezorger voor de vogels in een nog door jacht en vogelvangst beheerst Vlaanderen, schrijft in De bescherming der kleine vogelen (1907): “Evenwel moeten wij erkennen dat de musch eene kleine roofster is, die in tuinen, moeshoven en weiden somtijds wel schade doet; doch verder zullen wij bewijzen dat deze dartele vogel benevens zijne kleine fouten ook wel groote hoedanigheden heeft.”

Naast de harde aanpak van de mussengilden, werden ook nog andere praktijken toegepast om mussen op een afstand te houden. Een aantal doet vandaag de wenkbrauwen fronsen. Plinius maakte gewag van een kruid dat schadelijke vogels van het veld hield, als men het op de vier hoeken ervan begroef. Helaas moest hij toegeven zelf de naam van het kruid niet te kennen, zodat men met zijn wijsheid al met al weinig opschoot. In Bohemen dacht men dat een splinter van een doodskist, rechtop geplant in het midden van een veld, de mussen weghield. Voorts was er het mussenrecht: de boer wierp zijn eerste greep zaaigraan over het hoofd in de berm voor de mussen. Meestal maakte hij vervolgens een kruisteken of zei hij een gebed. Vermoedelijk kunnen we hierin een soort plengoffer zien, waarbij de gift aan de mussen hun verdere bemoeienissen met het koren moest tegenhouden.

Een klassiek middel om mussen weg te houden van het jonge zaaigoed, was de mussenschrik: een stropop op een staak, met een oude jas en dito hoed, die bedoeld was mussen te laten geloven dat er een mens midden in het veld stond. Ik betwijfel of ooit één mus zich door zo'n ding heeft laten verjagen. Mijn vader plantte stokjes op de hoeken en langs de randen van zaaibedden; tussen die stokjes spande hij een ingenieus netwerk van zwarte draden. “Dat helpt werkelijk tamelijk goed,” schreef Thijsse vol optimisme en ik denk dat daar inderdaad iets van aan is. Iets. Zolang de ijverige tuinder met zijn bobijn zwart garen zat te klooien, bleven de mussen wel degelijk op een veilige afstand. Daarna won hun nieuwsgierigheid het echter van hun wantrouwen, en binnen de kortste keren hadden ze een vliegroute ontdekt die hen feilloos langsheen de draden voerde tot bij het lekkers dat eronder lag te wachten op hun gretige snavels. Maar mijn pa gaf zich niet gewonnen. Her en der in de zaaibedden werden hogere stokken gepoot, waaraan met draadjes stukjes zilverpapier waren bevestigd. Voorts werden kleurige molentjes, zoals ze die op de kermis of aan zee verkopen, op strategische plaatsen in positie gebracht. Het effect was er, maar bleef niet lang: al snel gebruikten de meest vrijpostige mussen de stokken met zilverpapiertjes als roestplaats.

Soms werd dan toch maar naar de grote middelen gegrepen. E.H. Segers vertelt in Zangvogels (1934) dat zijn pastoor hem vroeg of hij de mussen die huis hielden in zijn bloesemende perelaars mocht verdelgen. “Schiet maar op, 't is maar een potmusch,” reageerde Segers. “Pank! Het doodend zaad had de hersens verbrijzeld. 'k Liep om ons muschje en stelde vast dat de perenbot nog in den bek vasthing. Slechte noot voor onze huismusschen!”

“The filthy habits of these birds are most annoying,” lees ik in mijn oude Birds of America van Thomas Gilbert Pearson en Louis Agassiz Fuertes uit 1936. “The English Sparrow among birds, like the rat among mammals, is cunning, destructive and filthy.” Lap.

In de USA wordt de huismus dan ook tot vandaag met grote hardnekkigheid vervolgd, the American Way: in verenigingsverband (een soort vigilantes), aan de hand van manuals, met hightech hulpmiddelen. Nochtans kwam Passer domesticus tot halfweg de 19de eeuw niet voor op het Noord-Amerikaanse continent. Er leven daar wel 35 inheemse soorten die de Amerikanen sparrows noemen, maar dat zijn in feite gorzen, familie van de Europese ortolaan. De huismus werd er in de jaren 1850 geïntroduceerd. Uit heimwee liet in 1851 ene Nicholas Pike acht uit Engeland afkomstige paartjes los in Brooklyn. Het jaar daarop liet hij er nog eens honderd overkomen uit Liverpool. Tegen 1900 waren er van oost tot west in alle staten van de USA huismussen, evenals in Canada tot aan de rand van de taïga en in Midden-Amerika tot Panama, en ze ontpopten zich tot een ware plaag. Vandaag is de huismus met een populatie van zo'n 400 miljoen de talrijkste vogel in de States.

Behalve in Noord-Amerika, heeft de huismus ook in het grootste deel van Zuid-Amerika, in Afrika en in Australië en Nieuw-Zeeland vaste voet aan de grond gekregen.
Maar bij ons boert ze dus achteruit. En flink achteruit, volgens sommigen.
Van waar die terugloop?

Oosterse huismus (Passer domesticus bactrianus)

Dat is niet zo duidelijk. Vervelend is bovendien, dat we in feite over weinig gegevens beschikken. Blijkbaar moesten we eerst met het blote oog kunnen vaststellen dat het mussenbestand in vrije val is, vooraleer we terdege aan mussenonderzoek gingen doen. Toen de mus nog zonder meer ons talrijkste vogeltje was, namen we niet de moeite ze te bestuderen.

Soit. Uit de schaarse beschikbare data, zowel in Vlaanderen en Nederland als bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, kan worden afgeleid dat de huismus sinds ca. 1990 met zo'n 40 % is afgenomen. Vogels in Vlaanderen van de Vlaamse Avifaunacommissie schat dat tegen 1985 Vlaanderen zo'n 500.000 broedparen telde, terwijl het er in 1970 nog meer dan een miljoen had gehuisvest. Die neerwaartse trend heeft zich in de jaren 80 en 90 nog verder gezet, zodat vandaag het broedbestand voor heel België op een half miljoen paren wordt geraamd. Met die afname staan we niet alleen: in heel West-Europa heeft de huismus het de afgelopen vijfentwintig à dertig jaar niet bepaald schitterend gedaan. Lokaal populatieonderzoek in een aantal grote steden wijst op een vaak dramatische terugloop. In de Hamburgse wijk St. Georg telde men bijvoorbeeld in 1987 nog 80 mussen tegen 490 in 1983. In 1975 broedden in de Londense Kensington Gardens 486 huismussen per km2; in 1995 waren dat er nog 72. En dat terwijl Fitter in London's Natural History (1945) de huismus nog "the London bird par excellence" noemde, "the only bird allowed by general consent to be a Cockney, and certainly the Londoner's favourite (...)"

Voor de decimering van het huismussenvolkje zijn heel wat oorzaken gesuggereerd, sommige heel plausibel en andere iets minder. Zo lijkt de introductie van de placemat en de ermee samenhangende teloorgang van de gewoonte na het eten de kruimels uit het tafelkleedje te schudden, mij niet echt in aanmerking te komen als fundamentele oorzaak. Ook het verkeer zal, hoewel het uiteraard slachtoffers maakt onder de bij voorkeur op de grond foeragerende mussen, wel niet echt een significante invloed hebben op de populatie. Van katten is bekend dat ze hele vogelsoorten ad patres kunnen helpen, zoals de Stephens Island winterkoning – maar dat was een grondvogeltje dat het vliegvermogen had verloren, op één enkel eilandje voor de kust van Nieuw-Zeeland leefde en een gemakkelijke prooi vormde voor de poes van de vuurtorenwachter. Dat de huismus door de tiger of the hearth in lastige papieren zou worden gebracht, lijkt dan weer weinig waarschijnlijk.

Een factor die ongetwijfeld wél invloed heeft gehad op de huismussenpopulatie, is de opkomst van de gemechaniseerde trekkracht en het ermee samenhangende verdwijnen van het paard uit het transport, de landbouw en de industrie. Paarden waren eeuwenlang een bron van lekkers voor de mus: zij pikte een graantje mee van de haver, vond in de alomtegenwoordige dampende paardenvijgen een ware feestdis en trof nestelgelegenheid à volonté aan in de stallen. Maar… het paard maakte plaats voor auto en tractor lang vóór de terugval van de mus in de jaren 1980 en 1990. Er lijkt wel een afname te zijn geweest in de jaren 1920, maar drastisch was die niet. Dus daar ligt de wortel van het probleem ook al niet.

Wél een onmiskenbare oorzaak voor de huidige mussencrisis lijkt het verdwijnen van nestgelegenheid voor de diertjes. Dat heeft te maken met onze manier van bouwen. Eeuwenlang bouwden wij huizen met zadeldaken en die daken bedekten wij met holle pannen. Mussen zijn heel flexibel, maar nergens nestelen ze zo graag als onder de pannen van het dak. Vandaag zijn die er alsmaar minder: nieuwbouw heeft vooral een plat dak, en als al voor een zadeldak wordt geopteerd, worden daar platte pannen op gelegd. Nieuwbouwhuizen hebben meestal heel vlakke gevels, zonder nissen of uitspringende delen. Ook dat was vroeger anders: nissen, ornamenten, erkers, balkons waren schering en inslag. Al deze structuren boden mussen nestgelegenheid. Voorts lijden wij aan een vrijwel niet in te tomen sanerings- en isolatiedrang: geen kier, spleet, gat of holte of wij stoppen ze vol glaswol, rammen er een plaat polystyreen in of spuiten ze dicht met polyurethaanschuim. In oude verluchtingsgaten worden glazen verluchtingsblokken geplaatst, de dakrand onder de onderste pannenrij beschermen we met mussenschroot, enzovoort.
Een mus heeft in gesaneerde gebouwen of nieuwbouw niks verloren en trekt dus weg.
Maar waarheen?

Mussen houden van rommel. Keurig is niet aan hen besteed. Onze steden worden echter hoe langer hoe netter, steriel haast. Elk stukje braakland wordt binnen de kortste keren omgevormd tot een winkelcentrum of een parking. Onkruid wordt bestreden met grote middelen: kapot gesproeid met herbiciden, of van tussen de stenen gespoten met een hogedrukreiniger. Wegbermen worden steeds vroeger gemaaid, soms al een eerste keer in april. Daardoor krijgen grassen en de spontane onkruidflora niet eens de kans om te bloeien en zaad te vormen. Dat onkruid is voor mussen essentieel: ze eten van de blaadjes en de zaadjes en ze vangen er de insecten die hun jongen broodnodig hebben. In openbare tuinen, parken en plantsoenen zie je steeds minder hagen en struikgewas. Die vervangt men bij voorkeur door gras: dat is ook groen, vergt heel wat minder onderhoud en creëert tenminste geen gevoel van onveiligheid bij de burger. Pleinen worden steenwoestijnen met hier en daar een schaarse boom. Denk maar aan de Groenplaats, het Astridplein of de De Keyserlei. Privé tuinen zijn in hetzelfde bedje ziek. Na de conifeer die de voorbije decennia het tuinbeeld overheerste, is het nu de beurt aan de tegel. Veel mensen willen een tuin maar schuwen planten; zij geven de voorkeur aan een stenen vloer met dito ornamenten en slechts bij wijze van accent hier en daar een pot met een plant. Struikgewas, bomen, bladeren op de grond, bodembedekkers: het is allemaal uit den boze. En dus trekken de mussen weg, want die hebben het liefst een tuintje met oude muren met klimop, hagen, een boom, wat zand om nu en dan een stofbadje te nemen – en liefst van al daarbovenop een mesthoop, want daar valt heel wat meer te beleven dan bij zo'n stomme gft-bak in plastic.


Huismussen voeren in het park.
Illustratie uit Harper's Young People, dinsdag 3 februari 1880.

Onze steden breiden zich ook aan een rotvaart uit. De stadsrand verstedelijkt in een ijltempo en verliest zo het rommelige, braakliggende karakter dat lange tijd zo karakteristiek was voor de banlieue. Mussen hebben een actieradius van slechts ca. 600 meter. Omdat de meeste plekken in de stad te steriel zijn geworden én omdat de afstand naar de rand, waar nog wel wat te versieren valt, haar te groot is geworden, terwijl groene corridors tussen centrum en rand vrijwel ontbreken, houdt de mus het voor bekeken.

Ook het platteland is sinds de jaren 60 drastisch veranderd. Net als de steden is het erg keurig geworden. Door ruilverkaveling in de jaren 70 en 80 zijn de kleine, door hagen en houtwallen omringde perceeltjes, grotendeels verdwenen. Ruige akkerranden en kreupelhout werden gerooid vanwege te hinderlijk voor de tractoren. Er zijn ook minder en minder boerderijen. Al blijft de agrarisch benutte oppervlakte quasi ongewijzigd, het aantal hoeven en boerenerven nam enorm af. En op de erven die overblijven, valt voor een mus weinig te verhapstukken: stenen-met-houten schuren zijn vervangen door metalen silo's, mesthopen zijn verdwenen, stallen worden haast klinisch schoon gehouden en zelfs de rondscharrelende kippen van weleer zie je nog nauwelijks. Voorts zijn de culturen veranderd. Vroeger trokken mussen na het broedseizoen in grote groepen weg uit stad en dorp, het platteland in om zich daar te goed te doen aan de granen die op het veld stonden te rijpen. Tarwe, haver en gerst zijn echter grotendeels verdwenen, vrijwel overal wordt alleen nog maïs verbouwd. Mussen kunnen niks beginnen met maïs, de korrel is te groot. Waar er nog geen maïs staat, zijn de boeren van zomergraan overgestapt op wintergraan. Daardoor zijn er geen stoppelvelden meer in de herfst, want wintergraanakkers worden direct na de oogst in het najaar omgeploegd. Het al te gulle gebruik van meststoffen en herbiciden zorgt bovendien voor een drastische verarming van de spontane akkerflora. En dus voor minder zaden en minder insecten voor de mussen.

Hoe erg is de huismus eraan toe?
Uit Das Kompendium der Vögel Mitteleuropas van Bauer, Bezzel en Fiedler (2005) haal ik voor Midden-Europa de volgende cijfers:



Broedparen
Jaar
Oostenrijk
350.000-700.000
1998-2002
België
250.000-500.000
2001-2002
Zwitserland
400.000-500.000
1998-2002
Tsjechië
2.800.000-5.600.000
2000-2002
Duitsland
14.000.000
1995-1999
Liechtenstein
1.000-2.500
1998-2000
Hongarije
1.900.000-2.750.000
1999-2002
Luxemburg
35.000-40.000
2001
Nederland
500.000-1.000.000
1998-2000
Polen
2.500.000-5.000.000
2000-2002
Slowakije
1.200.000-1.800.000
1990-1999

Is de tijd rijp om een requiem voor Passer domesticus aan te heffen?

Je weet natuurlijk maar nooit, maar op grond van deze cijfers lijkt het me weinig waarschijnlijk dat de huismus op korte termijn het loodje legt. Er zijn nog honderden miljoenen huismussen op de wereld. Zelfs al heeft het diertje in een aantal landen in West-Europa rake klappen gekregen, en lijkt het momenteel op het Indische subcontinent in een aantal grote steden achteruit te gaan, out is het nog lang niet. Het is bovendien niet onwaarschijnlijk dat de huismus zich spontaan herpakt. Ze heeft zich al aan heel wat omstandigheden aangepast en het lijkt wel heel voorbarig om er nu ineens vanuit te gaan dat de flexibiliteit die haar de afgelopen millennia kenmerkte, er pardoes niet meer zou zijn.

Ook de ringmus heeft in de late 20ste eeuw ernstige averij opgelopen. Ze is veel minder een stadsvogel dan de huismus maar heeft op het platteland rake klappen gekregen door de teloorgang van heel wat geschikte nestgelegenheid, het gebruik van pesticiden in de landbouw en de niet te stuiten opgang van de maïsteelt. Op wereldvlak heeft ze het vooral erg te verduren in China, waar ze, na de uitroeiingscampagnes van de jaren 1957-1958, tot vandaag wordt vervolgd, maar nu vooral omdat ze een gegeerde lekkernij is die bovendien potentieverhogende eigenschappen wordt toegeschreven. Ook worden mussen in China op grote schaal gevangen om te worden geëxporteerd naar Zuid-Europa, waar men ook wel een vogeltje lust.
Zo werd in december 1993 in de haven van Rotterdam een lading met twee miljoen diepgevroren ringmussen ontdekt op doorreis naar Italië. Die werd door het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid afgekeurd omdat de mussen teveel pesticiden bevatten. Toch werd de lading later nog naar Italië verscheept omdat men had verzuimd er beslag op te leggen. In januarie 1997 werd in de haven van Atwerpen een verdachte container “bevroren wild” onderzocht. In de container zaten 1.236.000 of 18,5 ton geplukte kadavertjes van ringmussen, elk ongeveer toen gram licht. Ook deze lading was op weg naar Zuid-Europa. De betrokken importeur voerde sedert 1993 jaarlijks minstens zes miljoen diepgevroren mussen in, dit is bijna vijf keer de totale Belgische populatie ringmussen. (Jenny de Laet, Mussen. Een groene partij.)
Gaat de ringmus de dodo en de trekduif achterna?
Ook dat lijkt overdreven, al zou het diertje in China sinds de jaren 1990 een eerder zeldzame verschijning zijn geworden. Maar aangezien Passer montanus over heel Eurazië verspreid is, lijkt de soort nog niet echt bedreigd.

Niettemin is het een goede zaak dat de mussen momenteel zoveel aandacht krijgen. We klooien flink wat af met de natuur en bijsturing van ons gedrag is hoogst urgent. Het is goed dat bij een hoop mensen het besef daagt dat je de openbare ruimte in en buiten de stad best niet behandelt als was het je badkamer. Het zou fijn zijn dat overheden hun groendiensten later op het seizoen lieten maaien en niet meer zo snel naar de gifspuit zouden laten grijpen. Het is een mooi ding als mensen weer planten in hun tuin zetten en nestkasten hangen om de mussen te lokken. Muren hoeven niet per se kaal en keurig - en dood - te zijn, groen en levend - met klimop begroeid, bijvoorbeeld - is mooier en beter.
De aandacht die de huismus momenteel krijgt, is zeker niet overbodig. Het beestje kan er alleen maar goed bij varen. En het is aardig meegenomen dat de maatregelen die men denkt te moeten nemen om het de huismus weer meer naar de zin te maken, meteen ook andere soorten voordeel gaan opleveren. En daar zijn er bij die een zetje wellicht nog méér nodig hebben dan de huismus. Omdat de mus zo bekend is, kan zij een sensibilisering bewerkstelligen waar minder bekende soorten van profiteren. Wie zich ervan bewust wordt dat het niet goed gaat met de mus, krijgt misschien ook oog voor het lot van  minder vertrouwde vogels die écht in heel slechte papieren zitten en waarvan de populatie de jongste dertig jaar soms 90% is teruggelopen: de grauwe vliegenvanger, de grasmus, de fluiter, de tortel, de boompieper, de kuifleeuwerik, de nachtegaal, de geelgors, de tapuit, de gele kwikstaart, het paapje... de lijst is helaas lang.

Le poète a toujours raison. Een gedicht zegt meer dan tien traktaten. Dus geef ik tot besluit van dit stukje graag het woord aan Jan Hanlo, die als geen ander de diepste grond van het mus-zijn wist te schouwen:

Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp
Tjielp
etc.

Clement Caremans (c) 2014

 





























Selectieve bibliografie

Sálim Ali & S. Dillon Ripley: Compact Handbook of the Birds of India an Pakistan together with Those of Bangladesh, Nepal, Bhutan and Sri Lanka. Delhi, Oxford & New York, Oxford University Press, 1987. Second edition. Edward A. Armstrong: The Folkore of Birds. An Enquiry into the Origin and Distribution of some Magico-Religious Traditions. Second edition, revised and enlarged. New York, Dover Publications, 1970. Vlaamse Avifauna Commissie: Vogels in Vlaanderen. Voorkomen en verspreiding. Bornem, 1989. Hanns Bächtold-Stäubli & Eduard Hoffmann-Krayer. Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. 3., unveränterte Auflage mit einem neuen Vorwort von Christoph Daxelmüller. 10 vols. Berlin & New York, De Gruyter. 2000 (1ste ed. 1927-1942.) David Bannerman: Birds of the British Isles. 12 vols. Vol. I Corvidae, Sturnidae, Oriolidae, Fringillidae. Edinburgh, Oliver & Boyd, 1953-1963. Hans-Günther Bauer, Einhard Bezzel & Wolfgang Fiedler (Herausg.): Das Kompendium der Vögel Mitteleuropas. Alles über Biologie, Gefährdung und Schutz. 3 Bde. Bd. 2 Passeriformes–Sperlingsvögel. Wiebelsheim, AULA-Verlag, 2005. Johan Boussauw: Vogels in volksgeloof, magie en mythologie. Baarn, Tirion Uitgevers, 2005. A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Dl. III Vogels. Amsterdam, Uitgeversmaatsch. Enum & Antwerpen, Uitgeverij De Magneet, 1930. Andy Brown & Phil Grice: Birds in England. London, T & A D Poyser, 2005. Alfredo Cattabiani: Volario. Simboli, miti e misteri degli esseri alati: uccelli, insetti e creature fantastiche. Milano, Arnoldo Mondadori Editore, 2001. Louis Charbonneau-Lassay: Le Bestiaire du Christ. Paris, Éditions Albin Michel, 2006. Mark Cocker & Richard Mabey: Birds Britannica. London, Chatto & Windus, 2005. Mark Cocker & David Tipling: Birds and People. London, Jonathan Cape, 2013. S. Cramp, K. Simmons & C. Perrins: Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa. The Birds of the Western Palearctic. 9 vols. Vol. VIII Crows to Finches. Oxford, Oxford University Press, 1977-1995. Marie-Madeleine Davy: L’oiseau et sa symbolique. Paris, Albin Michel, 1992. Jan Desmet: Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren met de mens. Brugge, Uitgeverij Marc van de Wiele, 1987. Jan Desmet: Vogels in de kop. Over de menselijke kijk op vogels. 3 dln. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 2009. R.S.R. Fitter: London’s Natural History. London, Collins, 1945. Ernst & Louise Gattiker: Die Vögel im Volksglauben. Eine volkskundliche Sammlung aus verschiedenen europäischen Ländern von de Antike bis heute. Wiesbaden, AULA-Verlag, 1989. Paul Géroudet: Les Passeraux. 3 vols. Deuxième édition revisée. Neuchâtel, Delachaux et Niestlé, 1973. Robert Graves: Greek Myths. London, Cassell, 1961. Francesca Greenoak: All the Birds of the Air. The Names, Lore and Literature of British Birds. Harmondsworth, Penguin Books, 1981. G.C.M. van Havre: Les Oiseaux de la Faune belge. Relevé documenté des espèces sauvages observées en Belgique. Bruxelles, M. Lamertin, 1928. J. del Hoyo, A. Elliott, J. Sargatai, D.A. Christie & E. de Juana (eds.): Birds of the World. Ithaca, New York, Cornell Lab of Ornithology, op https://doi.org/10.2173/bow.rebfly.01. W.H. Hudson: Birds in London. London, New York & Bombay, Longmans, Green and Co., 1898. Fred Hustings & Jan-Willem Vergeer (red.): Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Verspreiding, aantallen, verandering. Leiden, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & Utrecht, KNNV Uitgeverij, 2002. Jean-Paul Jacob e.a.: Atlas des oiseaux nicheurs de Wallonie 2001-2007. Gembloux, Aves & Région Wallonne, 2010. Jenny de Laet: Mussen, een groene partij. Brussel, VUBPress, 1999. Jenny de Laet, Luc Lens, Frank Adriaensen & Greet de Coster: Dossier Huismus. De toestand van de huismus in Vlaanderen: resultaten van de eerste 10 jaar “nationale mussenteldag”http://www.mussenwerkgroep.be/sites/default/files/dossier%2010%20jaar%20mussentelweekend%20definitief.pdf. Peter Müller (samenst.): Mus. Natuur en cultuur van de huismus. Baarn, Tirion Uitgevers & Zeist, Vogelbescherming Nederland, 2005. Jeremy Mynott: Birdscapes. Birds in Our Imagination and Experience. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2009. Ian Newton: The Migration Ecology of Birds. London, Elsevier, 2008. T. Gilbert Pearson, John Burroughs e.a. (eds.): Birds of America. Plates in Full Color by Louis Agassiz Fuertes. Garden City, New York, Garden City Publishing Company, 1936. Christopher Perrins (ed.): The New Encyclopedia of Birds. Oxford, Oxford University Press, 2003. Frances Pitt: Birds in Britain. London, MacMillan and Co., 1948. Plinius: De wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2004. Minouk van der Plas-Haarsma: De huismus. Utrecht & Antwerpen, Uitgeverij Het Spectrum, 1980. Minouk van der Plas-Haarsma: De huismus. Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009. John Pollard: Birds in Greek Life and Myth. London, Thames and Hudson, 1977. Theo Schildkamp: Tussen hemel en aarde. Een ander vogelboek over nachtegalen en wielewalen, over zwaluwstenen en adelaarsgal, over mensen, vogels en andere hoogvliegers. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1978. Paul Sébillot: Croyances, mythes et légendes des pays de France. Édition établie par Francis Lacassin. Paris, Omnibus, 2002. F. Segers: Broedvogels in de Kempen. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1948. Fr. Segers: Zangvogels. Derde omgewerkte uitgave. Turnhout, Centrale “De Wielewaal”, 1947. J. Denis Summers-Smith: On Sparrows and Man. Guisborough, J. Denis Summers-Smith, 2005. Peter Tate: Flights of Fancy. Birds in Myth, Legend and Superstition. London, Arrow Books, 2009. Jac. P. Thijsse: Het vogeljaar. Nederlandsche vogels in hun leven geschetst. Edward Topsell: The Fowles of Heauen or History of Birdes. Edited by Thomas P. Harrison & F. David Hoeniger. Austin, The University of Texas, 1972. Colin Tudge: Consider the Birds. Who they are and what they do. London, Penguin Books, 2008. Hannah Velten: Beastly London. A History of Animals in the City. London, Reaktion Books, 2013. R. Verheyen: Les Passereaux de Belgique. Deuxième édition revue et complétée. 2 vols. Bruxelles, Institut Royal des Sciences Naturelles de Belgique, 1957. Glenn Vermeersch e.a.: Atlas van de Vlaamse Broedvogels 2000-2002. Brussel, Instituut voor Natuurbehoud, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap & Natuurpunt, 2004. Gilbert White: The Natural History of Selborne. With Notes by Richard Kearton. London, New York, Toronto & Melbourne, Cassell and Company, 1911. H.F. Witherby, F.C.R. Jourdain, Norman Ticehurst & Bernard Tucker: The Handbook of British Birds. 5 vols. Vol. I Crows to Firecrest. London, Witherby, 1938-1940.