zondag 21 juli 2019

Cydalima perspectalis







Rups van de buxusmot. Foto Didier Descouens.


Cydalima perspectalis




Sneven arme meesjes in hun nest door het vergif dat tegen de buxusmot wordt gespoten, zoals ik hier en daar lees?

Natuurlijk is er geen één op één correlatie. Ongetwijfeld sterven insectenetende vogels niet alléén door het gif dat wordt gespoten tegen Cydalima perspectalis. Maar ze gaan wel sinds een paar decennia enorm achteruit, onder meer omdat ook de insectenpopulaties, die van de voor onze menselijke voedselvoorziening levensnoodzakelijke bijen incluis, zo'n vreselijke duik hebben genomen. En daar is de in land- en tuinbouw massaal gehanteerde gifspuit mee verantwoordelijk voor. Met als compagnon de monocultuur. Zet je velden en tuinen vol met allemaal planten van één of enkele soorten - maïs bijvoorbeeld, of buxus, of nordmannspar - en besproei je die dan nog tegen zowat al het andere, dat per definitie ongewenst is, van sprinkhaan tot klaproos, dan is het resultaat een drastische achteruitgang van de biodiversiteit: minder planten, minder insecten, minder spinnen, minder vogels. Hoe vaak moet je in de zomer van de voorruit van je wagen de insecten die er tegenaan plakken nog wegkrabben? Nauwelijks, juist. Zelfs in mijn wilde tuintje, waarin ik overigens buxus heb staan die ik echter niet meer besproei, gaat jaarlijks het aantal insecten achteruit: al heel lang heb ik er geen kleine vos of groot koolwitje, grote beer of avondrood, koninginnenpage of landkaartje meer gezien. Waarschijnlijk omdat de waardplanten waarop de rupsen leven, in de ruime omgeving nog nauwelijks worden getolereerd en dus zijn weggespoten. Ik heb wel mussen en ook mezen: dat is toch iets. Maar zwaluwen zijn op het Kiel allang verdwenen en elk jaar zie en hoor ik minder gierzwaluwen.

Mijn buxus besproei ik niet meer. Ik heb een paar jaar nu en dan pyrethrum gebruikt, maar ik ben ermee gestopt. Pyrethrum is weliswaar een biologisch afbreekbaar vergif, maar het blijft vergif en mijn leven hangt tenslotte niet af van het al dan niet smetteloze uitzicht van mijn buxus. Ik merkte bovendien dat de kaalgevreten struiken na een poos weer blaadjes kregen. Net zoals de aangevreten kardinaalsmutsen, die bovendien nog vol hangen met het rag van de rupsen van de stippelmotten die erin huizen, zodra de rups verpopt weer nieuwe bladgroei krijgen. Zelfs een al heel oude buxusstruik, waarvan ik dacht dat hij onder het rupsengeweld de geest had gegeven en die ik daarom tot een centimeter of 30 boven de grond had afgezaagd, heeft op de resterende stammetjes weer nieuwe twijgjes met blaadjes ontwikkeld.

Finito dus met de pyrethrum. Ik laat het verdelgen van de rupsen over aan de mussen, mezen, spreeuwen en kauwen en als het te erg wordt, haal ik ze met de hand weg. Voor de buxuskweker is dat uiteraard niet de oplossing, maar als de particuliere buxusliefhebber de gifspuit opzij zou leggen, scheelde dat al een flinke slok op de borrel. Ook een mogelijkheid is, eens iets anders in de tuin te zetten dan buxus. Dat betekent niet dat alle buxus weg moet, maar iets anders ertussenin kan best. Diversiteit is niet alleen een sympathiek idee, ze is biologisch ook essentieel. Ik blijf me overigens verbazen (dit even terzijde) over de hang van de Vlaamse medemens naar monocultuur. Enkele decennia geleden stonden in tuinen alleen coniferen. Daarna kwam de laurierkers. Even leek het erop dat de hortensia haar hegemonie zou vestigen, maar dat heeft niet mogen zijn. Sinds enige tijd is de buxus alomtegenwoordig. Het is natuurlijk een proper plantje: het blijft groen, het verliest geen bladeren en je kan het in zowat iedere gewenste vorm snoeien, wat het uiteraard eeuwen geleden al populair maakte in op Franse leest geschoeide vormtuinen. Net als de chamaecyparis van enkele decennia terug, is het een échte plant die er toch uit kan zien alsof hij van plastiek is. Is het dat wat de Vlaamse tuinier aantrekt: een plant die als het ware oogt alsof hij in de vaatwasser kan?


In vorm gesnoeide buxus. Nederland.

Wilde buxus. Spanje.

Nochtans is Buxus sempervirens best een interessante levensvorm. De botanische systematiek weet er niet zo best raad mee: is hij verwant aan hulst en esdoorn of eerder aan wolfsmelk en rubberboom? In Vlaanderen komt hij niet in het wild voor, maar wel in Zuid-Engeland, Wallonië, Frankrijk en Zuid-Europa, en naar het oosten toe tot in China. De genetische variatie van de buxussen is groot maar ook erg complex, wat tot gevolg heeft dat sommige auteurs stellen dat er een 30-tal buxussoorten is, terwijl anderen een goede 100 species onderscheiden. Natuurlijke buxusbossen, zoals je die in België ook in de Maasvallei vindt, hebben iets sinisters door de erg grillige vorm van de tot 8 meter hoge struiken of bomen, het heel donkere blad en de doordringende geur, die in de literatuur als "vossenlucht" wordt getypeerd maar die mij vooral herinnert aan de pis van een volle kater. In de antieke wereld werd buxus met dood, onderwereld en wedergeboorte geassocieerd, misschien omdat hij erg giftig is (zelfs konijnen eten er niet van) én het hele jaar groen blijft. In het volkse christendom van West-Europa, werd hij de stand-in voor de bijbelse palm, die immers in noordelijker regionen niet voorkomt. Daarom werden/worden met Palmzondag (Palmpasen voor onze noordelijker wonende vrienden) buxustakjes geknipt en in de kerk gewijd, om in huis te worden opgehangen als bescherming tegen allerlei onheil (zoals blikseminslag, bijvoorbeeld). Die gezegende takjes werden het jaar nadien verbrand en met de as zette de pastoor met Aswoensdag schmutzige kruisjes op het voorhoofd van de gelovigen. Tegenwoordig heeft zowat iedereen het over "buxus", maar in mijn kindertijd en jeugd heb ik het plantje vrijwel nooit anders dan "palmboompje" horen noemen. Of "buksboom", dat net als het Duitse "Buchsbaum"en het Engelse "box" verwant is met het Latijnse "buxus". En dat woord gaat waarschijnlijk terug op het Griekse "puxos", dat niet alleen aan het boompje en zijn hout refereert, maar ook aan de kistjes of doosjes die ervan werden gemaakt. Ik zou hier nog verder kunnen uitweiden over "box" dat ook doos betekent, over de verwantschap van "buis" (het Frans voor "buxus") met "bois" en "boîte", maar ga dat niet doen. Maar beroepshalve kan ik er uiteraard niet aan voorbijgaan dat buxushout zeer hard en duurzaam is en daarom onder andere uiterst geschikt voor de vervaardiging van klarinetten, hobo's en fluiten.

Door buxusmot aangetaste buxus.

De mot dan. Het is in feite best een mooi vlindertje, en de rups is ook niet onaardig. De mot behoort tot de familie van de grasmotten (Crambidae) waartoe nog een resem andere kleine vlindertjes worden gerekend, ook een aantal inheemse. Daar zijn er enkele heel merkwaardige bij. Zo is er bijvoorbeeld de duikermot (Acentria ephemerella) waarvan het mannetje een gewoon gevleugeld vlindertje is dat tussen mei en augustus rondfladdert en hoogstens twee dagen leeft; van het vrouwtje is er zowel een gevleugelde als een ongevleugelde versie en de ongevleugelde leeft in het water, een eerder ongewoon biotoop voor een vlinder. Andere inheemse grasmotten zijn onooglijke grauwe of bruine beestjes als de bruine grasmot (Crambus silvella), de zeldzame gevlamde grasmot (Cynaeda dentalis) en de drietandvlakjesmot (Catopria falsella), maar ook opvallende schoonheden als de waterlelievlinder (Elophila nymphaeata), waarvan de rups onder water leeft en er ook verpopt, het muntvlindertje (Pyrausta aurata) en de bonte brandnetelmot (Anania hortulata). Cydalima perspectalis is een exoot. Het diertje is in Oost-Azië inheems en werd in Europa voor het eerst gesignaleerd in Zwitserland. Waarschijnlijk werd het per ongeluk geïntroduceerd omdat het zich ophield in verpakkingshout van uit China afkomstige natuursteen. Daarna ging het snel: eerst werd de soort in Duitsland gevonden, maar al heel spoedig breidde ze zich uit naar de rest van Europa. In Nederland dateert de eerste waarneming van 2007, in België van 2010. De rups, die in Europa hele buxuspopulaties kaalvreet met alle gevolgen vandien, leeft in het land van herkomst merkwaardig genoeg niét op Buxus sempervirens, die daar immers niet voorkomt, maar op andere buxussoorten en op nog een paar andere planten, zoals de Japanse kardinaalsmuts en de zwarte moerbei. Bij ons laat ze andere planten dan buxus met rust. Dat de mot zich zo snel kon verspreiden, heeft natuurlijk te maken met de alomtegenwoordigheid van buksstruikjes in veel Europese tuinen. Ik zei het al en herhaal het hier nog eens: monocultuur is altijd problematisch.

De buxus in de tuin: wat doe je ermee, nadat de buxusmot hem als kraamkliniek-annex-kleutertuin heeft uitgekozen? Zoals ik al zei: liefst niet teveel vergif erop, je doet op die manier nog eens een extra duit in het zakje om het ecosysteem naar de knoppen te helpen. Laat je buxus gewoon staan, aangevreten en al: de blaadjes komen gewoonlijk wel terug. Wat ook zou helpen, is de struik niet per se in één of andere gladde geometrische vorm te willen snoeien, maar hem zijn natuurlijke, losse, grillige en wat vlokkige groeiwijze te gunnen. Rupsen zouden in zo'n wildere buxus minder te keer kunnen gaan, ook al omdat de struik veel toegankelijker is voor vogels. Ik heb dit niet zelf verzonnen: de tip komt van Paul Stryckers, de aartsvader van de Vlaamse natuurgidsen. Wat maakt dat ik minstens geneigd ben het eens uit te proberen. En tenslotte is er de radicaalste oplossing. Maak toch eens schoon schip met die buxus. Bloeiende buxus is een bijenplant, maar de struikjes die je gewoonlijk in onze tuinen aantreft, krijgen nooit de kans bloemen te dragen - ha nee, dan zijn ze niet strak genoeg en vallen ze uit de toon bij het gemillimeterde gazon. Laat dus je buxus staan als je het hem gunt een natuurlijke, losse vorm te ontwikkelen en jaarlijks te bloeien. Maar smijt hem eruit als je dat niet ziet zitten, en vervang hem dan door bloeiende, kleurrijke, geurige struikjes als lavendel, rozemarijn of marjolein. De vlinders, hommels en bijen zullen je dankbaar zijn.

Clement Caremans (c) 2018, 2019

Buxusmot. Foto Leo Janssen. 


maandag 15 juli 2019

Snowball



Snowball



Een man stapt een dierenwinkel binnen en vraagt hoeveel de groene papegaai in de vitrine kost. Vijftigduizend, zegt de uitbater. Geschrokken vraagt de man wat het beest dan wel zo bijzonder maakt. De winkelier zegt dat de papegaai alle opera's van Puccini kan zingen, in het Italiaans nota bene. Daarop vraagt de man de prijs van de gele papegaai. Honderdduizend, is het antwoord. Verbluft vraagt hij wat deze vogel kan. Niet alleen de complete Puccini, luidt het antwoord, maar ook de volledige Wagner, inclusief de zestien uur durende Ring des Nibelungen, in het Duits. Hoeveel is het voor de blauwe? zucht de klant. Eén miljoen, op de kop. Geheel onthutst vraagt hij wat daar tegenover staat. Geen flauw idee, zegt de winkelier, maar de andere twee noemen hem Maestro.


Ik heb een zwak voor papegaaien. Achtereen, als het weer herfst wordt en de schemering al aanvangt als ik van het Vleeshuis naar het Kiel fiets, zie ik, en hoor ik vooral, iedere avond de halsbandparkieten die hun nachtelijke rustplaats opzoeken in het Kielpark. Als helgroene starfighters klieven ze door de lucht en strijken ze neer in de imposante bomen, waar ze al ruziënd en tierend hun slaapplekje veroveren en zoveel herrie maken dat ze zelfs de kauwen en de spreeuwen overstemmen. Ik weet het: halsbandparkieten zijn exoten en puristen vinden dat ze hier niet thuishoren. Maar ik zou ze missen, mochten ze weer verdwijnen.

Papegaaien zijn bijzondere vogels. Ze zijn bijzonder intelligent en hebben in ieder geval een merkwaardig leervermogen. Ze slagen erin hele stukken muziek of menselijke spraak met grote precisie te imiteren en sommige onderzoekers, zoals de Amerikaanse Irene Pepperberg, zijn ervan overtuigd dat ze bovendien de woorden die ze leren, kunnen verbinden met hun betekenis. Anders gezegd: een papegaai zou niet alleen de klank van de menselijke spraak kunnen nabootsen, hij zou tot zekere hoogte ook kunnen leren te begrijpen wat hij zegt. Pepperberg beweert in ieder geval dat je met haar grijze roodstaart Alex een heus gesprek kon voeren.

De geelkuifkaketoe Snowball is dan weer een Youtube-fenomeen geworden omwille van zijn danscapaciteiten, en intussen is hij ook voor wetenschappers een begrip (*). Want de moves van Snowball wijzen, net als het gebabbel van Alex, op een merkwaardige intelligentie. Op het internet zijn er filmpjes te vinden waarin je Snowball aan het werk ziet met Cindy Laupers Girls just want to have fun. En doe jezelf een lol en zoek ook zijn interpretatie van Another one bites the dust van Queen eens op.


Clement Caremans (c) 2019




Egels in nesten








Egels in nesten



Toen ik en mijn drie jaar jongere zus nog studeerden, hadden wij tijdens de blok- en examenperiode van juni een vast avondritueel. We stapten om een uur of 9, half 10 's avonds op onze fiets en maakten een tochtje. We fietsten vaak vanuit de Hobokense Draaiboomstraat richting Hemiksem, via Sorghvliet en het Fort 8 naar het centrum van Hemiksem waar toen jeugdhuis Den Hamincs floreerde, en dan weer terug. Onze tocht voerde langs wei- en akkerland en ruige, verwilderde stukken grond die intussen allang werden verkaveld en volgebouwd. Tijdens één van die ritjes troffen we in het midden van de rijweg twee kleine egeltjes aan. Van hun moeder was geen spoor, we vermoedden dat ze ergens dood in de berm lag, een slachtoffer van het nog veel minder drukke maar toch al voor egels vaak dodelijke autoverkeer. De buurt werd uitgekamd, zonder resultaat, en dus besloten we de egeltjes - hoe noem je jonge egels in feite: pups, welpen, biggetjes? - mee naar huis te nemen, de fietszak in en klaar was kees. Thuis werden ze in een afgebakend stuk van de tuin gezet, een op dat moment niet gebruikte bakserre die in het voorjaar nog vol radijsjes had gestaan. De egels kregen in melk geweekt brood met een rauw ei eronder, zwoerdjes van hesp, nu en dan wat slachtafval, regenwormen en slakken, veel slakken: alles werd met luid gesmak naar binnen gespeeld. Ze groeiden als kool en werden handtam, wat vooral betekende dat ze kwamen aangerend als je hun bak naderde en zich niet meer spontaan tot een stekelige kogel oprolden als je in hun buurt kwam, maar zich zelfs lieten oppakken en manipuleren. Ze zaten steevast vol vlooien en hadden de gewoonte zichzelf te bespuwen om zich te wassen. Ze in de tuin loslaten, zat er niet in, want de buren waren nogal kwistig met allerlei verdelgingsmiddelen en om ze weer uit te zetten in de natuur waren ze veel te tam geworden. Hoelang we ze precies hebben gehad, weet ik niet meer - enkele jaren, denk ik.


Blijkbaar zijn egels intussen sterk op de terugweg: volgens een recent bericht van Natuurpunt (Natuurpunt trekt aan de alarmbel: aantal egels op 10 jaar tijd bijna gehalveerd) is hun aantal in Vlaanderen in tien jaar tijd met bijna de helft afgenomen. Dat ze zo ongelooflijk achteruit gaan, is niet bepaald verwonderlijk. De jongste jaren zag ik ze vrijwel alleen nog maar in doodgereden, door autobanden uiteengereten toestand. Hun leefgebied is enorm ingekrompen: net als de buurt waar ik mijn stiefegeltjes destijds heb gevonden helemaal werd verkaveld en volgebouwd, is een groot deel van Vlaanderen gebetonneerd, versteend, geasfalteerd. Een egel heeft een leefareaal van 10 tot 40 ha nodig. Waar er akkers, velden of grote tuinen zijn, gescheiden door hagen of greppels, vinden egels een geschikt habitat. Deel die 40 ha op in percelen, gescheiden door verharde wegen en stenen muren, en ze hebben er niets meer te zoeken. Zeker niet als de resterende tuinen alleen maar met pesticiden behandeld gemillimeterd gazon in de aanbieding hebben. Ook buiten de bebouwde kavels werd het er niet beter op. Greppels langs de wegen werden de jongste decennia vervangen door betonnen buizen, bermen werden verhard, kreupelhout en hagen werden gerooid, voor de gediversifieerde teelten op de akkers kwam maïs, maïs en nog eens maïs in de plaats. Vergif wordt nog massaler gebruikt dan vier decennia geleden, met kwalijke gevolgen voor de insectenfauna. Waarom de egel precies zo achteruit gaat is alsnog niet duidelijk, maar het lijkt erop dat hij grosso modo in hetzelfde bedje ziek is als zoveel andere ooit heel talrijke en ondertussen bedreigde levensvormen: een combinatie van drastisch habitatverlies en instorting van de biodiversiteit. In grote lijnen dat, wat ook grauwe vliegenvanger, koekoek en zomertortel de das omdoet. Dat de egel zo achteruit gaat, is om meerdere redenen bijzonder jammer. Egels zijn vrij primitieve placentalia, die in de stamboom van de zoogdieren dicht bij de basis staan van de Euarchontoglires, een clade waartoe ook wij mensen behoren. Ze bestaan al meer dan 60 miljoen jaar en zijn de jongste 15 miljoen jaar nauwelijks veranderd. Het geheim van hun succes? Ze zijn nauwelijks gespecialiseerd, eten vooral wat altijd al in grote aantallen voorhanden was - insecten, wormen, slakken - en hebben met hun stekelvacht een merkwaardig effectieve bescherming ontwikkeld. Ze overleefden met deze combinatie van flexibiliteit qua menu en een stekelig pakje diverse opeenvolgende geologische tijdvakken. Maar tegen autobanden hebben ze geen verhaal. En tegen insecticiden al evenmin: als de insecten verdwijnen, delen de insecteneters in de klappen.
Een levensvorm die het 15 miljoen jaar heeft volgehouden: dat verdient enig respect. Straf toch, en ook wraakroepend, dat we erin slagen om ook dit iconische beestje naar de verdoemenis te helpen.

Clement Caremans (c) 2019

Foto Leo Wijering.

zaterdag 6 juli 2019

Nieuwe huurders








Nieuwe huurders

Jarenlang nestelden er gierzwaluwen in de omkasting van de dakgoot van onze buren. Maar toen de corniche werd vervangen, verdween ook de nestplaats van de vogels. Weg gierzwaluwen. Toen wij wat later onze dakbedekking en corniche lieten vervangen, besloten we meteen ook een gierzwaluwennestkast te hangen. Er zaten nog altijd gierzwaluwen in onze buurt, al hadden we de indruk dat de meeste nestplaatsen in onze straat verdwenen waren: daken waren in de loop der jaren gerenoveerd, gevels gesaneerd, maar aan de gierzwaluwen was helaas niet gedacht.


Vier jaar geleden plaatsten we onze nestkast. Ieder voorjaar, in mei, als de gierzwaluwen uit de tropische oorden terugkeerden waar ze driekwart van het jaar verblijven, keken we reikhalzend uit naar eventuele gebruikers van het gierzwaluwenappartement. Nougatbollen, telkens weer. Tot daarstraks mijn betere helft me kraaiend van de pret kwam vertellen dat we dit jaar huurdertjes hebben. Ik ging poolshoogte nemen en inderdaad: uit het vlieggat van de nestkast verscheen het rare kopje van een gierzwaluw, waarna die als een stuka het Kielse luchtruim koos. Gierend, zoals het hoort. In de nestkast hoorde ik zacht gepiep.



Over enkele weken vliegen de piepertjes uit en in augustus trekken ze hun ouders achterna richting Afrika. Dan begint voor hen een leven dat zich haast geheel in de lucht afspeelt. Alleen om te broeden zullen ze nog de vaste grond opzoeken: de rest van hun bestaan zullen ze vliegend doorbrengen. Zelfs om te paren en te slapen zullen ze niet landen: slapen doen ze al vliegend, op een hoogte van 1500 tot 5000 meter. Hun leven zal vooral gevuld zijn met het jagen op insecten, waarvan ze er dagelijks een paar duizend soldaat maken. Al jagend zullen ze vele tienduizenden kilometers afleggen, zowel in de zomermaanden in het West-Europese zwerk als de rest van het jaar in het Afrikaanse luchtruim.

Maar voorlopig piepen ze nog zachtjes in de gierzwaluwenkast onder onze corniche en worden ze door hun gierende en krijsende stuka-ouders volgestopt met insecten.

Clement Caremans (c) 2019