zondag 18 augustus 2019

Wild






Wild


Jarenlang gingen wij 's zomers naar Toscane. Soms in juni, meestal in september. Juni was eigenlijk het mooist, want dan stond alles in bloei. Vooral enkele velden langs de E78, de oude weg van Monte San Savino (vlakbij Ciggiano, waar we gewoonlijk een huisje huurden) naar Siena maakten indruk. Tussen Palazzuolo en Colonna di Grillo was een aantal velden helemaal rood van de klaprozen. Zo intens rood, dat we er stil van werden. Rothkovelden. En op die klaprozen zat het vol insecten, ook bijen. De olijfgaard van het huisje waar we logeerden, was eveneens een wildebloemenparadijs, met bijen, hommels, torren, vlinders, wantsen, sprinkhanen navenant. Wandelingen in de Dordogne, de Pyreneeën, de Calestienne, Suffolk, Somerset, Devon, Wales, de Voer, Friesland of zelfs de Hobokense Polder, vertellen telkens hetzelfde verhaal: waar er een grote diversiteit is aan bloeiende wilde planten, zitten er veel insecten. Wildheid loont. Haal de wilde bloemen weg, en het wordt akelig stil in de lucht. In een maïsveld zoemen geen hommels of bijen. In ons piepkleine stadstuintje, waar ossentong, donkere ooievaarsbek, gele dovenetel, stinkende gouwe, leeuwenbek en robertskruid dooreen woekeren, krioelt het momenteel van de wilde bijen en de hommels. Ook op de royaal bloeiende kardinaalsmuts zijn ze verzot. Ik geef het grif toe: keurig is onze Kielse hortus conclusus niet. En de stippelmotrupsen, die in de loop van de volgende weken de kardinaalsmutsen half kaal zullen vreten en hun spinsels tussen de kalende takjes achterlaten, maken de zaak niet keuriger. Maar de rupsen trekken mezen en mussen aan, die er hun nestjongen mee voederen, wat alweer voor uitbundig gefladder zorgt. In een gedesignde tuin met alleen maar hortensia's, buxus of bamboe, zie je geen bij, hommel of mus. Toegegeven, ook geen stippelmotrups - en als er al een zich zou laten zien, was er wel de spuitbus binnen handbereik. Nee, doe mij maar wild. Met bijen en rupsen. En vogels.

Clement Caremans (c) 2019

woensdag 14 augustus 2019

Triturus sp.

Kamsalamander of grote watersalamander (Triturus cristatus)




Triturus sp.



Reeds als kind had ik een bijzondere fascinatie voor reptielen en amfibieën. Ik had dikkopjes en later ook kikkers, padden en salamanders in aquaria en terraria. Bruine kikkers werden gevangen in de sloten van de Hobokense polder, vooral in de buurt van de terreinen van Maccabi, voorbij de Visputten. In die sloot huisden tussen waterpest, kranswier, vederblad, hoornblad en sterrenkroos ook kleine watersalamanders, stekelbaarzen, waterspinnen, bootsmannetjes en waterschorpioenen, op de planten kropen poelslakken en posthoorntjes rond en aan de oppervlakte joegen schaatsenrijders en schrijvertjes. Ik wou van al dat moois en fascinerends de naam weten en slaagde erin heel wat te determineren aan de hand van het boekje Wat vind ik in sloot en plas? van W.J. Prud'homme van Reine, dat ik van mijn moeder had gekregen en haast uit het hoofd kende. In de plassen rond en in de bunkers van de Wilrijkse Moerelei, door ons destijds de "redoutes" genoemd, kon je behalve kleine watersalamanders ook alpenwatersalamanders, vinpootsalamanders en kamsalamanders vinden. In die waters, met een veel groter oppervlak dan de poldersloten, zaten tussen de waterranonkels en de gele plompen ook groene kikkers, soms enorme kleppers. En nog andere reuzen: de zwarte en geelgerande watertor, de eerste een trage en goeiige planteneter, de andere een pijlsnelle rover die kikkervisjes en stekelbaarsjes belaagde. Ik hield ze in aquaria en kon er eindeloos naar zitten kijken, net als naar de in het water levende larven van libellen met hun uitklapbare vangmasker dat hen in staat stelde bliksemsnel argeloze prooien te overmeesteren. Ik keek uiteraard ook uit naar padden, maar die heb ik er nooit gezien: mijn eerste gewone pad, die ik Cleo doopte, van Cleopatra uiteraard (pun very much intended), ving ik op een schoolreis ergens in Brabant toen ik een jaar of elf was. Het was eind juni, een zwoele dag met in de namiddag plots een onweer. Na de bui kwamen overal kleine padjes tevoorschijn, waarvan ik er één meenam; ze kwam in een terrarium terecht waar ik ze jarenlang heb gehouden, eerst alleen, later met een gezel die Cesar werd gedoopt. Watersalamanders hield ik in een dicht met waterpest en hoornblad begroeid aquarium: de mooie kamloze blauw met zwarte alpenwatersalamander met zijn rode buik, de polka-dot getekende kleine watersalamander met zijn heel hoge rug- en staartzoom en de vreemde vinpootsalamander met zijn afgeknotte staartpunt waaraan nog een draadvorming aanhangsel bengelt. De absolute topper was echter de waarlijk glorieuze kamsalamander die ik ooit kreeg van een neef die hem naar verluidt had gevangen in de niet lang daarna gedempte Zuiderdokken. Het was een prachtig beest, maar op een dag ontsnapte hij uit zijn aquarium en ik heb hem nooit teruggevonden. Wellicht rusten zijn gemummificeerde stoffelijke resten nog altijd ergens onder een planken vloer of achter een plint in nummer 66 van de Hobokense Draaiboomstraat.

Clement Caremans (c) 2019

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) 


Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris)

woensdag 7 augustus 2019

Paddenhandjes en nazi-schurken



Vroedmeesterpad





Paddenhandjes en nazi-schurken




Jarenlang kwamen wij heel veel in de Calestienne, het kalkrijke gebied waar de Viroin doorheen stroomt en waar je een heel aparte fauna en flora vindt. Een soort die daar floreert, is de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), een heel primitieve kikkerachtige uit West- en Zuid-West-Europa waarvan het mannetje de eisnoeren die het wijfje legt, rond zijn achterlijf wikkelt en daar dan een paar weken mee rondkruipt. Hij verblijft op het droge maar zoekt nu en dan water op om de snoeren wat vochtig te houden en na een drietal weken, als de embryo's ontwikkeld zijn tot kikkervisjes, zoekt hij een waterpartij - een plas, greppel, poeltje of karrenspoor - om de eitjes erin te deponeren, waarop de visjes prompt uitzwemmen.  Ik heb in de Calestienne maar eens een enkel vroedmeesterpadje ontmoet, en in de Voerstreek waar we vaak gaan wandelen en waar ook vroedmeesterpadden zitten, zag ik ze (nog) nooit. Evenmin zag ik ze in het Hallerbos, dat mijn betere helft en ik vroeger frequenteerden, vóór de boshyacintenhype dit prachtige landschap iedere lente transformeerde tot een te mijden oord met een drukte die aan het shopping center van Wijnegem herinnert.

Ik dacht dus dat de vroedmeesterpad een beestje was dat een uiterst verborgen leven leidt, tot we op een keer, toen we in in Montréjeau verbleven, aan de voet van de Pyreneeën in de Haute Garonne, er vele tientallen hoorden en zagen in de tuin van het huis waar we logeerden. De hele tijd hoorde je hun hoog getinkel, en als je in de plantenschalen keek of in de voet van de tuinparasols, wemelden de padjes daar dooreen, terwijl het in de wat grotere waterpartijen krioelde van de paddenvisjes. Een Algerijnse vriend van onze gastvrouw en -heer had het niet hoog op met de diertjes: hij associeerde ze met djinns, waarschijnlijk vanwege het water waarin ze leefden - we kwamen er niet echt achter hoe de vork precies aan de steel zat. Padden en hun verwanten werden en worden overigens wel meer met onheil in verband gebracht, en in het Europese volksgeloof worden ze vaak geassocieerd met hekserij.


Een merkwaardig verhaal in verband met de vroedmeesterpad las ik jaren geleden bij Arthur Koestler. In The Case of the Midwife Toad vertelt hij de geschiedenis van de Oostenrijkse bioloog Paul Kammerer. Kammerer was een aanhanger van de lamarckistische visie op evolutie. In tegenstelling tot de volgelingen van Charles Darwin, voor wie evolutie in eerste instantie gedreven wordt door de overerving van door toevallige mutaties ontstane eigenschappen middels een proces van natuurlijke selectie, denken de aanhangers van Jean-Baptiste Pierre Antoine de Monet, Chevalier de Lamarck, dat eigenschappen en kenmerken die een organisme in de loop van zijn leven ontwikkelde, via erfelijke weg kunnen worden doorgegeven aan volgende generaties. Kammerer specialiseerde zich in experimenten met amfibieën, waarbij hij probeerde aan te tonen dat blinde en kleurloze olmen gekleurd en ziend kunnen worden als je ze aan de juiste omstandigheden blootstelt, dat eierleggende vuursalamanders levendbarend kunnen worden en levendbarende alpensalamanders eierleggend in de juiste context, én dat deze verworvenheden dan ook nog kunnen worden doorgegeven aan het nageslacht. Vroedmeesterpadden hield hij in terraria waarin de temperatuur hoger was dan de dieren normaliter prefereren, en zo bracht hij ze ertoe het water op te zoeken. Omdat vroedmeesterpadden niet in het water paren, missen de mannetjes de paringskussentjes aan hun voorpoten waarmee haast alle mannelijke kikkerachtigen die zwemmend de liefde bedrijven de wijfjes tijdens de amplexus stevig omklemmen. Kammerer beweerde dat al na twee generaties zijn vroedmeestermannetjes zwart gekleurde eeltige paringskussentjes ontwikkelden. Ongetwijfeld hadden de voorouders van Alytes obstetricans ook kussentjes gehad, maar Kammerer beschouwde ze als een nieuw verworven eigenschap. Binnen de wetenschappelijke wereld werden zijn claims met ongeloof onthaald. De geprepareerde specimens die hij als bewijs aandroeg, werden microscopisch onderzocht door critici en Gladwyn Kingsley Noble van het American Museum of Natural History ontdekte dat er helemaal geen nuptiaal eelt aanwezig was op de paddenhandjes, maar dat het zwart afkomstig was van injecties met Oost-Indische inkt. Kammerer ontkende van het bedrog op de hoogte te zijn en verdacht een overijverige assistent ervan de injecties te hebben toegediend, maar hij bleef bij zijn claims. Binnen de wetenschappelijke wereld werd hij echter als bedrieger aan de kaak gesteld en zijn reputatie was naar de haaien. Zes weken na het verschijnen van Nobles vernietigende artikel in Nature, maakte Paul Kammerer een einde aan zijn leven in het bos van Schneeberg.


Paul Kammerer

Hiermee was de controverse niet ten einde. Arthur Koestler stelt in The Case of the Midwife Toad dat het frauduleuze gebeuren politiek geïnspireerd was. Kammerer stond bekend als een fervent socialist en pacifist en als zodanig had hij zeker heel wat vijanden aan de Weense universiteit, die in die dagen een broeinest was van het opkomende nationaal-socialisme. Een jonge nazi zou de gehate rooie Kammerer erin geluisd hebben, met een daad van sabotage die helemaal in de lijn lag van hoe het er in die dagen in Wenen aan toe ging. Binnen de biologische wereld werd Koestlers hypothese niet gevolgd en Kammerer bleef er persona non grata, niet alleen door het gedoe met de pad, maar ook omwille van andere heterodoxe interesses van de man. Zo was hij bijvoorbeeld ook gefascineerd geweest door reeksen van toevallige gebeurtenissen en hij schreef daar een boekje over, Das Gesetz der Serie, dat Carl Gustav Jung beïnvloedde bij de ontwikkeling van zijn theorie over betekenisvolle synchroniciteit. Kortom: Kammerers interesses schurkten wat ongemakkelijk aan tegen de parapsychologie, en dat maakte hem als wetenschapper sowieso enigszins verdacht. Maar gezien de belangstelling die de biologie in onze tijd aan de dag legt voor epigenetica, vermoed ik dat het laatste woord over de onfortuinlijke Paul Kammerer en zijn padjes nog niet is gezegd of geschreven.
Ik blijf benieuwd.

Clement Caremans (c) 2019


Vroedmeesterpadden in amplexus