dinsdag 24 november 2020

SOS Hobokense Polder







SOS Hobokense Polder



Ik ben Hobokenaar. Niet geboren, maar wel getogen. Dat maakt mij in de ogen van mijn betere helft, die van het Kiel afkomstig is, onherroepelijk tot een boerenkinkel. Want Hoboken, zo heette het in de jaren 1950-1960 in haar familie, was een boerengat. Ze spraken er een vreemd taaltje - ze zegden "kezze" in plaats van "karse" tegen kersen, hadden het over "blaa kaasse" wanneer ze aan blauwe sokken refereerden en noemden een teiltje een "soemmel". Nog erger dan de omstandigheid dat in het Hobokens patatten rijmt op geiten, adding insult to injury als het ware, was dat de gemeente, in tegenstelling tot geciviliseerder gebieden als het Kiel, Linkeroever en de Luchtbal, niet tot de stad Antwerpen behoorde. Hoboken, kortom, lag op de buiten - de parking, zou men vandaag zeggen. Ook nu heet de inmiddels al 40 jaar bij Antwerpen ingelijfde gewezen gemeente overigens nog steeds een hoge graad van landelijkheid te hebben: in de ogen van oerstedelingen als mijn eega hoort Hoboken niet in de categorie van districten als Merksem, Borgerhout, Deurne en Berchem - nee, het laat zich eerder indelen bij Berendrecht, Zandvliet en Lillo. Of bij Abele en De Moeren, in feite.
Die opvatting van Hoboken als een stukje boerenbuiten dat aan de Grote Stad Antwerpen vastkleefde en er vervolgens in werd opgenomen, is wat vreemd. Want ook in de jaren 1950 was de gemeente al diepgaand geïndustrialiseerd. Familieleden van mij verdienden hun boterham in de Hobokense zware nijverheid, op de Zaat, in de Wolkammerij, in de Zilverfabriek; vrienden en kennissen waren vingers kwijtgespeeld bij Schuybroeck. Van over 't water kwamen de Waaslanders in de Hobokense fabrieken werken en sommigen vestigden zich ook in de gemeente, opvallend vaak als kruidenier. 









De Hobokense Polder was in mijn vroege kinderjaren nog écht polder: akker- en weidegrond met kleine gehuchten als het Broekskot en de Visputten, maar ook die polder, die nog enkele meter onder zeeniveau lag, zat al geklemd tussen Cockerill Yards in het zuiden en Petroleum-Zuid, de Petrol, in het noorden, terwijl vlakbij de petroleumketels zich de ruïne bevond van de Aciérie, de oude staalgieterij van voor de oorlog. De Petrol dook vaak op in de verhalen van mijn grootouders: in 1904 had er immers een felle brand gewoed, die in hun herinnering een indruk had achtergelaten vergelijkbaar met de V1's en de dichtgevroren Schelde van de jaren 1890. De "echte" polder werd echter in de tweede helft van de jaren 1960 bedekt onder een metersdikke laag aarde, afkomstig van de graafwerken voor de aanleg van de Ring (die toen steevast de E3 werd genoemd). Ook afbraakmateriaal en afval van stortplaatsen kwam in de oude polder terecht. Bovenop al die rotzooi werd Polderstad gebouwd, een prestigeproject van het haast homogeen socialistische Hobokense gemeentebestuur (de BSP had de volstrekte meerderheid sinds 1921!) dat echter nooit werd voltooid. De opgehoogde aarde-met-rotzooi die niét volgebouwd geraakte, werd vanaf de jaren 1970 gekoloniseerd door planten en dieren. Op de kale zandvlakten broedden aanvankelijk kleine plevieren en andere steltlopertjes, later, toen ze een groen en bloeiend kleedje hadden gekregen, zag je er patrijzen, graspiepers en veldleeuweriken. Ik herinner me stukjes weiland die geheel roze waren van het duizendguldenkruid of grijs van het hazenpootje. Er stonden grote plassen op de opgehoogde polder, en daarop ontwikkelden zich rietland en wilgenbroek. Van sommige vogels die ik in die vroege jaren in de polder heb gezien, kan ik vandaag nauwelijks geloven dat ze er ooit hebben gezeten: zomertalingen en watersnippen op de plassen, rietgors, blauwborst, grote karekiet en woudaapje in de rietkragen, goudvink, bonte vliegenvanger, zomertortel en klapekster in de doornbosjes achter de Aciérie... Langs de oude spoorweg naar de Aciérie huisde een flinke populatie levendbarende hagedissen, de sloot ernaast was in het voorjaar één bleekroze tapijt van bloeiende waterviolier. Maar aan de andere kant van die sloot was het stort, de vuilnisbelt van Hoboken.

Nijlganzen en Canadese ganzen


Kuifeenden


Toen ik in de jaren 1970 in de polder rondstruinde, alleen of met mijn spitsbroeder Henk, was er zo te zien maar weinig interesse voor het gebied. Gewoonlijk was je er zo goed als alleen, al herinner ik me wel een paar minder aangename confrontaties met ene Çois - zijn familienaam heb ik nooit geweten - die er met een geweer rondliep en zogezegd optrad als hoeder van de natuur: ik dacht er het mijne van. Een groepje enthousiastelingen, de Werkgroep Hobokense Polder (WHOP) zette zich in voor het behoud van het gebied als natuurreservaat, op dat moment een bepaald visionaire benadering, want ook een aficionado als ik moest toegeven dat het, spijts de soms bijzondere flora en fauna, een met groen overwoekerde stortplaats was. Maar de polder bleef en ontwikkelde zich, ondanks zijn wat vervuilde verleden, tot een van de grootste, mooiste en interessantste natuurgebieden in het Antwerpse. Intussen kom ik er niet zo vaak meer, omdat het me er dikwijls wat te druk is geworden. Want inderdaad, in tegenstelling tot de jaren 1970-1980, toen je er bij wijze van spreken in je blote flikker kon rondlopen omdat je er toch alleen was, loop je vandaag de dag in de intussen door Natuurpunt beheerde polder altijd wandelaars tegen het lijf, die er van het landschap komen genieten (voor de goede lucht hoef je er natuurlijk nog altijd niet te komen) of met de kinderen naar de galloways komen kijken (tot 2016 stonden er ook koniks, maar die werden weer weggehaald). Ongetwijfeld is de recreatiedruk op het gebied aan de hoge kant, maar dat kan moeilijk anders: Antwerpen heeft maar weinig groen, dus troepen de liefhebbers ervan samen op de schaarse plekken die er nog zijn. Maar als je tegen de avond, of heel vroeg 's ochtends, bij voorkeur op een weekdag, in de polder gaat wandelen, kan je er nog altijd het gevoel hebben helemaal alleen in de natuur te zijn. Er schicht een eekhoorn weg, je vangt een glimp op van een rode schim tussen de struiken, een vos, en als de wind gunstig staat betrap je misschien wel een ree die bij een plas staat te drinken. Of je staat plots oog in oog met een buizerd die een muis heeft verschalkt. Ook al weet je dat er onder jou, onder de kruidlaag waartussen spinnen wegschichten, een paar meter aangevoerde grond met afval zit, je voelt je als Daniel Boone die voor het eerst door de Appalachen trok. In theorie kan iedere Antwerpenaar dit gevoel meemaken, als hij of zij de moeite doet op het juiste moment de polder te bezoeken. Op loop- of fietsafstand van zijn of haar woning. En voor de geïnteresseerde natuurliefhebber, de amateur- of vakbioloog, is er méér: er groeien zeldzame orchideeën in de polder, er komen vlinders en sprinkhanen die je nergens anders in dit landsdeel nog vindt, er pleisteren elk jaar weer lepelaars... Dat dit kan, dat dit bestaat, is goud waard.
Behouden, zeg ik dan, by all means. Niet behouden, of zelfs door onrechtstreekse ingrepen in gevaar brengen, is gezien de schaarste van plekken als deze totaal onverdedigbaar. 
Eikenpage


Maar uiteraard is Vlaanderen, wel ja, Vlaanderen. Dat betekent dat het beleid bij het zien van bomen spontaan denkt aan kettingzagen. Zoals een vroegere minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het kernachtig uitdrukte: het is altijd al de functie van bomen geweest om gekapt te worden. En na dat kappen van bomen volgt gewoonlijk het storten van beton. Natuur, ook al gaat het om een door flora en fauna heroverde stortplaats, betekent in Vlaanderen in de eerste plaats ruimte die kan worden verkaveld en volgebouwd. Ach ja, er is natuurlijk een bouwshift (oorspronkelijk heette die "betonstop", een term die blijkbaar moest worden geweerd wegens te confronterend voor die al zo getergde bouwpromotoren), maar die wordt pas effectief in 2040. Je weet wel, tegen de tijd dat we de dijken een paar meter hebben moeten verhogen omdat anders West-Vlaanderen in de Noordzee komt te liggen. In ieder geval, voor het 2040 is, kan er nog lustig worden gebouwd. En zo komt het dat, in het kader van de ontwikkeling van de Antwerpse zuidrand, ook de Hobokense Polder eraan moet geloven. In het noordwesten van de polder is er de oude BP-site, een stuk verlaten industrieterrein, dat aan twee kanten door het natuurgebied wordt begrensd en aan de derde door de Schelde. In feite ligt dit terrein in de Hobokense Polder, en het zou niet meer dan logisch zijn dat het, na verwijdering van de oude industrie en vervolgens sanering, aan de natuur zou worden overgelaten.
Vergeet het maar.
Op dit stukje polder zal de Maritime Campus Antwerp (MCA) worden gebouwd, als een eiland in het natuurgebied. Zes kantoorgebouwen, waarvan twee met een hoogte tot 70 meter, zullen 3000 werknemers huisvesten, die uiteraard parkeerplaats nodig hebben. Aansluitend komt er een evenementenplaza, met horeca en faciliteiten voor de organisatie van feesten. Lees: lichtvervuiling en geluidshinder.
Het GRUP - Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan - laat een dergelijke concentratie van kantoren niet toe, maar daar heeft men uiteraard wat op gevonden. Simple comme bonjour: het project wordt gewoon in twee fasen opgesplitst en in functie daarvan kan de stad dan zelf het ruimtelijk uitvoeringsplan aanpassen. Au fond is dit wat men in de context van aanbestedingen saucisseren noemt, en dat is verboden, maar blijkbaar kan het hier wel.
Komt de MCA er omdat er zo'n nood is aan kantoorruimte? Ik denk het niet: momenteel staat heel veel leeg. En het ziet er naar uit dat er in de toekomst niet méér, maar juist minder behoefte zal zijn aan kantoorruimte. Dank zij Sars-CoV-2 hebben overheden en bedrijfsleven immers het telewerken ontdekt, en gezien dat het niet zo'n slecht idee zou zijn om het toch zeker ten dele te bestendigen.

Maar stel nu dat de initiatiefnemers van het project, de CMB en Reslea, deze kantoren voor 3000 werknemers écht nodig hebben. Stél. Zijn er dan geen andere plekken in het Antwerpse waar de gebouwen kunnen worden neergepoot, zonder schade voor de al te schaarse natuur in onze stad? In het havengebied bijvoorbeeld? Ik zou denken van wel.
Zet die hoogbouw godverdomme elders.


Clement Caremans (c) 2020





Gallowayrunderen  



zondag 19 juli 2020

Supernormale stimuli







Zilvermeeuw probeert reuzenei uit te broeden


Supernormale stimuli




10 februari 2020. Ciara, of voor onze oosterburen Sabine, is inmiddels het land uit. Hoewel we van haar bestaan nog maar heel recent op de hoogte waren gebracht, leek zij in een paar dagen tijd al een oude bekende. We vernamen dat Ciara in feite Iers is en dus als "kiera" zou moeten worden uitgesproken, en niet op zijn Italiaans als "tsjiara" - om als "kiara" te klinken in het Italiaans had de schrijfwijze Chiara moeten zijn, zoals bij het heilige vriendinnetje van Franciscus van Assisi.

We leerden dat ze een echte zware storm was en ze daarom een naam had gekregen - Europeanen geven hun stormen gewoonlijk geen naam, in tegenstelling tot de Amerikanen - en dagenlang was het op de radio en in de digitale media Ciara voor en Ciara na. Frank Deboosere, Sabine Hagedoren, David Dehenauw e tutti quanti sloegen ons om de oren met warmte- en koudefronten, cyclonale kernen en rukwinden van 80, 90, 100, 120 en 130 (en tijdens de onweders wanneer er een koudefront passeert misschien wel 150) kilometer per uur. Toen Ciara eind vorige week de Britse Eilanden aandeed, hadden ze daar meteen goed prijs. Dus werden hier in België zowat alle openbare evenementen afgelast, werden bossen, parken en natuurgebieden gesloten, kregen de treinen een speciale uurregeling (in sommige buurlanden reden gewoon geen treinen), lagen de vlieghavens lam en zat iedereen met een bang hart te wachten op het onheil dat komen zou. Het onheil bleef echter grotendeels weg. Er waaiden wel een stuk of wat daken of hier en daar een stelling of gevel weg van een verwaarloosd gebouw, bomen werden en masse ontworteld, neervallende takken beschadigden auto's, bovenleidingen sneuvelden, kelders liepen onder en schoorstenen stortten in. Er viel ook wel een enkel slachtoffer te betreuren, maar Ciara viel al met al wel mee. Ze was geen Katrina, die in de zomer van 2005 huishield in de Mississippi-delta en ca. 1800 doden op haar conto kon schrijven, of Maria die in 2017 Puerto Rico haast van de aardbodem veegde en bijna 3100 mensen het leven kostte. In mijn onmiddellijke omgeving zorgde Ciara voor een veranda die onder stond, een minuscule hoeveelheid water in mijn bibliotheekje, met enkele beschadigde boeken als gevolg, wat plasjes in het Vleeshuis, een ondergelopen kelder in het Brouwershuis en twee onafgebroken zeurende katers, omdat ze in dat rotweer moesten binnenblijven.



Roodborst met koekoeksjong


Nauwelijks onheil aangericht: count your blessings, denk ik dan. Maar nee, links en rechts merk ik iets wat haast op ontgoocheling lijkt. Ciara heeft ons een oor aangenaaid. Ze was helemaal niet zoals ons was beloofd. Het was eigenlijk een stormpje van niemendal, terwijl we ons stiekem hadden verlekkerd op een vleugje apocalyps. "Die trut van een Ciara heeft ons goed liggen gehad" schreef Fernand van Damme over de tegenstrijdige gevoelens die zo'n gemiste orkaan lijkt op te roepen. Mij doet het wat denken aan een scène die Theodore Roszak beschrijft in Where the Waste Land Ends. Een familie - Pa, Ma, Sister & Junior - staat in Yellowstone Park te wachten op het moment dat Old Faithful zijn hete water in het zwerk spuit. Als de geiser eindelijk losbarst, is het gezelschap ontgoocheld. Ze hadden er meer van verwacht. "Disneyland is bigger" zegt Junior minachtend. We willen altijd het grotere, ook al is het niet echt. Niko Tinbergen heeft een soortgelijk verschijnsel bestudeerd bij scholeksters en zilvermeeuwen. Als je die in hun broedseizoen de keuze geeft tussen een echt ei, met de correcte kleur en het juiste formaat, en een reuzenei dat ze maar met moeite kunnen bestijgen, kiezen ze prompt voor de gigant. Zangvogels verwaarlozen hun eigen jongen ten voordele van het grotere, lawaaierigere koekoekskuiken. Veel mannen gaan uit hun bol voor een kommisvoor en een kont als die van Kim Kardashian. "Supernormale stimuli" noemde Tinbergen de verlokkingen van het onnatuurlijk grote. Ik vraag me af wat Niko zou hebben gedacht over Donald Trump.

Clement Caremans (c) 2020

Kim Kardashian

Papegaaien: een klein lichtpuntje in veel duisternis

Geelvleugelara (Ara macao)




Papegaaien: een klein lichtpuntje in veel duisternis




Papegaaien. We associëren ze spontaan met hels lawaai, uitbundige olijkheid, felle kleuren en tropische gebieden. Het zijn inderdaad vooral vogels van de tropen en het evenaarsgebied, al leven op Nieuw-Zeeland de kea's in de berggebieden tot boven de boomgrens. De halsbandparkieten die over de hele wereld in stedelijke gebieden verwilderden en ook in mijn buurt floreren in het Kielpark en de Hobokense Polder, lijken evenmin problemen te hebben met ons spijts de global warming toch nog altijd vaak kille weer. Maar niettemin: papegaaien horen bij de tropen. In onze collectieve verbeelding vliegen ze rond in de dichte wouden van Zuid-Amerika, Afrika en Australië en op eilanden waar kokospalmen groeien, of ze zitten op de schouder van een Caribische piraat. Nu hebben de dieren en planten in die tropische wouden de jongste eeuwen flinke klappen gekregen door de niets ontziende roofbouw van de koloniale en postkoloniale economieën. Pretty Polly en haar verwanten hebben het hard te verduren. Vooral op tropische eilanden was de ravage enorm: niet alleen de iconische dodo, maar hele tropische eilandfauna’s zijn de jongste eeuwen door menselijk toedoen van de aardbodem verdwenen. Daarbij hebben nogal wat papegaaien het loodje gelegd. In Extinct Birds van Julian P. Hume en Michael Walters worden niet minder dan 32 soorten (bijna 10% van het totale aantal!) vermeld die sinds de 17de eeuw uitstierven, wat volgens de auteurs de papegaaien samen met de duiven en de rallen tot de meest geteisterde vogelgroep maakt.

Van een aantal van deze verdwenen papegaaien en parkieten weten we hoe ze eruit zagen, omdat natuurhistorische musea er balgen van hebben. Dat is zo voor, bijvoorbeeld, de paradijsparkiet Psephotus pulcherrimus uit oostelijk Australië (waar ook zwartwitfoto’s van bestaan), de Carolinaparkiet Conuropsis carolinensis uit Noord-Amerika (die eveneens op foto’s staat en die ook werd vereeuwigd door John James Audubon) en de de waarschijnlijk in de jaren 1950 verdwenen blauwgrijze ara Anodorhynchus glaucus. Van Lophopsittacus mauritianus en Necropsittacus rodericianus hebben we wat vage beschrijvingen en mogelijk ook afbeeldingen, afkomstig van zeevaarders ca. 1600, maar geen balgen, alleen enkele botten. We weten dat bij Lophopsittacus het mannetje veel groter was dan het vrouwtje en dat het donkere vogels waren – de zeelui hadden het over “Indische raven”. Necropsittacus was groen. Dat is het zo ongeveer: veel weten we niet dus. Op een gouache van George Edwards, gedateerd juli 1764, staat dan weer een baksteenrode papegaai met blauwe vleugelslagpennen afgebeeld waarvan geen stoffelijke resten bekend zijn en waarover ook verder niets is geweten. “A very uncommon parrot from Jamaica. Drawn from Nature the size of life,” noteerde Edwards erbij. Voor de rest weten we volstrekt niets over deze vogel.

Geoge Edwards, “A very uncommon parrot from Jamaica. Drawn from Nature the size of life.”
Gouache, 1764.

Over sommige verdwenen papegaaien weten we zo mogelijk nog minder. We weten, uit beschrijvingen van vroege reizigers, dat er op diverse tropische eilanden kleurige vogels hebben rondgevlogen die er nu niet meer zijn. Op grond van de schaarse informatie, oordeelden wetenschappers dat de dieren niet kunnen worden ondergebracht bij vormen die we vandaag kennen, en dat het dus om verdwenen soorten gaat. Maar bij gebrek aan feitelijk materiaal dat hun bestaan onomstotelijk staaft, blijven Psittacula eques, Necropsittacus francicus, Necropsittacus? borbonicus, Ara martinica, Ara erythrura, Ara atwoodi, Ara guadeloupensis, Ara gossei, Ara erythrocephala, Anodorhynchus purpurascens, Conurus labati, Psittacus violaceus, Amazona martinicana... hogelijk hypothetisch. We hebben alleen hun namen, zonder dat we weten welke biologische realiteit daarachter heeft gezeten.
Triest. Maar het gaat verder. In 1992 waren volgens James Ferguson-Lees (Endangered Birds) 70 soorten in hun voortbestaan bedreigd. Intussen werd het er niet beter op. Threatened Birds of the World telde 94 kwetsbare tot kritieke soorten in 2000 en één van die 94, de prachtige Spix' ara, wordt vandaag beschouwd als in het wild uitgestorven.

Papegaaien zijn al eeuwenlang uiterst populaire kooivogels, en precies die populariteit is mee verantwoordelijk voor de precaire situatie waarin veel soorten en populaties zich bevinden. De handel in tropische vogels eist een zware tol. In de jaren 1984-1988 werden niet minder dan 72.000 oranjevleugelamazonen en 230.000 grijze roodstaarten uit hun Zuid-Amerikaanse resp. Afrikaanse gebied van oorsprong weggevoerd; van de amazonen overleefde 19% het transport niet, terwijl van de roodstaarten 9% stierf. Deze cijfers zeggen slechts iets over de verliezen tijdens het transport en komen niet in de buurt van de totale sterfte ten gevolge van de vogelhandel. Ferguson-Lees schat dat voor iedere in het wild gevangen levende vogel in de dierenwinkel, er vier andere het loodje legden. En dan is er natuurlijk het wereldwijde verdwijnen van leefgebieden van papegaaien en parkieten: de massale houtkap in Zuid-Oost-Azië, Afrika en vooral Zuid-Amerika, waar in Brazilië sinds het aantreden van Jair Bolsonaro de vernietiging van het al zo geteisterde Amazonewoud nog in een stroomversnelling is terecht gekomen.
Bref: het gaat niet goed met de papegaaien. Dat de prachtige geelvleugelara, de nationale vogel van Honduras, aan een comeback bezig is, zoals ik lees in Smithsonian Magazine (*), is ongetwijfeld slechts een druppel op een hete plaat. Maar het blijft fijn nieuws voor een papegaaienzot als ik.

(*) https://www.smithsonianmag.com/science-nature/scarlet-macaw-recovery-national-bird-honduras-180974740/?fbclid=IwAR17nYnqJyo-XhDoT1yW3EtPmJJYexmvA9VC8lgUzjewiKr8YRthg39fAQA#.XqnMasqtAk9.facebook

Clement Caremans (c) 2020

Pirates of the Caribbean (2003)

Slachtleeuwen




Slachtleeuwen




Vandaag 11 juli, de Dag van de Vlaamse Gemeenschap. Aan openbare gebouwen en bij particulieren die de Vlaamse natie een warm hart toedragen, wappert een leeuwenvlag. En op vieringen klinkt traditioneel de Vlaamse Leeuw, al zal de kloeke klank van het uit volle borst gezongen allegro marciale enigszins gedempt worden door de vanaf vandaag op publieke plaatsen verplichte mondmaskers.

Leeuwen. De echte dan. Ik had er als kind al een zwak voor en dat is nooit overgegaan. Daarom schreef ik er ooit iets over, over de echte Panthera leo van vlees en bloed en over de leeuw die tussen onze oren zit, bij uitstek ook in Vlaanderen (*).

Vorige week las ik in Trouw een triest artikel over leeuwen. De leeuw, sinds mensenheugenis een dier dat ontzag inboezemt en symbool staat voor menselijke eigenschappen als moed en zielenadel, wordt in Zuid-Afrika gekweekt voor de jacht en de slacht. Dubieuze farms in het woeste achterland van Zuid-Afrika herbergen naar verluidt zowat 12.000 leeuwen die werden gefokt voor de kogel of het slagersmes. Er zijn in het geheel zo'n 333 leeuwenfokkerijen, waarvan een tachtigtal bovendien open is voor publiek. Sommige van deze farms pretenderen te kweken met het oog op de instandhouding van de soort (er zijn nog maar ca. 20.000 wilde leeuwen in heel Zuid-Afrika) maar in werkelijkheid zijn ze betrokken bij een hoogst onwelriekende business.

Als een leeuwin geworpen heeft, worden de welpjes na enkele dagen weggenomen en met de hand gevoerd door mensen, heel vaak jonge meisjes die tot 1000 euro per week dokken om de diertjes de fles te mogen geven. Ze worden weliswaar niet echt tam - het blijven leeuwen - maar verliezen wel elke argwaan tegenover mensen. Na enkele weken verhuizen ze naar toeristenattracties waar bezoekers entree betalen; voor 5 tot 15 euro extra mogen die de welpen aaien en er selfies mee maken. Gewoonlijk krijgen de vrijwilligers en de toeristen te horen dat de welpjes van een in het wild gedode leeuwin zijn en dat ze teruggezet worden zodra ze groot zijn.

Leeuwen blijven leeuwen: je kan ze niet eindeloos knuffelen. Dus worden ze, eens ze de aaibaarheid zijn ontgroeid, losgelaten in een omheind gebied. Daar kunnen betalende toeristen begeleide wandeltochten maken om de jonge leeuwen van dichtbij te zien. Als ze nog ouder worden en dank zij hun manentooi trots en kracht lijken uit te stralen, worden ze interessant voor trofeejagers, rijke macho's die 11.000 tot 17.500 euro neertellen om in een omheind park vanuit een terreinwagen een vaak vooraf gedrogeerde leeuw af te knallen.

Andere dieren worden versast naar obscure abattoirs, waar aan de lopende band leeuwen worden geslacht, gestroopt en uitgebeend. Vooral de botten zijn goud waard. In China gelooft men heilig in de wonderlijke geneeskracht en het potentieverhogende vermogen van beenderen van grote katachtigen, in het bijzonder van de tijger. Door de groeiende kapitaalkracht van de Chinese middenklasse, is er een enorme markt voor tijgerbotten ontstaan. Helaas is de tijger zo goed als uitgestorven, dus kunnen beenderen van gefokte leeuwen de lacune opvullen. Sinds de Verenigde Staten in 2016 de import van jachttrofeeën verbood, neemt het aantal leeuwen dat wordt geschoten af, terwijl het slachthuis als bestemming aan belang wint. Dat betekent niet dat Amerikaanse would-be jagers het nu zonder trofeeën moeten stellen. Leeuwenranches zijn in de VS, vooral in Texas, een groeiende business. Daar kunnen liefhebbers met veel poen hun hartje ophalen aan "canned hunting", jacht in een kooi. Een leeuw schieten en opgezet mee naar huis nemen mag immers, zolang het beest op Amerikaans grondgebied werd gedood: alleen de import uit Afrika is verboden.

De leeuwenindustrie in Zuid-Afrika heeft uiteraard ook een raciaal kantje. Het zijn vooral rijke "blankes" die garen spinnen van het hele onfrisse gedoe en dank zij de mega-inkomsten hun levensstijl uit de apartheidstijd kunnen continueren. "Swartmense" mogen in het slachthuis in uiterst onhygiënische omstandigheden leeuwen stropen en uitbenen.

(*) https://antwerpsbestiarium.blogspot.com/2019/06/vlaamse-leeuwen.html


Clement Caremans (c) 2020



zaterdag 30 mei 2020

Benjamin




Buidelwolf in kooi. Let op de enorme kaakwijdte. Foto Tasmanian Museum and Art Gallery. 



Benjamin


Volgens sommige diehards struinen er nog enkele rond in alle secretie in heel afgelegen bergbossen op Tasmanië. En ieder jaar zijn er wel mensen die beweren er een in levende lijve te hebben gezien, zonder daar echter ooit concrete bewijzen voor te hebben. Ik hoop dat ze gelijk hebben, maar kan het maar moeilijk geloven. Alles wijst erop dat Thylacinus cynocephalus, de Tasmaanse tijger, Tasmaanse wolf of buidelwolf, van de aardbodem is verdwenen. Uitgeroeid. Genadeloos afgeknald en vergiftigd door schapenboeren, die het dier beschouwden als een te duchten killer van schapen. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze reputatie onverdiend was. De buidelwolf was in de 19de eeuw al weinig talrijk (ieder dier had sowieso een leefgebied van zo'n 80 km2) en hij meed menselijke nederzettingen; het waren vooral slecht beheer van de kudden en rondzwervende horden verwilderde honden die de schapen fataal werden. Niettemin werden vanaf ca. 1830 premies gegeven voor iedere geschoten buidelwolf en in 1888 stelde de Tasmaanse overheid een premiestelsel in dat per gedode volwassen buidelwolf 1 pond uitbetaalde; voor een dode pup kreeg men 10 shilling. Het stelsel bleef in voege tot 1909; in totaal werden meer dan 2180 premies uitgekeerd. Vermoedelijk werden tussen 1830 en 1920 een goede 3500 buidelwolven geschoten; daarnaast hadden de dieren te maken met duchtige concurrentie van groepen verwilderde honden en habitatverlies.

De oudste Europese afbeelding van een Tasmaanse buidelwolf, door Surveyor-General
van Van Diemen's Land George Harris (1806).

Henry Constantine Richter, Thylacine, 1841. Gepubliceerd in John Gould, The Mammals of Australia. 


Een paar Tasmaanse buidelwolven in het National Zoological Park van Washington DC.


Tasmaanse buidelwolven in de zoo van Hobart, ca. 1910. 

Een Tasmaanse buidelwolf lijkt een kip te hebben verschalkt. Maar het gaat om een dier dat 
in een kooi zit en een kip als voedsel kreeg. De foto heeft propagandistische trekjes: hij suggereert dat de buidelwolf, net als de Europese vos, een brutale kippenrover was.


Habitatverlies was de buidelwolf overigens eerder al fataal geworden op het Australische continent, waar hij tot 1000 jaar voor onze jaartelling ook voorkwam maar blijkbaar op vrij korte tijd - in minder dan een millennium - verdween ten gevolge van klimaatverandering en daaruit resulterende biotoopverandering. Door El Niño veroorzaakte droogte zou aan de basis hebben gelegen.


Ene Mr Quarrel en zijn hond Crisp met een ca. 1912 te Fitzgerald geschoten Tasmaanse buidelwolf.


Jager met geschoten buidelwolf, 1869.

Soit. De buidelwolven van Tasmanië werden doorheen de 19de eeuw en in de eerste decennia van de 20ste eeuw genadeloos vervolgd, tot in 1930 het laatste wilde exemplaar werd geschoten. Alleen Benjamin bleef nog over, de buidelwolf die in de Beaumaris Zoo van Hobart op 7 september 1936 stierf, waarschijnlijk door verwaarlozing of alleszins onoordeelkundige behandeling. Buidelwolven deden het overigens gewoonlijk vrij slecht in gevangenschap. Veel dierentuinen hadden ooit een of meer buidelwolven in hun collectie (ook de Antwerpse Zoo), maar echt floreren deden die niet en maar één keer kwam het tot een succesvolle kweek, in de zoo van Melbourne in 1899.
In de 20ste eeuw maakte de publieke opinie een belangrijke evolutie door en ging men ijveren voor de bescherming van de soort. Die werd afgekondigd op 10 juli 1936, precies 59 dagen voor Benjamin de geest gaf. Sinds 1986 staat de buidelwolf officieel geboekstaafd als uitgestorven.


Buidelwolf in Narodni Muzeum, Praag. 


Wat rest: enkele skeletten, huiden, gepreserveerde lichaamsdelen, een aantal opgezette exemplaren in musea. Voorts wat foto's en een paar stukjes film, alles samen enkele minuten. De belangrijkste Thylacinus-gerelateerde collectie bevindt zich in het National Museum of Australia, dat ook het enige wet specimen van de soort bezit, een buidelwolf op sterk water. Uit dat preparaat heeft men in 2002 DNA geïsoleerd en gerepliceerd, en diverse wetenschappers dromen ervan de buidelwolf te klonen en zo weer uit de dood te laten opstaan. Een bijzonder controversieel en complex project, waarvan de haalbaarheid verre van zeker is. Inmiddels moeten we het doen met dit schrijnende filmpje van Benjamin, de laatste buidelwolf, enkele maanden voor zijn dood.









Clement Caremans (c) 2020, 2025

zondag 24 mei 2020

Muurhagedissen



Muurhagedis (Podarcis muralis)



Muurhagedissen


Ik vermoed dat ik als tiener een beetje een nerd was, hoewel dat woord toen nog niet werd gebruikt. Ik was bijvoorbeeld nooit een van de populaire jongens met wie men per se bevriend wou zijn of voor wie de meisjes een boon hadden. Nee, ik was altijd eerder een wat marginaal geval, denk ik, veeleer een toeschouwer aan de zijlijn dan een spilfiguur die middenin de actie stond. Ik was geen Beatles- of Stonesfan, had niets met Bob Dylan, Diana Ross of toen populaire glamrockers als Alice Cooper of Gary Glitter maar luisterde naar oude 78-toerenplaten met muziek van Grieg, Chopin, Liszt of Massenet. Ik zat niet achter de grieten aan maar was nu en dan in stilte verliefd, ik ging niet uit dansen of fuiven maar zat thuis met mijn neus in de boeken, of ik struinde rond in de Hobokense polder, speurend naar wat daar leefde en groeide. De natuur was mijn passie, om het ietwat hoogdravend te zeggen, en heel veel van wat ik las had te maken met biologie, dieren en planten. Met mijn spitsbroeder Henk fietste ik naar de Kalmthoutse heide, waar we dan op zoek gingen naar heikikkers, zandhagedissen, hazelwormen, adders en ringslangen, soorten die we er helaas nooit hebben gezien omdat ze er waarschijnlijk ook toen al niet meer of nog nauwelijks voorkwamen. In de polder van Hoboken was het eveneens vooral de herpetofauna die ons in die dagen interesseerde. Daar zaten kikkers, bruine en groene, verschillende soorten watersalamanders en levendbarende hagedissen. Die laatste waren vooral talrijk langs de oude spoorweg bij de ruïne van de Aciérie, en in het late voorjaar kon je op een zonnige middag de hagedissen zien terwijl ze lagen te zonnen op stenen, bielzen of de spoorwegrails - met een beetje geluk zag je een zwanger vrouwtje of jonge, piepkleine hagedisjes. Enkele daarvan werden mee naar huis genomen en kwamen in een terrarium terecht. Bij mij thuis werd er nooit met vakantie gegaan, maar Henk ging met zijn ouders wel eens naar Italië, waar het, wist ik, krioelde van de hagedissen en waarvan hij een keer een jonge smaragdhagedis meebracht die helaas ieder voedsel weigerde tot ze in fine de geest gaf. En mijn kameraad Damien bracht eens van een zomervakantie in Carqueiranne een muurgekko mee, die toch nog een jaar of twee in een terrarium heeft doorgebracht.
Pas toen ik vele jaren later voor het eerst in Toscane kwam, zag ik daar met eigen ogen de alomtegenwoordigheid van hagedissen. Ze zaten overal op en rond het huisje dat we huurden in Ciggiano, nabij Monte San Savino - op en onder de pannen, op de muren, op de stenen van het terras, op de schors van de olijfbomen, met flitsende bewegingen jagend op insecten, met de ribben breed uitgespreid bakkend in de zon of wegvluchtend in voegen en spleten. Zelfs onder en achter de kasten binnenshuis zaten er hagedissen. In de Dordogne, waar we ook jarenlang heel vaak kwamen, zaten er eveneens muurhagedissen, maar die waren minder kleurrijk dan de Italiaanse en er waren er vooral veel minder. Dat ze ook in België leefden, had ik als tiener al gelezen in het Fort-album De Dieren van België, maar ik had ze er nooit gezien en vermoedde dat ze er inmiddels wel het loodje hadden gelegd. Maar nu lees ik op Natuurpunt.be (*) dat er in Heverlee zitten, en in flinke aantallen bovendien.
Als dat geen fijn nieuws is.


https://www.natuurpunt.be/nieuws/muurhagedis-vriendelijk-herstel-van-oude-abdijmuren-heverlee-20200406



Siciliaanse muurhagedis (Podarcis waglerianus)

Clement Caremans (c) 2020

maandag 4 mei 2020

De gierzwaluwen zijn er!








De gierzwaluwen zijn er!




Ik hoor ze! Ik hoor ze!"

Mijn betere helft is op de tweede verdieping bezig met onze bloembakken. Experimentele bloembakken, want onze leverancier sinds vele jaren van plantjes is ermee gestopt en nu zoeken we een alternatief. Nora heeft het niet zo voor de overkweekte, op allerlei manieren gemanipuleerde petunia's, surfinia's, lobelia's, pelargoniums, begonia's e tutti quanti uit de grote tuincentra en probeert het nu met zelf gezaaide bloemen en met eetbare planten, betrokken bij een leverancier die onder geen beding kweker of bloemist genoemd wil worden en die in normale omstandigheden vooral levert aan restaurants en speciaalzaken maar nu tijdens de lockdown even een ander marktsegment uitprobeert.

Ik zit beneden aan tafel aan mijn computerscherm, een plek waar ik intussen een heel groot deel van de jongste zeven weken heb vertoefd. Opgehokt en wel, telewerkend. Verwoed e-mailend en chattend met collega's, regelmatig videocalls houdend (the horror!) en voor het overige teksten schrijvend, nota's in het kader van de heropstart van het museum na de lockdown light, een publicatie bij de tentoonstelling die we momenteel voorbereiden: "Contrast", de eerste heuse tijdelijke expo in jaren in het Vleeshuis, met knappe foto's van muzikanten van de Hobokense fotograaf Frank Lambrechts. Van de feestelijke opening die we in gedachten hadden, komt uiteraard niets in huis, daar steekt SARS-CoV-2 een stokje voor.
Soit.

"Ik hoor ze!" klinkt het nogmaals, opgewonden, en dan, ter verduidelijking: "De gierzwaluwen zijn er!" Ik loop naar buiten en luister aandachtig, maar ik hoor niks. Geen schurend, snerpend geluid waar ik altijd een heel voorjaar met enige spanning naar uitkijk. Collega Jef hoorde er in de buurt van de Kerkstraat al op 24 april, maar hier in de Kielse Schijfstraat bleef het tot vandaag stil. Niet echt stil, uiteraard, want een hele kolonie huismussen tsjilpt, tiert en foetert mij iedere ochtend om zes uur wakker, spreeuwen geven duchtig van katoen, hier en daar hoor ik een merel en de jongste weken kraait er in de buurt wel eens een haan. Maar gierzwaluwen heb ik nog niet gehoord. Ook daarnet niet. Maar ik heb ze wel gezien, naar boven turend met half dichtgeknepen ogen vanwege een nogal felle zon. De lucht was net mooi helder blauw, en daar tekenden een tiental als stuka's dooreen slierende zwarte sikkelvormige silhouetjes zich tegen af. Hopelijk maken ze dit jaar, net als vorige zomer, weer gebruik van de nestkast die we jaren geleden onder onze corniche hingen. Ik kijk er naar uit.

Clement Caremans (c) 2020

Gierende schreeuw klinkt tot eind juli - NPO Radio 1

zondag 5 april 2020

Mussen tellen (en naar spreeuwen luisteren)

Spreeuw - Sturnus vulgaris - Waarneming.nl



Mussen tellen (en naar spreeuwen luisteren)



Opgehokt zijnde in Covid-19 verband, heb ik de jongste weken onze tuin een beetje herontdekt. Niet alleen om te ver uitgelopen klimop, trompetklimmer en rozen bij te snoeien, maar ook om er gewoon wat te staan of te zitten en naar de vogels te kijken en te luisteren. Meestal komt daar in het voorjaar niet zoveel van in huis, behalve dan in het weekend, maar dan moeten zowel het weer als de goesting meezitten. Nu werk ik thuis, en van achter het klavier van mijn computer heb ik uitkijk op voornoemde tuin. En ik hoor ook de hele tijd wat er gebeurt. Kool- en pimpelmezen, merels, houtduiven, spreeuwen, kauwen, mussen: ze zijn allemaal van de partij en laten zich uitvoerig zien en horen. Vooral spreeuwen slagen er telkens weer in me te verbazen met hun muzikale fratsen. Zo zit er een in onze buurt die zich laat inspireren door de halsbandparkieten van het Kielpark, net om de hoek. Als hij van jetje geeft, zou je zweren dat er een tierende parkiet in de lijsterbes zit. Maar nee hoor, het is een spreeuw.

Spreeuwen zijn geweldige vogels. Ook Mozart wist dat blijkbaar. De componist had een tamme spreeuw, die hij naar verluidt in 1784 kocht omdat hij de vogel een melodie uit een van zijn pianoconcerto's had horen fluiten. En het zou wel eens kunnen dat een nogal raadselachtig stukje muziek van zijn hand, Ein musikalischer Spass, ook met spreeuwen te maken heeft. De Amerikaanse biologe Lyanda Lynn Haupt heeft de structuur van deze bizarre compositie, waarvan men ook wel denkt dat het een parodie op een boers muziekensemble is, vergeleken met de zang van de spreeuw en concludeert dat de componist mogelijk de manier van zingen van de vogel heeft geïmiteerd. De vreemde herhalingen, hiaten en abrupte themawisselingen zouden karakteristiek zijn voor het spreeuwenlied.





Maar goed, ik wou het niet over spreeuwen hebben. Wél over mussen. Met mussen word ik iedere ochtend wakker. Zo om een uur of half zeven, wanneer het stilaan begint te dagen, hoor ik eerst een merel, en dan nog één. En dan trekt aarzelend het mussenkoor zich op gang. Eerst getsjilp met tussenpozen, dan al wat sneller opeenvolgend en tenslotte een ware tsunami van getsjilp en gerekketek, tot het na een poos lijkt stil te vallen. Lijkt - want in feite gaat het getier gewoon door, alleen verdrinkt het een beetje in de andere geluiden van de beginnende dag. Zalig is dat, met tierende mussen de dag te beginnen. Je merkt het: ik ben tuk op mussen. En mijn betere helft heeft het nog erger te pakken dan ik. Haar kompas staat dit weekend geheel en al op mus. Want het is mussentelweekend, vandaag en morgen. Vanochtend zaten er acht op de voedersilo in de boerenjasmijn vlak bij het raam van de veranda. Dat belooft.

Clement Caremans (c) 2020



dinsdag 4 februari 2020

Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken









Phil, de voorspellende bosmarmot van Punxsutawney


 Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken  




In Groundhog Day, een komedie uit 1993 met in de hoofdrollen Bill Murray en Andie MacDowell, wordt de chagrijnige, cynische weerman Phil Connors door de redactie van zijn tv-zender naar het boerengat Punxsutawney in Pennsylvania gestuurd om er een reportage te maken over Groundhog Day, een folkloristisch gebeuren dat hij hartsgrondig verfoeit. Die dag, 2 februari, staat in Punxsutawney in het teken van de bosmarmot (groundhog), die voorspelt of de winter ten einde is of nog even duren zal. Heel het gehucht is verzameld rond het hol van marmot Phil: als ze uit haar hol komt terwijl het zonnig is en ze ziet haar eigen schaduw, blijft het nog even winteren; is het echter bewolkt op het moment suprême en is er geen schaduw te bespeuren, is de winter ten einde. In de film komt weerman Phil in een tijdslus terecht, waardoor hij Groundhog Day telkens weer herbeleeft, elke dag opnieuw. Hij zit gevangen in de kerker van zijn kille cynisme, en zal pas uit die hoogst persoonlijke winter kunnen losbreken als zijn mentaliteit verandert. Hetgeen uiteraard gebeurt: nadat Phil heeft geprobeerd de zinloosheid van de zich steeds herhalende dag te doorbreken met enkele knettergekke zelfmoordpogingen, begint hij zich het lot van de mensen in zijn omgeving oprecht aan te trekken, wordt hij creatief en wint hij tenslotte het hart van de knappe tv-producente Rita, die tevoren volstrekt niet in hem geïnteresseerd was. Het slot van de film is evident: boy gets girl en ook voor Phil Connors eindigt de eeuwige winter.
Groundhog Day bestaat ook buiten de film: in grote delen van de Verenigde Staten en Canada, waar de bosmarmot voorkomt, wordt het ontwaken van het beest feestelijk gevierd op 2 februari.

Volgens de katholieke feestkalender is het op 2 februari Lichtmis, alias het Feest van de Opdracht van Jezus in de Tempel én het Feest van de Zuivering van Maria. Het joodse gebruik schreef voor dat een jongen in de Tempel werd gepresenteerd, terwijl een vrouw die een zoon had gebaard pas na veertig dagen weer het heiligdom mocht betreden om er te worden gezuiverd (na de geboorte van een meisje duurde dat tachtig dagen). Dus trokken Jozef en Maria met het busselkind Jezus naar de Tempel om de rituele verplichtingen te voltrekken; ze hadden ook een koppeltje duiven bij zich om dat aan God te offeren.

Vandaag is Lichtmis als viering zo goed als onbekend, al kennen sommigen onder ons het nog als de dag waarop pannenkoeken worden gebakken. Die pannenkoeken waren ooit obligaat: “op Lichtmis is geen wijfke zo arm of ze maakt haar panneke warm”, zei een volks gezegde wat dubbelzinnig, want met een erotische ondertoon. En één van de populaire namen voor het feest, dat met zijn volledige naam Maria-Lichtmis of Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis heet, was Onze-Lieve-Vrouw-schudt-de-pan. Waar de koeken vandaan komen is niet duidelijk. Je leest soms dat ze met hun gouden kleur en ronde vorm refereren aan de sterker wordende zon die de lente zal brengen, maar dat is wellicht nonsens. Ook is wel geopperd dat ze de voortzetting zijn van de mola salsa, koeken die in het oude Rome ter gelegenheid van de Lupercalia werden geprepareerd door de Vestaalse Maagden. Nog een andere verklaring zoekt het in de sociale en economische realiteit van ons agrarische verleden. Met Lichtmis zou men de laatste resten van de wintervoorraden van bloem, eieren en boter hebben weggewerkt door koeken te bakken. Of ook nog: op het einde van de winter maakten nieuwe meiden en knechten hun opwachting op de boerderijen. Ze werden verwelkomd met pannenkoeken. En misschien was het wel een combinatie van de twee.
In feite weten we het niet. 

Lichtmis werd in Engeland ook wel aangeduid als Wives' Feast-Day en in Duitsland als Frauentag. Weibermonat noemde men, zeker tot de 19de eeuw, de maand februari in de Duitse graafschappen Westfalen en Mark: “vrouwenmaand”. Dat is, zegt het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens van Bächtold-Stäubli en Hoffmann-Krayer, niet alleen omwille van de Frauentag Lichtmis, maar omdat héél februari allerlei gebruiken kende die de vrouwen bijzondere voorrechten en vrijheden verleenden, zoals dansfeesten waarop de mannen niet waren toegelaten. Een aantal 19de- en vroeg-20ste-eeuwse Duitse folkloristen meende hierin de sporen te kunnen zien van een oud Germaans vruchtbaarheids- en dodenfeest. In het potjeslatijn van de 8ste-eeuwse Indiculus superstitionum et paganarium wordt deze viering nog vermeld als Spurcalia, een feest dat op zijn beurt zijn naam zou hebben gekregen van een aardgodin Spurke of Spurka. Deze Spurka zou nog verder leven in de Spörkelfrau, een aan Vrouw Holle herinnerende figuur uit de overlevering van het Rijngebied. “In het Westerwald wordt de naam gegeven aan degene, die de laatste is bij het bezoeken van een kraamvrouw en in de omgeving van Bonn wordt de laatste in de rij bij een offergang zo genoemd”, schrijft Farwerck in Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden. Ook de alternatieve naam van de maand februari, sprokkelmaand (Duits Sporkel-, Spürkel-, of Spirkelmonat), zou met de spurcalia en Spurka kunnen te maken hebben. Dit alles is natuurlijk puur giswerk, waarvoor geen enkel feitelijk bewijs voorhanden is. Wat niet belet dat sommige hedendaagse heidenen Spurka gretig adopteren en er een avatar in herkennen van de Grote Godin die ooit, vóór de komst van de patriarchale Indo-europeanen, door de matriarchale volkeren van het oude agrarische Europa werd aanbeden. Nu is het erg twijfelachtig dat die matriarchale beschaving van de Godin ooit méér is geweest dan een romantische projectie, maar anderzijds is het sterk vrouwelijke karakter van februari onmiskenbaar. Zo telt de heiligenkalender van de maand opvallend veel vrouwelijke heiligen. Het Handwörterbuch noemt Brigitta (1 februari), Maria (2), Anna-Maria (3), Veronica (4), Agatha (5), Dorothea (6), Apollonia (9), Scholastica (10), Euphrosine (11), Eulalia (12), Catharina (13), Juliana (16), Mariamna (17), Eleonora en Irene (21), Margareta van Cortona (22) en Walburga (25). Stijn van der Linden voegt er daar in zijn naslagwerk De heiligen nog een stuk of wat bij en noemt in totaal 35 heilige dames die in februari hun feestdag of minstens naamdag hebben. Voor een maand van 28 dagen is dat niet mis. Bovendien gaat het vaak om heiligen met een specifiek vrouwelijke actieradius: Veronica wordt aangeroepen bij bloedvloeiingen en menstruatieklachten, Agatha helpt bij de meest uiteenlopende borstkwalen (van tepelkloven tot borstkanker), Dorothea en Juliana zorgen voor een voorspoedige bevalling, Eulalia en Walburga zijn patrones van de kraamvrouwen. En bij Brigitta vinden (onder meer) kraamvrouwen, vroedvrouwen, borelingen, melkboeren, melkmeisjes, koeien (!), zieke en buitenechtelijke kinderen én genezers soelaas en bescherming.

Lichtmis kwam op de feestkalender toen Gelasius I het installeerde ter vervanging van de Lupercalia. Dat Romeinse feest vond plaats op 15 februari en je leest links en rechts ook wel dat het aan de basis ligt van Carnaval of ook wel van Valentijnsdag.
De Lupercalia lijken een nogal composiete aangelegenheid te zijn geweest. Het scenario ging ongeveer als volgt. Bij de Lupercal, de grot aan de voet van de Palatijn waar volgens de legende een wolvin de tweelingen Romulus en Remus, de grondleggers van Rome, had gezoogd, offerden priesters geiten en een hond. De priesters behoorden tot twee colleges, de Luperci Fabiani (of Fabii) en de Luperci Quinctiales (of Quintilii); het eerste was volgens de overlevering door Remus gesticht, het andere door Romulus. Behalve de twee dieren, werden ook de mola salsa geofferd, de al genoemde gewijde koeken van de Vestaalse Maagden. Enkele priesters smeerden bloed van het offermes op het voorhoofd van twee knapen uit vooraanstaande families; andere Luperci veegden het bloed weer weg met in melk gedrenkte wol, waarop de jongens in lachen moesten uitbarsten. De geitenhuiden werden in repen gesneden die de voor de rest poedelnaakte Luperci als gordel of lendendoek omhingen; vervolgens renden ze omheen de Palatijn en mepten ze met de repen geitenhuid naar de omstaanders, vooral naar de vrouwen. Uit wat de klassieke auteurs – Ovidius, Dionusios van Halikarnassos, Ploutarchos, Cicero, Varro – erover vertellen, heeft men wel gedacht te kunnen concluderen dat ook zij nog nauwelijks wisten waarover dit alles ging. Maar evengoed kan de relatieve beknoptheid van de antieke bronnen betekenen dat men juist héél vertrouwd was met de Lupercalia, zodat het niet nodig werd gevonden er veel woorden aan vuil te maken. Het feest heeft ook heel lang bestaan: het zou teruggaan tot de tijd van Romulus en Remus en hield stand tot 494 CE, het jaar waarin paus Gelasius I het verbood en verving door de viering van de Zuivering van Maria, beter bekend als Maria-Lichtmis.

Andrea Camassei, Feest van de Lupercalia


Wat de naam Lupercalia betekent, weten we niet. Hij is zeker niet afgeleid van de god Lupercus, want die werd pas in de tijd van Augustus geïntroduceerd; de god van de Lupercalia was volgens de antieke bronnen Faunus. Een populaire etymologie brengt Lupercalia en luperci in verband met de combinatie lupus, “wolf” en arcere, “afweren”, wat niet eens zo vergezocht is: een volk van boeren en herders als de vroege Latijnen zal wolven wel liefst op een veilige afstand hebben gezien. De moeilijkheid is wel, dat Rome iets had met wolven: Romulus en Remus waren immers door een wolvin gezoogd. In dit licht, is een positieve afleiding van bijvoorbeeld een grondvorm *lupo-sequos (“wie de wolf volgt”) mogelijk waarschijnlijker (J. Gruber). Voorts heeft men wel gedacht (Jérôme Carcopino) aan een combinatie van lupus en hircus (“geit”), terwijl ook is geopperd dat de naam hoegenaamd niets met wolven van doen heeft, maar met het werkwoord luere, “reinigen”. Luere per capram, dus “zuiveren middels een geit”, zou dan de oorsprong zijn. Kortom: we weten het niet.
Ook de betekenis of de functie van het ritueel is verre van duidelijk: er lijken zowel elementen van een vruchtbaarheids- als van een zuiveringsritueel in te zitten, met erbovenop nog afweringsmagie tegen kwade krachten.
Vruchtbaarheid of zuivering? Voor beide valt wel iets te zeggen, zeker in het licht van wat we weten (of niet echt weten, maar kunnen gissen) over de maand februari bij de Romeinen.

Aanvankelijk kwam februari in de Romeinse kalender niet voor, maar in de zogenaamde republikeinse kalender, waarin nieuwjaar op 1 maart viel, was ze de 12de en dus laatste maand van het jaar. De maanden Martius, Maius, Quinctilis en October telden elk 31 dagen, de rest telde er 29 en Februarius 28. Dat leverde een jaar op van 355 dagen, dat dus flink afweek van het echte zonnejaar en regelmatige bijsturing nodig had. Daarvoor zorgden de pontifices, de priesters, die februari nu en dan afbraken na de 23ste of de 24ste dag en er een extra maand, een mensis intercalarius, van 27 dagen tegenaan plakten, wat in een jaar van 377 of 378 dagen resulteerde. Het Romeinse februari was dus een bijzondere maand: ze zuiverde het jaar aan.
Het was ook de maand waarin zich allerlei feesten voordeden die met zuivering te maken hadden. De naam februarius is trouwens afgeleid van februus, wat zuivering betekent.
Het verband tussen februari en zuivering kwam ook in de Keltische wereld voor. De archaïsche Ieren hadden begin februari het feest Imbolc of Oimelc. Van de vier grote Ierse seizoensfeesten die Tochmarc Emire, het 10de-eeuwse verhaal van Cuchulainns vrijage met de mooie Emer, opsomt (de andere drie zijn Samain, Lughnasad en Beltane) is Imbolc waarschijnlijk het minst bekende. In feite weten we er zo goed als niks over. De etymologie is duister, met het gevolg dat ze tot enkele hypothesen heeft geleid waarvan er geen echt voldoet.
O'Maille leidt imbolc af van *imb-bolg, waarbij bolg een zak is, een balg, waarin de opbrengst van het land wordt bewaard. Imbolc zou dus een vruchtbaarheidsfeest zijn. Pamela Berger zoekt het in The Goddess Obscured in dezelfde richting. Ook voor haar gaat het om vruchtbaarheid, maar zij interpreteert bolg als de buik van de zwangere Moeder Aarde. Eric Hamp leest imbolc / oimelc als een afleiding van *owis, “schaap” en *molgo- “melken”: Imbolc is voor hem een herdersfeest, dat het tijdstip viert waarop de ooien melk beginnen de geven. Voor Joseph Vendryes gaat het om *imb-, “rond” en *folc-, “wassen, baden, reinigen”. Imbolc zou dan niet zozeer met vruchtbaarheid – in het algemeen of van de veestapel in het bijzonder – te maken hebben, maar veeleer een feest van reiniging en zuivering zijn.

Imbolc werd gevierd op 1 februari en geassocieerd met de godin Brigit. Na de kerstening werd dat in Ierland de naamdag van de heilige Brigitta. Brigitta was de beeldschone dochter van de koning van het Ierse Leinster. Ze was christen en wou maagd blijven; daarom bad ze dat ze lelijk zou worden om aan een huwelijk te ontsnappen. Dat lukte: ze bleef maagd, werd weer even mooi als tevoren en stichtte het eerste klooster van Ierland te Kildare. Zij werd zo de patrones van Ierland, de Mary of the Gael, en uit de wonderlijke handelingen die haar door haar biograaf Cogitosus worden toegedicht, blijkt duidelijk dat die haar minstens ten dele identificeerde met de voorchristelijke Ierse godin Brigit. Deze godin Brigit was een dochter van de Ierse oppergod, de Dagdha. Als wel meer Keltische vrouwelijke godheden was ze zowel een individuele als een drievoudige figuur (er waren dus in feite drie Brigits). Haar naam betekent zoiets als “de hoge” of “de verhevene” en haar functies zijn veelvuldig: ze was patrones van de dichtkunst, de smeden, de ververs, de wevers, de brouwers, de zieners en de helers. Ze was beschermster van de kraamvrouwen en werd voorts geassocieerd met de vruchtbaarheid van de veestapel. Dus ook hier is er weer een expliciete verwijzing naar traditioneel met vrouwen geassocieerde begrippen.

In het oude Europa was 2 februari volgens de Franse etnoloog Claude Gaignebet (Le carnaval) een belangrijke datum in een archaïsche kalender waarvan tot vandaag sporen zijn terug te vinden in de onze. Die oude kalender was geheel opgebouwd uit perioden van telkens veertig dagen; deze veertig dagen verwijzen naar een lunair systeem van tijdsindeling: het is de duur van anderhalve maancyclus. Gaignebet heeft het over de “carnavaleske kalender”, omdat de periode van de Vasten, de veertigdagentijd die begint met Carnaval en eindigt met Pasen, een overduidelijk relict is van deze oude tijdsindeling. Andere sporen van de carnavaleske kalender zijn nog her en der weer te vinden in volksoverleveringen, de christelijke heiligenkalender en de oude Ierse kalender.

Aino met beer


Centraal in deze tijdrekening staat de beer, die ooit in heel Europa voorkwam en omwille van zijn menselijk aandoende lichaamshouding werd beschouwd als de wildere tweelingbroer van de mens. Tot in een heel recent verleden speelde de beer bij de Giljaken, de Ketten en andere volkeren van Siberië, bij de Aino van Hokkaido, Sachalin en de Koerilen en bij diverse Noord-Amerikaanse eerste naties een essentiële rol in het religieuze leven. De Aino vangen een berenjong, brengen het op als een mensenkind – het krijgt zelfs de borst – en als het twee jaar is, wordt het tijdens een feestelijk ritueel vastgebonden, met pijlen gedood en opgegeten. Iyomante wordt deze ceremonie genoemd, wat “iemand wegsturen” betekent: de beer wordt naar de goden gestuurd, hij is de boodschapper tussen de wereld van de mensen en die van de goden. Ook in Europa was de beer ooit een heilig dier, met het gevolg dat in sommige culturen zijn naam niet mocht worden uitgesproken en men dan maar gebruik maakte van een eufemisme om hem te benoemen. Beer betekent oorspronkelijk “de bruine”, en zowat alle Germaanse talen noemen de beer naar zijn kleur: Nederlands beer, Engels bear, Duits Bär, Zweeds björn; in het Middel-Nederlandse dierenverhaal Vanden Vos Reynaerde heet hij Bruin. Bij de Slaven is hij de “honingeter”, bijvoorbeeld medved' in het Russisch en niedzwiedz in het Pools. En voor de Balten is hij lokys in het Litouws en lacis in het Lets, “de likker”, wat misschien eveneens verwijst naar het eten van honing, maar mogelijk ook verband houdt met het oeroude geloof dat een berin haar jongen dood en vormeloos ter wereld brengt en ze leven en vorm geeft door ze te likken. Waar wél de naam van het dier mocht worden gebruikt, zoals bij de Kelten en de Grieken, zijn er toch goddelijke of koninklijke connotaties: er was een Gallische berengodin Artio, de naam van koning Arthur, de Rex Quondam Rexque Futurus, kan hoogst waarschijnlijk worden afgeleid van naam van de beer, arth in het Welsh en art in het Iers, en in de oude Griekse godin van de jacht en het wilde leven Artemis horen we arktos doorklinken. Die Keltische en Griekse berennamen zijn geen latere eufemismen, maar voeren ons rechtstreeks terug naar een (uiteraard gereconstrueerde en hypothetische) Proto-Indo-Europese grondvorm *h₂ŕ̥tḱos, een woord dat waarschijnlijk zoiets als “vernieler” betekende en in diverse latere Indo-Europese talen verwante woorden opleverde: Hettitisch ḫar-tág-ga-aš, Sanskriet rákṣas, Avestisch rašah, Latijn ursus. Eeuwenlang was de beer de koning der dieren, tot een flink stuk in de Middeleeuwen de leeuw deze rol overnam. Het wapenschild van de Vlaamse graven toonde oorspronkelijk geen leeuw, maar een beer; het Brugse stadswapen echoot deze oude situatie nog door leeuw én beer te tonen als schilddragers. De beer stond niet alleen voor koninklijke waardigheid maar ook voor moed en kracht: in Scandinavië hulden krijgers zich in berenhuiden om zo één te worden met het wezen van de beer en onverschrokken en onoverwinnelijk te zijn in de strijd. Berserkir heetten ze, en in het Engels betekent het adjectief berserk "woest", "uitzinnig". De Wildeman, een belangrijke figuur in de literatuur, de beeldende kunst en de folklore van de Europese Middeleeuwen, was mogelijk ooit een beer. Nogal wat Europese sprookjes en volksverhalen voeren mensenkinderen op die terecht komen bij beren, zoals Goudlokje, kinderen die van een mens en een beer afstammen, zoals de Franse Jean de l’Ours, kinderen die als een beer leven, zoals Oerson in het verhaal van Oerson en Valentijn, of meisjes met beerachtige geliefden, zoals in Madame Leprince de Beaumonts La Belle et la Bête (in de film van Jean Cocteau is het Beest eerder een leeuw en bij Disney zelfs een soort bizon, maar het origineel was ongetwijfeld een beer).


De berenscheet, zoals voorgesteld in Olaus Magnus' Historia de gentibus septentrionalibus


Beren houden, net als de Noord-Amerikaanse bosmarmot waarover ik het daarstraks had, een winterslaap. En volgens een eeuwenoude, in heel Europa verbreide volksopvatting, verlaat de beer met Lichtmis of met Sint-Blasius (een dag later) zijn winterleger om poolshoogte te nemen, precies zoals de groundhog dat doet volgens de inwoners van Punxsutawney. Een essentieel aspect van het verlaten van zijn winterleger, is de pet de l’ours, de “berenscheet”. Want als de beer vindt dat het lang genoeg heeft gewinterd en de tijd gekomen is voor het vrije bestaan van het warme seizoen, gaat hij op zoek naar wilde vruchten en slaat hij er daarvan zoveel naar binnen, dat zijn spijsvertering aan hoog tempo begint te werken en hij met een knal de stop naar buiten jaagt die zich tijdens de winterslaap in zijn darmen had gevormd. Met die knallende scheet luidt de beer de lente in. Vindt hij het daarentegen nog te koud, kruipt hij weer in zijn hol en duurt de winter nog veertig dagen. Zo’n veertig dagen vóór Lichtmis is het Kerstmis, het moment van de winterzonnewende, en nog eens veertig daarvoor is het Sint-Maarten, de dag waarop volgens de traditie de beer aan zijn winterslaap begint. In de Ierse kalender vinden we, zoals gezegd, op 1 februari het feest Imbolc, dat dus veertig dagen na de winterzonnewende werd gevierd. De drie andere grote seizoensfeesten van het Ierse jaar vielen ook telkens veertig dagen na een solstitium of equinox: Lughnasadh (1 augustus) veertig dagen na de zomerzonnewende, Beltane en Samain elk veertig dagen na de herfst- resp. de lente-evening. 

Alle zonet genoemde tijdstippen vinden we ook min of meer terug in de christelijke heiligenkalender:
- Allerheiligen (1 november) of Sint-Maarten (11 november)
- Kerstmis (25 december) tot Epifanie (6 december)
- Lichtmis (2 februari), Sint-Blasius (3 februari)
- Carnaval en Aswoensdag (veertig dagen voor Pasen)
- Pasen
- Ons-Heer-Hemelvaart (veertig dagen na Pasen)
- Sint-Jan (24 juni)
- Sinte-Pieter (1 augustus)
- Sint-Michiel (29 september).

De carnavaleske religie die aan de veertigdagenkalender ten grondslag ligt, gaat volgens Gaignebet zeer ver terug in de tijd, mogelijk tot het Paleolithicum. De beer speelde een prominente rol in het leven van de ijstijdmens: beide waren ecologische concurrenten, die op hetzelfde voedsel aasden en dezelfde schuilplaatsen opzochten. Mogelijk werd de beer vereerd als de meester van het wild die de seizoenen ritmeerde. Paleolithische grotschilderingen beelden beren af, en beenderen van beren die in grotten worden gevonden, liggen vaak in een patroon waarvan diverse archeologen en paleontologen veronderstellen dat het het resultaat is van menselijk ingrijpen. Werden de beren begraven, zoals mensen? Werden, zoals bij de Aino en de Giljaken, beren door mensen geadopteerd en grootgebracht? Verbindt een traditie van duizenden jaren een berencultus uit de oude steentijd over de berenobsessie van de Germanen en de Kelten heen met de berenmaskers die tot vandaag worden gedragen ter gelegenheid van de diverse carnavaleske maskerades in de loop van het jaar (Carnaval, Allerheiligen, midwinter…), ook in gebieden waar Ursus arctos al vele eeuwen is verdwenen? Het is een fascinerende gedachte, ook al is er geen enkel feitelijk bewijs voor. En ook al hebben in berenloze regio's vaak andere dieren de rol van de beer als meester van de seizoenen overgenomen: in Duitsland de eveneens winterslapende das en in het oosten van de Verenigde Staten, waar zowel beer als das ontbreken, Phil de bosmarmot.

Clement Caremans (c) 2020