Mussen tellen (en naar spreeuwen luisteren)
Opgehokt zijnde in Covid-19 verband, heb ik de jongste weken onze tuin een beetje herontdekt. Niet alleen om te ver uitgelopen klimop, trompetklimmer en rozen bij te snoeien, maar ook om er gewoon wat te staan of te zitten en naar de vogels te kijken en te luisteren. Meestal komt daar in het voorjaar niet zoveel van in huis, behalve dan in het weekend, maar dan moeten zowel het weer als de goesting meezitten. Nu werk ik thuis, en van achter het klavier van mijn computer heb ik uitkijk op voornoemde tuin. En ik hoor ook de hele tijd wat er gebeurt. Kool- en pimpelmezen, merels, houtduiven, spreeuwen, kauwen, mussen: ze zijn allemaal van de partij en laten zich uitvoerig zien en horen. Vooral spreeuwen slagen er telkens weer in me te verbazen met hun muzikale fratsen. Zo zit er een in onze buurt die zich laat inspireren door de halsbandparkieten van het Kielpark, net om de hoek. Als hij van jetje geeft, zou je zweren dat er een tierende parkiet in de lijsterbes zit. Maar nee hoor, het is een spreeuw.
Spreeuwen zijn geweldige vogels. Ook Mozart wist dat blijkbaar. De componist had een tamme spreeuw, die hij naar verluidt in 1784 kocht omdat hij de vogel een melodie uit een van zijn pianoconcerto's had horen fluiten. En het zou wel eens kunnen dat een nogal raadselachtig stukje muziek van zijn hand, Ein musikalischer Spass, ook met spreeuwen te maken heeft. De Amerikaanse biologe Lyanda Lynn Haupt heeft de structuur van deze bizarre compositie, waarvan men ook wel denkt dat het een parodie op een boers muziekensemble is, vergeleken met de zang van de spreeuw en concludeert dat de componist mogelijk de manier van zingen van de vogel heeft geïmiteerd. De vreemde herhalingen, hiaten en abrupte themawisselingen zouden karakteristiek zijn voor het spreeuwenlied.
Maar goed, ik wou het niet over spreeuwen hebben. Wél over mussen. Met mussen word ik iedere ochtend wakker. Zo om een uur of half zeven, wanneer het stilaan begint te dagen, hoor ik eerst een merel, en dan nog één. En dan trekt aarzelend het mussenkoor zich op gang. Eerst getsjilp met tussenpozen, dan al wat sneller opeenvolgend en tenslotte een ware tsunami van getsjilp en gerekketek, tot het na een poos lijkt stil te vallen. Lijkt - want in feite gaat het getier gewoon door, alleen verdrinkt het een beetje in de andere geluiden van de beginnende dag. Zalig is dat, met tierende mussen de dag te beginnen. Je merkt het: ik ben tuk op mussen. En mijn betere helft heeft het nog erger te pakken dan ik. Haar kompas staat dit weekend geheel en al op mus. Want het is mussentelweekend, vandaag en morgen. Vanochtend zaten er acht op de voedersilo in de boerenjasmijn vlak bij het raam van de veranda. Dat belooft.
Clement Caremans (c) 2020


