zaterdag 30 mei 2020

Benjamin




Buidelwolf in kooi. Let op de enorme kaakwijdte. Foto Tasmanian Museum and Art Gallery. 



Benjamin


Volgens sommige diehards struinen er nog enkele rond in alle secretie in heel afgelegen bergbossen op Tasmanië. En ieder jaar zijn er wel mensen die beweren er een in levende lijve te hebben gezien, zonder daar echter ooit concrete bewijzen voor te hebben. Ik hoop dat ze gelijk hebben, maar kan het maar moeilijk geloven. Alles wijst erop dat Thylacinus cynocephalus, de Tasmaanse tijger, Tasmaanse wolf of buidelwolf, van de aardbodem is verdwenen. Uitgeroeid. Genadeloos afgeknald en vergiftigd door schapenboeren, die het dier beschouwden als een te duchten killer van schapen. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze reputatie onverdiend was. De buidelwolf was in de 19de eeuw al weinig talrijk (ieder dier had sowieso een leefgebied van zo'n 80 km2) en hij meed menselijke nederzettingen; het waren vooral slecht beheer van de kudden en rondzwervende horden verwilderde honden die de schapen fataal werden. Niettemin werden vanaf ca. 1830 premies gegeven voor iedere geschoten buidelwolf en in 1888 stelde de Tasmaanse overheid een premiestelsel in dat per gedode volwassen buidelwolf 1 pond uitbetaalde; voor een dode pup kreeg men 10 shilling. Het stelsel bleef in voege tot 1909; in totaal werden meer dan 2180 premies uitgekeerd. Vermoedelijk werden tussen 1830 en 1920 een goede 3500 buidelwolven geschoten; daarnaast hadden de dieren te maken met duchtige concurrentie van groepen verwilderde honden en habitatverlies.

De oudste Europese afbeelding van een Tasmaanse buidelwolf, door Surveyor-General
van Van Diemen's Land George Harris (1806).

Henry Constantine Richter, Thylacine, 1841. Gepubliceerd in John Gould, The Mammals of Australia. 


Een paar Tasmaanse buidelwolven in het National Zoological Park van Washington DC.


Tasmaanse buidelwolven in de zoo van Hobart, ca. 1910. 

Een Tasmaanse buidelwolf lijkt een kip te hebben verschalkt. Maar het gaat om een dier dat 
in een kooi zit en een kip als voedsel kreeg. De foto heeft propagandistische trekjes: hij suggereert dat de buidelwolf, net als de Europese vos, een brutale kippenrover was.


Habitatverlies was de buidelwolf overigens eerder al fataal geworden op het Australische continent, waar hij tot 1000 jaar voor onze jaartelling ook voorkwam maar blijkbaar op vrij korte tijd - in minder dan een millennium - verdween ten gevolge van klimaatverandering en daaruit resulterende biotoopverandering. Door El Niño veroorzaakte droogte zou aan de basis hebben gelegen.


Ene Mr Quarrel en zijn hond Crisp met een ca. 1912 te Fitzgerald geschoten Tasmaanse buidelwolf.


Jager met geschoten buidelwolf, 1869.

Soit. De buidelwolven van Tasmanië werden doorheen de 19de eeuw en in de eerste decennia van de 20ste eeuw genadeloos vervolgd, tot in 1930 het laatste wilde exemplaar werd geschoten. Alleen Benjamin bleef nog over, de buidelwolf die in de Beaumaris Zoo van Hobart op 7 september 1936 stierf, waarschijnlijk door verwaarlozing of alleszins onoordeelkundige behandeling. Buidelwolven deden het overigens gewoonlijk vrij slecht in gevangenschap. Veel dierentuinen hadden ooit een of meer buidelwolven in hun collectie (ook de Antwerpse Zoo), maar echt floreren deden die niet en maar één keer kwam het tot een succesvolle kweek, in de zoo van Melbourne in 1899.
In de 20ste eeuw maakte de publieke opinie een belangrijke evolutie door en ging men ijveren voor de bescherming van de soort. Die werd afgekondigd op 10 juli 1936, precies 59 dagen voor Benjamin de geest gaf. Sinds 1986 staat de buidelwolf officieel geboekstaafd als uitgestorven.


Buidelwolf in Narodni Muzeum, Praag. 


Wat rest: enkele skeletten, huiden, gepreserveerde lichaamsdelen, een aantal opgezette exemplaren in musea. Voorts wat foto's en een paar stukjes film, alles samen enkele minuten. De belangrijkste Thylacinus-gerelateerde collectie bevindt zich in het National Museum of Australia, dat ook het enige wet specimen van de soort bezit, een buidelwolf op sterk water. Uit dat preparaat heeft men in 2002 DNA geïsoleerd en gerepliceerd, en diverse wetenschappers dromen ervan de buidelwolf te klonen en zo weer uit de dood te laten opstaan. Een bijzonder controversieel en complex project, waarvan de haalbaarheid verre van zeker is. Inmiddels moeten we het doen met dit schrijnende filmpje van Benjamin, de laatste buidelwolf, enkele maanden voor zijn dood.









Clement Caremans (c) 2020, 2025

zondag 24 mei 2020

Muurhagedissen



Muurhagedis (Podarcis muralis)



Muurhagedissen


Ik vermoed dat ik als tiener een beetje een nerd was, hoewel dat woord toen nog niet werd gebruikt. Ik was bijvoorbeeld nooit een van de populaire jongens met wie men per se bevriend wou zijn of voor wie de meisjes een boon hadden. Nee, ik was altijd eerder een wat marginaal geval, denk ik, veeleer een toeschouwer aan de zijlijn dan een spilfiguur die middenin de actie stond. Ik was geen Beatles- of Stonesfan, had niets met Bob Dylan, Diana Ross of toen populaire glamrockers als Alice Cooper of Gary Glitter maar luisterde naar oude 78-toerenplaten met muziek van Grieg, Chopin, Liszt of Massenet. Ik zat niet achter de grieten aan maar was nu en dan in stilte verliefd, ik ging niet uit dansen of fuiven maar zat thuis met mijn neus in de boeken, of ik struinde rond in de Hobokense polder, speurend naar wat daar leefde en groeide. De natuur was mijn passie, om het ietwat hoogdravend te zeggen, en heel veel van wat ik las had te maken met biologie, dieren en planten. Met mijn spitsbroeder Henk fietste ik naar de Kalmthoutse heide, waar we dan op zoek gingen naar heikikkers, zandhagedissen, hazelwormen, adders en ringslangen, soorten die we er helaas nooit hebben gezien omdat ze er waarschijnlijk ook toen al niet meer of nog nauwelijks voorkwamen. In de polder van Hoboken was het eveneens vooral de herpetofauna die ons in die dagen interesseerde. Daar zaten kikkers, bruine en groene, verschillende soorten watersalamanders en levendbarende hagedissen. Die laatste waren vooral talrijk langs de oude spoorweg bij de ruïne van de Aciérie, en in het late voorjaar kon je op een zonnige middag de hagedissen zien terwijl ze lagen te zonnen op stenen, bielzen of de spoorwegrails - met een beetje geluk zag je een zwanger vrouwtje of jonge, piepkleine hagedisjes. Enkele daarvan werden mee naar huis genomen en kwamen in een terrarium terecht. Bij mij thuis werd er nooit met vakantie gegaan, maar Henk ging met zijn ouders wel eens naar Italië, waar het, wist ik, krioelde van de hagedissen en waarvan hij een keer een jonge smaragdhagedis meebracht die helaas ieder voedsel weigerde tot ze in fine de geest gaf. En mijn kameraad Damien bracht eens van een zomervakantie in Carqueiranne een muurgekko mee, die toch nog een jaar of twee in een terrarium heeft doorgebracht.
Pas toen ik vele jaren later voor het eerst in Toscane kwam, zag ik daar met eigen ogen de alomtegenwoordigheid van hagedissen. Ze zaten overal op en rond het huisje dat we huurden in Ciggiano, nabij Monte San Savino - op en onder de pannen, op de muren, op de stenen van het terras, op de schors van de olijfbomen, met flitsende bewegingen jagend op insecten, met de ribben breed uitgespreid bakkend in de zon of wegvluchtend in voegen en spleten. Zelfs onder en achter de kasten binnenshuis zaten er hagedissen. In de Dordogne, waar we ook jarenlang heel vaak kwamen, zaten er eveneens muurhagedissen, maar die waren minder kleurrijk dan de Italiaanse en er waren er vooral veel minder. Dat ze ook in België leefden, had ik als tiener al gelezen in het Fort-album De Dieren van België, maar ik had ze er nooit gezien en vermoedde dat ze er inmiddels wel het loodje hadden gelegd. Maar nu lees ik op Natuurpunt.be (*) dat er in Heverlee zitten, en in flinke aantallen bovendien.
Als dat geen fijn nieuws is.


https://www.natuurpunt.be/nieuws/muurhagedis-vriendelijk-herstel-van-oude-abdijmuren-heverlee-20200406



Siciliaanse muurhagedis (Podarcis waglerianus)

Clement Caremans (c) 2020

maandag 4 mei 2020

De gierzwaluwen zijn er!








De gierzwaluwen zijn er!




Ik hoor ze! Ik hoor ze!"

Mijn betere helft is op de tweede verdieping bezig met onze bloembakken. Experimentele bloembakken, want onze leverancier sinds vele jaren van plantjes is ermee gestopt en nu zoeken we een alternatief. Nora heeft het niet zo voor de overkweekte, op allerlei manieren gemanipuleerde petunia's, surfinia's, lobelia's, pelargoniums, begonia's e tutti quanti uit de grote tuincentra en probeert het nu met zelf gezaaide bloemen en met eetbare planten, betrokken bij een leverancier die onder geen beding kweker of bloemist genoemd wil worden en die in normale omstandigheden vooral levert aan restaurants en speciaalzaken maar nu tijdens de lockdown even een ander marktsegment uitprobeert.

Ik zit beneden aan tafel aan mijn computerscherm, een plek waar ik intussen een heel groot deel van de jongste zeven weken heb vertoefd. Opgehokt en wel, telewerkend. Verwoed e-mailend en chattend met collega's, regelmatig videocalls houdend (the horror!) en voor het overige teksten schrijvend, nota's in het kader van de heropstart van het museum na de lockdown light, een publicatie bij de tentoonstelling die we momenteel voorbereiden: "Contrast", de eerste heuse tijdelijke expo in jaren in het Vleeshuis, met knappe foto's van muzikanten van de Hobokense fotograaf Frank Lambrechts. Van de feestelijke opening die we in gedachten hadden, komt uiteraard niets in huis, daar steekt SARS-CoV-2 een stokje voor.
Soit.

"Ik hoor ze!" klinkt het nogmaals, opgewonden, en dan, ter verduidelijking: "De gierzwaluwen zijn er!" Ik loop naar buiten en luister aandachtig, maar ik hoor niks. Geen schurend, snerpend geluid waar ik altijd een heel voorjaar met enige spanning naar uitkijk. Collega Jef hoorde er in de buurt van de Kerkstraat al op 24 april, maar hier in de Kielse Schijfstraat bleef het tot vandaag stil. Niet echt stil, uiteraard, want een hele kolonie huismussen tsjilpt, tiert en foetert mij iedere ochtend om zes uur wakker, spreeuwen geven duchtig van katoen, hier en daar hoor ik een merel en de jongste weken kraait er in de buurt wel eens een haan. Maar gierzwaluwen heb ik nog niet gehoord. Ook daarnet niet. Maar ik heb ze wel gezien, naar boven turend met half dichtgeknepen ogen vanwege een nogal felle zon. De lucht was net mooi helder blauw, en daar tekenden een tiental als stuka's dooreen slierende zwarte sikkelvormige silhouetjes zich tegen af. Hopelijk maken ze dit jaar, net als vorige zomer, weer gebruik van de nestkast die we jaren geleden onder onze corniche hingen. Ik kijk er naar uit.

Clement Caremans (c) 2020

Gierende schreeuw klinkt tot eind juli - NPO Radio 1