SOS Hobokense Polder
Ik ben Hobokenaar. Niet geboren, maar wel getogen. Dat maakt mij in de ogen van mijn betere helft, die van het Kiel afkomstig is, onherroepelijk tot een boerenkinkel. Want Hoboken, zo heette het in de jaren 1950-1960 in haar familie, was een boerengat. Ze spraken er een vreemd taaltje - ze zegden "kezze" in plaats van "karse" tegen kersen, hadden het over "blaa kaasse" wanneer ze aan blauwe sokken refereerden en noemden een teiltje een "soemmel". Nog erger dan de omstandigheid dat in het Hobokens patatten rijmt op geiten, adding insult to injury als het ware, was dat de gemeente, in tegenstelling tot geciviliseerder gebieden als het Kiel, Linkeroever en de Luchtbal, niet tot de stad Antwerpen behoorde. Hoboken, kortom, lag op de buiten - de parking, zou men vandaag zeggen. Ook nu heet de inmiddels al 40 jaar bij Antwerpen ingelijfde gewezen gemeente overigens nog steeds een hoge graad van landelijkheid te hebben: in de ogen van oerstedelingen als mijn eega hoort Hoboken niet in de categorie van districten als Merksem, Borgerhout, Deurne en Berchem - nee, het laat zich eerder indelen bij Berendrecht, Zandvliet en Lillo. Of bij Abele en De Moeren, in feite.
Die opvatting van Hoboken als een stukje boerenbuiten dat aan de Grote Stad Antwerpen vastkleefde en er vervolgens in werd opgenomen, is wat vreemd. Want ook in de jaren 1950 was de gemeente al diepgaand geïndustrialiseerd. Familieleden van mij verdienden hun boterham in de Hobokense zware nijverheid, op de Zaat, in de Wolkammerij, in de Zilverfabriek; vrienden en kennissen waren vingers kwijtgespeeld bij Schuybroeck. Van over 't water kwamen de Waaslanders in de Hobokense fabrieken werken en sommigen vestigden zich ook in de gemeente, opvallend vaak als kruidenier.
De Hobokense Polder was in mijn vroege kinderjaren nog écht polder: akker- en weidegrond met kleine gehuchten als het Broekskot en de Visputten, maar ook die polder, die nog enkele meter onder zeeniveau lag, zat al geklemd tussen Cockerill Yards in het zuiden en Petroleum-Zuid, de Petrol, in het noorden, terwijl vlakbij de petroleumketels zich de ruïne bevond van de Aciérie, de oude staalgieterij van voor de oorlog. De Petrol dook vaak op in de verhalen van mijn grootouders: in 1904 had er immers een felle brand gewoed, die in hun herinnering een indruk had achtergelaten vergelijkbaar met de V1's en de dichtgevroren Schelde van de jaren 1890. De "echte" polder werd echter in de tweede helft van de jaren 1960 bedekt onder een metersdikke laag aarde, afkomstig van de graafwerken voor de aanleg van de Ring (die toen steevast de E3 werd genoemd). Ook afbraakmateriaal en afval van stortplaatsen kwam in de oude polder terecht. Bovenop al die rotzooi werd Polderstad gebouwd, een prestigeproject van het haast homogeen socialistische Hobokense gemeentebestuur (de BSP had de volstrekte meerderheid sinds 1921!) dat echter nooit werd voltooid. De opgehoogde aarde-met-rotzooi die niét volgebouwd geraakte, werd vanaf de jaren 1970 gekoloniseerd door planten en dieren. Op de kale zandvlakten broedden aanvankelijk kleine plevieren en andere steltlopertjes, later, toen ze een groen en bloeiend kleedje hadden gekregen, zag je er patrijzen, graspiepers en veldleeuweriken. Ik herinner me stukjes weiland die geheel roze waren van het duizendguldenkruid of grijs van het hazenpootje. Er stonden grote plassen op de opgehoogde polder, en daarop ontwikkelden zich rietland en wilgenbroek. Van sommige vogels die ik in die vroege jaren in de polder heb gezien, kan ik vandaag nauwelijks geloven dat ze er ooit hebben gezeten: zomertalingen en watersnippen op de plassen, rietgors, blauwborst, grote karekiet en woudaapje in de rietkragen, goudvink, bonte vliegenvanger, zomertortel en klapekster in de doornbosjes achter de Aciérie... Langs de oude spoorweg naar de Aciérie huisde een flinke populatie levendbarende hagedissen, de sloot ernaast was in het voorjaar één bleekroze tapijt van bloeiende waterviolier. Maar aan de andere kant van die sloot was het stort, de vuilnisbelt van Hoboken.
![]() |
| Kuifeenden |
Toen ik in de jaren 1970 in de polder rondstruinde, alleen of met mijn spitsbroeder Henk, was er zo te zien maar weinig interesse voor het gebied. Gewoonlijk was je er zo goed als alleen, al herinner ik me wel een paar minder aangename confrontaties met ene Çois - zijn familienaam heb ik nooit geweten - die er met een geweer rondliep en zogezegd optrad als hoeder van de natuur: ik dacht er het mijne van. Een groepje enthousiastelingen, de Werkgroep Hobokense Polder (WHOP) zette zich in voor het behoud van het gebied als natuurreservaat, op dat moment een bepaald visionaire benadering, want ook een aficionado als ik moest toegeven dat het, spijts de soms bijzondere flora en fauna, een met groen overwoekerde stortplaats was. Maar de polder bleef en ontwikkelde zich, ondanks zijn wat vervuilde verleden, tot een van de grootste, mooiste en interessantste natuurgebieden in het Antwerpse. Intussen kom ik er niet zo vaak meer, omdat het me er dikwijls wat te druk is geworden. Want inderdaad, in tegenstelling tot de jaren 1970-1980, toen je er bij wijze van spreken in je blote flikker kon rondlopen omdat je er toch alleen was, loop je vandaag de dag in de intussen door Natuurpunt beheerde polder altijd wandelaars tegen het lijf, die er van het landschap komen genieten (voor de goede lucht hoef je er natuurlijk nog altijd niet te komen) of met de kinderen naar de galloways komen kijken (tot 2016 stonden er ook koniks, maar die werden weer weggehaald). Ongetwijfeld is de recreatiedruk op het gebied aan de hoge kant, maar dat kan moeilijk anders: Antwerpen heeft maar weinig groen, dus troepen de liefhebbers ervan samen op de schaarse plekken die er nog zijn. Maar als je tegen de avond, of heel vroeg 's ochtends, bij voorkeur op een weekdag, in de polder gaat wandelen, kan je er nog altijd het gevoel hebben helemaal alleen in de natuur te zijn. Er schicht een eekhoorn weg, je vangt een glimp op van een rode schim tussen de struiken, een vos, en als de wind gunstig staat betrap je misschien wel een ree die bij een plas staat te drinken. Of je staat plots oog in oog met een buizerd die een muis heeft verschalkt. Ook al weet je dat er onder jou, onder de kruidlaag waartussen spinnen wegschichten, een paar meter aangevoerde grond met afval zit, je voelt je als Daniel Boone die voor het eerst door de Appalachen trok. In theorie kan iedere Antwerpenaar dit gevoel meemaken, als hij of zij de moeite doet op het juiste moment de polder te bezoeken. Op loop- of fietsafstand van zijn of haar woning. En voor de geïnteresseerde natuurliefhebber, de amateur- of vakbioloog, is er méér: er groeien zeldzame orchideeën in de polder, er komen vlinders en sprinkhanen die je nergens anders in dit landsdeel nog vindt, er pleisteren elk jaar weer lepelaars... Dat dit kan, dat dit bestaat, is goud waard.
Behouden, zeg ik dan, by all means. Niet behouden, of zelfs door onrechtstreekse ingrepen in gevaar brengen, is gezien de schaarste van plekken als deze totaal onverdedigbaar.
Behouden, zeg ik dan, by all means. Niet behouden, of zelfs door onrechtstreekse ingrepen in gevaar brengen, is gezien de schaarste van plekken als deze totaal onverdedigbaar.
Maar uiteraard is Vlaanderen, wel ja, Vlaanderen. Dat betekent dat het beleid bij het zien van bomen spontaan denkt aan kettingzagen. Zoals een vroegere minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het kernachtig uitdrukte: het is altijd al de functie van bomen geweest om gekapt te worden. En na dat kappen van bomen volgt gewoonlijk het storten van beton. Natuur, ook al gaat het om een door flora en fauna heroverde stortplaats, betekent in Vlaanderen in de eerste plaats ruimte die kan worden verkaveld en volgebouwd. Ach ja, er is natuurlijk een bouwshift (oorspronkelijk heette die "betonstop", een term die blijkbaar moest worden geweerd wegens te confronterend voor die al zo getergde bouwpromotoren), maar die wordt pas effectief in 2040. Je weet wel, tegen de tijd dat we de dijken een paar meter hebben moeten verhogen omdat anders West-Vlaanderen in de Noordzee komt te liggen. In ieder geval, voor het 2040 is, kan er nog lustig worden gebouwd. En zo komt het dat, in het kader van de ontwikkeling van de Antwerpse zuidrand, ook de Hobokense Polder eraan moet geloven. In het noordwesten van de polder is er de oude BP-site, een stuk verlaten industrieterrein, dat aan twee kanten door het natuurgebied wordt begrensd en aan de derde door de Schelde. In feite ligt dit terrein in de Hobokense Polder, en het zou niet meer dan logisch zijn dat het, na verwijdering van de oude industrie en vervolgens sanering, aan de natuur zou worden overgelaten.
Vergeet het maar.
Op dit stukje polder zal de Maritime Campus Antwerp (MCA) worden gebouwd, als een eiland in het natuurgebied. Zes kantoorgebouwen, waarvan twee met een hoogte tot 70 meter, zullen 3000 werknemers huisvesten, die uiteraard parkeerplaats nodig hebben. Aansluitend komt er een evenementenplaza, met horeca en faciliteiten voor de organisatie van feesten. Lees: lichtvervuiling en geluidshinder.
Het GRUP - Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan - laat een dergelijke concentratie van kantoren niet toe, maar daar heeft men uiteraard wat op gevonden. Simple comme bonjour: het project wordt gewoon in twee fasen opgesplitst en in functie daarvan kan de stad dan zelf het ruimtelijk uitvoeringsplan aanpassen. Au fond is dit wat men in de context van aanbestedingen saucisseren noemt, en dat is verboden, maar blijkbaar kan het hier wel.
Komt de MCA er omdat er zo'n nood is aan kantoorruimte? Ik denk het niet: momenteel staat heel veel leeg. En het ziet er naar uit dat er in de toekomst niet méér, maar juist minder behoefte zal zijn aan kantoorruimte. Dank zij Sars-CoV-2 hebben overheden en bedrijfsleven immers het telewerken ontdekt, en gezien dat het niet zo'n slecht idee zou zijn om het toch zeker ten dele te bestendigen.
Maar stel nu dat de initiatiefnemers van het project, de CMB en Reslea, deze kantoren voor 3000 werknemers écht nodig hebben. Stél. Zijn er dan geen andere plekken in het Antwerpse waar de gebouwen kunnen worden neergepoot, zonder schade voor de al te schaarse natuur in onze stad? In het havengebied bijvoorbeeld? Ik zou denken van wel.
Zet die hoogbouw godverdomme elders.
Clement Caremans (c) 2020
Vergeet het maar.
Op dit stukje polder zal de Maritime Campus Antwerp (MCA) worden gebouwd, als een eiland in het natuurgebied. Zes kantoorgebouwen, waarvan twee met een hoogte tot 70 meter, zullen 3000 werknemers huisvesten, die uiteraard parkeerplaats nodig hebben. Aansluitend komt er een evenementenplaza, met horeca en faciliteiten voor de organisatie van feesten. Lees: lichtvervuiling en geluidshinder.
Het GRUP - Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan - laat een dergelijke concentratie van kantoren niet toe, maar daar heeft men uiteraard wat op gevonden. Simple comme bonjour: het project wordt gewoon in twee fasen opgesplitst en in functie daarvan kan de stad dan zelf het ruimtelijk uitvoeringsplan aanpassen. Au fond is dit wat men in de context van aanbestedingen saucisseren noemt, en dat is verboden, maar blijkbaar kan het hier wel.
Komt de MCA er omdat er zo'n nood is aan kantoorruimte? Ik denk het niet: momenteel staat heel veel leeg. En het ziet er naar uit dat er in de toekomst niet méér, maar juist minder behoefte zal zijn aan kantoorruimte. Dank zij Sars-CoV-2 hebben overheden en bedrijfsleven immers het telewerken ontdekt, en gezien dat het niet zo'n slecht idee zou zijn om het toch zeker ten dele te bestendigen.
Maar stel nu dat de initiatiefnemers van het project, de CMB en Reslea, deze kantoren voor 3000 werknemers écht nodig hebben. Stél. Zijn er dan geen andere plekken in het Antwerpse waar de gebouwen kunnen worden neergepoot, zonder schade voor de al te schaarse natuur in onze stad? In het havengebied bijvoorbeeld? Ik zou denken van wel.
Zet die hoogbouw godverdomme elders.
Clement Caremans (c) 2020
![]() |
| Gallowayrunderen |





