![]() |
| Nachtegaal. Foto Peter van Duijn. |
Nachtegalen op een Londens plein
(en tussen onze oren)
Terwijl het eindelijk nog eens sneeuwt, zit ik me te amuseren met het schrijven van een stuk over wintervogels. Ik ben er wel al even mee bezig: ik schrijf er nu eens een paar dagen aan en dan wordt de tekst in statu nascendi weer voor vele maanden opzij gelegd, tot ik nog eens een nieuwe aanval van ijver krijg. Ik heb zo wel één en ander op stapel staan, waarvan ik hoop het ooit af te werken. Maar een mens kan niet de hele tijd over roodborsten en winterkoningen schrijven, dus het gaat allemaal met horten en stoten. Ook nu. Het sneeuwt immers, dus ik moet op regelmatige basis bij het venster gaan staan, gewapend met een verrekijker. En dan volg ik de bedrijvigheid in onze tuin, waar de mussen, spreeuwen, merels, tortels en houtduiven druk in de weer zijn met het voer dat mijn liefste voor hen op tafel en tuinpad strooit en in voederhuisjes en -silo's stopt (een zeer arbeidsintensief gebeuren: om het uur wordt de voorraad vreten bijgevuld).
Ik ben goed gemutst. Ik hou van sneeuw en ben blij dat alles er weer even mooi wit bijligt. Sneeuw blijft natuurlijk niet lang mooi, toch niet in de stad. Waar auto's rijden, bijvoorbeeld, verwordt hij al snel tot een weinig aantrekkelijke bruine pap. En als het vriest op half gesmolten sneeuw, krijg je een spiegelgladde glijbaan. Dus heb ik vanochtend al om half acht mijn burgerplicht gedaan en het trottoir voor de deur sneeuwvrij gemaakt. Intussen ligt er uiteraard weer sneeuw, maar het zout dat ik strooide, verhindert dat die aanvriest. Straks er nog eens met een grove borstel overheen, zodat het voetpad vannacht niet spekglad wordt. Dat obligate ruimen van sneeuw is er bij mij van jongs af ingehamerd. Mijn moeder peperde me in dat de lantoor sneeuw- en ijsvrij moest zijn, want als er iemand voor onze deur uitgleed en iets brak, zou dat onze schuld zijn. In mijn geheugen zitten die do's en don'ts - gaande van het ruimen van sneeuw tot de noodzaak van proper ondergoed - uit mijn prille jaren nog binnen handbereik. En met succes, dus, want vanochtend om half acht was ik al in de weer met borstel, schop en klipzout. De meeste bewoners van mijn straat hadden blijkbaar geen moeder met dezelfde obsessies als de mijne, of ze hebben er in ieder geval niets aan over gehouden. Want op het grootste deel van het trottoir in de Schijfstraat werd geen sneeuw geruimd.
Terwijl ik binnen zit te tikken en buiten de sneeuwvlokken neerdwarrelen, hoor ik op Klara Vera Lynn die A Nightingale sang in Berkeley Square zingt.
When two lovers meet in Mayfair, So the legends tell,
Songbirds sing and winter turns to spring.
Every winding street in Mayfair falls beneath the spell.
I know such enchantment can be
'Cause it happened one evening to me.
That certain night, the night we met,
There was magic abroad in the air,
There were angels dining at the Ritz,
And a nightingale sang in Berkeley Square.
I may be right, I may be wrong,
But I'm perfectly willing to swear
That when you turn'd and smiled at me
A nightingale sang in Berkeley Square.
The moon that lingered over London town;
Poor puzzled moon, he wore a frown,
How could he know we two were so in love,
The whole darn world seemed upside down,
The streets of town were paved with stars,
It was such a romantic affair,
And as we kissed and said goodnight,
A nightingale sang in Berkeley Square.
I know 'cause I was there, that night in Berkeley Square.
Ik heb dit lied altijd bijzonder gevonden. Niet alleen omdat het een evergreen is geworden en dat behalve Vera Lynn een resem andere artiesten het hebben gecoverd - van Nat King Cole en Frank Sinatra over Blossom Dearie en Manhattan Transfer tot Rod Stewart - maar vooral omdat het ons beeld van de nachtegaal zo diepgaand heeft beïnvloed.
De nachtegaal, een onopvallend bruin vogeltje met een fenomenale zang, spreekt al sinds de antieke wereld tot de verbeelding. Philomela was een van de namen die de Grieken hem gaven, de minnaar van de zang. Philomela speelt een belangrijke rol in een bijzonder wrede mythe van hoge ouderdom: Homeros blijkt ze al te hebben gekend. Tereus, de koning van Thrakië, wordt smoorverliefd op Philomela, de zus van zijn echtgenote Prokne. Hij verkracht Philomela en sluit Prokne op in de slavenverblijven; hij verzekert zich van haar stilzwijgen door haar de tong uit te snijden. Om haar zuster op de hoogte te brengen van wat er met haar gebeurde, weeft Prokne in een kleed het relaas van haar droeve lot en laat dit aan Philomela bezorgen. Eens vrijgekomen, doodt Prokne haar zoon Itys en zet hem als feestdis voor aan Tereus. De onvrijwillige kannibaal ontdekt de gruwelijke waarheid en zit Prokne en Philomela achterna met een bijl. Maar voor hij een nieuwe slachtpartij kan aanrichten, komen de goden tussen en veranderen het noodlottige drietal in vogels: Prokne wordt een zwaluw, Philomela een nachtegaal en Tereus een hop.
Of hoe de beste zanger uit het vogelrijk zijn kunst dankt aan een donker en grimmig bloedbad.
Doorheen de eeuwen bleef de nachtegaal het hoogste in de muziek symboliseren. Dichters bezongen zijn hemelse muzikale vermogen, de onuitputtelijke melodische variatie van zijn zang: Dryden, Keats, Coleridge, Clare... om er slechts enkele te noemen. In het sprookje De Chinese nachtegaal van Andersen hangt het geluk en zelfs het leven van de keizer van China af van het nachtegalenlied. En zo evolueerde de nachtegaal van een vogel die door kenners om zijn zang werd geroemd, tot een symbool van muzikale schoonheid, ook voor wie nog nooit in zijn leven een nachtegaal hoorde. Intussen weet iedereen bij het horen of lezen van "nachtegaal": het gaat hier om hemels gezang, prachtige muziek, het mooiste vogelgeluid dat er bestaat.
Dit terwijl nog nauwelijks iemand ooit de vogel heeft horen zingen. Want de nachtegaal is zeldzaam geworden. Talrijk was hij nooit, maar als insecteneter en verre trekker, die in Europa broedt maar de winter doorbrengt in tropisch Afrika ten zuiden van de Sahara, moet hij sinds decennia op diverse fronten klappen incasseren. Zijn voedsel wordt steeds schaarser: niet alleen is de gedurende millennia opgebouwde finetuning van vogel, insect en jaargetijde, die ervoor zorgde dat de nachtegaal uit Afrika terugkeerde en jongen grootbracht precies dàn wanneer de insecten massaal aanwezig zijn, door de klimaatverandering stilaan in de knoop geraakt, ook krijgen de insectenpopulaties rake klappen door het ongebreidelde gebruik van pesticiden in de land- en tuinbouw. Massale boskap in de wintergebieden en vernietiging van het geschikte broedbiotoop in West-Europa doen de rest. Samenvattend: de nachtegaal, het kleine bruine vogeltje met de goddelijke stem, is er de jongste halve eeuw flink op achteruitgegaan - misschien is het aantal wel meer dan gehalveerd (hier en daar lees ik zelfs dat hij met 90% is afgenomen). Voeg daarbij dat de meeste mensen in steden wonen en dat je in een stad geen nachtegalen gaat vinden, en je begrijpt hoe het komt dat maar weinig mensen weten hoe een nachtegaal klinkt, wat voor een vogel het in feite is en waar je hem kan horen zingen.
A Nightingale sang in Berkeley Square vat heel dit verhaal voor mij mooi samen. Had de in het Interbellum erg succesrijke tekstschrijver Eric Maschwitz ooit een nachtegaal gehoord, toen hij het lied in 1940 schreef? Hoe was het gesteld met zijn ornithologische kennis? Ik heb er geen idee van. Maar als je de lyrics letterlijk neemt, zou je kunnen concluderen dat Maschwitz niet zo goed op de hoogte was van de gedragingen van de nachtegaal. Zijn nachtegaal leeft niet in waterrijke bossen met dichte begroeiing van bramen en brandnetels, waar hij zingt vanop een lage zangpost, bij voorkeur weggestoken in dicht gebladerte. Hij brengt zijn lied ten gehore op een weliswaar boomrijk plein middenin de miljoenenstad Londen, waar hoogst waarschijnlijk nooit ofte nimmer een echte Luscinia megarhynchos zal worden gesignaleerd. Michael McCarthy bespreekt in Say Goodbye to the Cuckoo deze song, die hij aanhaalt als exempel van het gegeven dat vogels stilaan verdwijnen uit onze leefwereld. Hij neemt Maschwitz letterlijk. En uit de liedtekst leidt hij af dat de nachtegaal van Berkeley Square het product is van een verbeelding die iedere band met de biologische realiteit is verloren. Mensen kennen nog slechts de fictieve nachtegaal uit het liedje, zegt McCarthy, de echte zijn ze voor altijd kwijt. Dank zij Maschwitz is de nachtegaal sinds 1940 onverbrekelijk verbonden met een Londens plein, en voor miljoenen mensen die nooit de echte vogel zagen of hoorden, en dat ook nooit zullen doen, is de fictieve nachtegaal the real thing. Ik vraag me af of dit klopt. De liedtekst lijkt veeleer te suggereren dat de vogel misschien niet écht zong in Berkeley Square, net zoals het vrij onwaarschijnlijk is dat er engelen zaten te dineren in het Ritz. De "ik" uit het lied weet perfect dat er geen échte nachtegaal zong, maar hoorde er wel een omdat bij een perfecte avond in Berkeley Square een zingende nachtegaal niet mag ontbreken, evenmin als dinerende engelen in het Ritz. Hoe ook, Maschwitz' nachtegaal is even reëel als de eenhoorn en de catoblepas, maar het valt nauwelijks op.
Meer nog dan op een Londens plein, zingt hij tussen onze oren, en hij voelt zich daar opperbest.
Clement Caremans (c) 2021

