zaterdag 25 juni 2022

Keukenfauna

 


Keukenfauna




Een mens heeft soms onverwachte ontmoetingen in zijn keuken. En daarmee bedoel ik niet iets wat je ruimschoots te laat in je koelkast terugvindt, of iets dat achter een kast sukkelde en daar net iets te lang heeft gelegen om nog van een aangenaam weerzien te kunnen spreken.
Nee: ik heb het over het beestje op het fotootje hierboven. Mijn liefste trof het aan in een hoekje achter een keukenkast en merkte direct dat het een bijzondere spin was. En inderdaad. Hoewel ik er niet onmiddellijk een naam op kon kleven, herkende ik de karakteristieke vorm van een kogelspin, je weet wel, de familie van glanzende beauty's waar ook de gevreesde malmignatte en dito zwarte weduwe toe behoren. Even grasduinen in enkele spinnengidsen en nog even checken op het internet, en de identiteit was gevonden: een grote steatoda (Steatoda grossa). Een typische stadsspin, een exoot die waarschijnlijk in de jaren 1940 vanuit een of ander niet gekend warmer oord samen met hout, verpakkingsmateriaal of fruit in onze havens en goederenstations arriveerde en zich vestigde in onze huizen, waar ze zich opperbest voelt. Vermits in een modale woning gemiddeld zo'n 1500 spinnen huizen (arachnofoben denken dat er zowat overàl spinnen zitten: ze hebben gelijk), is de kans reëel dat zich in ons huis nog enkele bijzondere residenten ophouden. 
Ik ben benieuwd.


Clement Caremans (c) 2021



donderdag 20 januari 2022

Brandganzen, ganzenbomen en eendenmossels


Ganzenboom, uit John Gerard, Herball, or Generall Historie of Plantes





Brandganzen, ganzenbomen 

en eendenmossels


"De Nekker" noemen Mechelaars het blijkbaar. Wij, van 't Stad of in ieder geval van daar vlakbij, hebben het over "het Mechels Broek". Hoe je het ook noemt: het is een mooi stukje polder, gelegen tussen de Dijle en de Boeimeerbeek. Nat weiland en broekbos, doorsneden met sloten, kreken en greppels, en in de westelijke helft een grote plas. Een fijn gebied om te wandelen, in gelijk welk seizoen maar toch vooral in de winter, omdat dan de watervogels het talrijkst zijn.

Gisteren waren we er nog eens. We hadden ons voorzien op veel modder, en dat was maar goed ook, want het slijk was alomtegenwoordig. Op de plas en in de sloten grondelden wilde eenden, wintertalingen, slobeenden, pijlstaarten en krakeenden - ik denk dat je op maar weinig locaties in de buurt van Antwerpen een grotere kans hebt om pijlstaarten te zien dan in het Mechels Broek. Smientjes ook, natuurlijk, de schattigste van alle zwemeenden met hun bolle acajou kopjes met blonde bles en met hun hoge gefluit. Uiteraard waren er in het open gedeelte van de plas ook kuifeenden, futen, meerkoeten en aalscholvers. En er zwommen grauwe ganzen rond, Canadese ganzen ook en een eenzame knobbelzwaan. De onvermijdelijke nijlganzen waren ook van de partij en hielden een beetje afstand van de rest, of de rest van hen, want ik heb de indruk dat de meeste eenden en ganzen deze agressievelingen mijden als de pest. Op een stukje grasland dat niet blank stond een honderdtal kieviten, en in de wei ernaast grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen.

Brandgans, Branta leucopsis (Bechstein)


De brandgans fascineert me. Niet alleen omdat het zo'n mooie vogel is - alle ganzen zijn mooi - maar omwille van de verhalen die met het beest verbonden zijn. In Ierland circuleerde in de Middeleeuwen het verhaal dat de brandgans zich niet voortplantte zoals dat bij vogels gebruikelijk is, maar voortkwam uit Lepas anatifera, de eendenmossel, een kreeftachtige die met veel goede wil op de kop van een gans lijkt. Giraldus Cambrensis, een Welse monnik die in de 12de eeuw Ierland bezocht en in De geschiedenis en de topografie van Ierland (Topographia Hibernica) straffe verhalen neerpende over de natuurlijke en menselijke historie van het land, was de eerste die het eendenmosselverhaal op papier zette. De ganzen, schrijft hij, beginnen hun bestaan als aanwassen die aan de meerpalen en staken groeien die langs de kust worden aangebracht. Ze hangen vast met hun snavel en hun lijf zit in een schelp. In die schelp ontwikkelen ze veren, en als ze volgroeid zijn, laat hun bek de paal waaraan hij vastzat los en vliegen of zwemmen de ganzen weg.

Topographia Hibernica British Library MS 13 B VIII (c.1188 CE)
Foto Ray Oaks

Bestiarium in British Library, Harley 4751 f. 36
Foto Ray Oaks

Ganzenboom in het Bestiarium van Pierre de Beauvais, Library of the Arsenal, ms. 3516 fol. 205r
Foto Ray Oaks

Omdat brandganzen geen eieren leggen als andere vogels, redeneerde men, is hun vlees in feite geen vlees maar eerder een soort vis, dat bijgevolg zonder problemen tijdens de vasten kon worden gegeten. Wat de Ieren, diepkatholiek als ze waren, dan ook met overtuiging deden. Tot in de 16de eeuw bleven schrijvers dit verhaal voor waar herhalen. Edmund Campion schrijft in zijn Historie of Ireland (1571): "Barnacles, thousands at once, are noted along the shoares to hang by the beakes about the edges of putrified timbre... which in the processe taking lively heate of the Sunne, become water-foules." En John Gerard, de grote Engels herbalist, neemt het verhaal nog op in de eerste editie (1597) van zijn Herball, or Generall Historie of Plantes.
Waar deze merkwaardige opvatting vandaan komt, weten we niet. Dat vogels in de regel eieren leggen, was ook in de Middeleeuwen geweten. Van de brandgans kreeg men natuurlijk nooit eieren te zien: de vogels broeden aan de oostkust van Groenland, op Spitzbergen en op Novaja Zemlja, tot in de moderne tijd regionen die zich buiten de in West-Europa gekende wereld bevonden. Dus dan maar de eendenmossel.

Clement Caremans (c) 2022

Ganzenboom volgens Conrad Gesner

Ganzenboom volgens Ulisse Aldrovandi